Chunk 10 (7- 7 Juni) Flashcards
… (I have memorized it).
Ik heb het uit mijn hoofd geleerd
… (likewise/ Aynı şekilde/Voor mij ook)
Eensgelijks
… (Hiç anlamıyorum / I do not understand)
… (Artık his anlamıyorum / I don’t get it anymore)
Ik snap er niets van
Ik snap er niets meer van
maar zij worden in de totale bevolking … (not counted / not included).
niet meegeteld
meetellen: to include
… (It’s not fair).
Het is niet eerlijk
… (I miss my family members).
Ik mis mijn familieleden
het lid
de leden
Ik zet … (wooden spoons and plastic things) niet in de afwasmachine.
houten lepels en plastic dingen
… (Arden woke up early).
Arden werd vroeg wakker.
… (I’ve been awake since 6 am)
… (I woke up at 6 am)
Ik ben sinds 6 uur wakker
Ik werd om 6 uur wakker
wakker zijn: to be awake
wakker worden: to wake
… (I woke up at 6 am)
… (I got up at 6.15 am).
Ik werd om 6 uur wakker. = uyandım
Ik stond op om 6.15 uur. = kalkıp hazırlandım
… (Does it make sense?/ Mantıklı mı?)
Is het logisch?
… (I want to ask you something).
Ik wil je iets vragen.
… (Sorry for your loss / Başsağlığı diliyorum).
Gecondoleerd
… (How bad / How terrible)
Wat erg / Wat vreselijk
… (We wish you much strength in this difficult time).
Wij wensen u veel sterkte in deze moeilijke tijd
… (If you need anything, we are there for you).
Als u iets nodig hebt, staan wij voor u klaar.
… (I looked up the words I didn’t know.).
De woorden die ik niet wist, zocht ik op.
… (In the past) liep ik hard, … (but not anymore). Want het is niet goed voor de knieën.
In het verleden … maar nu niet meer
… (I feel troubled/ Sıkıntılı hissediyorum).
Ik voel me bezwaard.
… (He does not feel well).
Hij voelt zich niet lekker