Basis grammatica 1 Flashcards
Exception
de uitzondering
Wat is het meervoud van de stad?
de steden
şehirler
Wat is het meervoud van het schip?
de schepen
gemiler
Wat is het meervoud van de smid?
de smeden
demirciler
Wat is het meervoud van het lid?
de leden
üyeler, members
Wat is het meervoud van de weg?
de wegen
Wat is het meervoud van de dag?
de dagen
Wat is het meervoud van het dak?
de daken
çatılar, roofs
Wat is het meervoud van het glas?
de glazen
camlar
Wat is het meervoud van het gat?
de gaten
delikler, holes
Wat is het meervoud van de oom?
de ooms
uncles, amcalar, dayılar
Wat is het meervoud van de broer?
de broers
Wat is het meervoud van de zoon?
de zoons
Wat is het meervoud van het kind?
de kinderen
Wat is het meervoud van het ei?
de eieren
eggs
Waar ga je ….? ( Where are you going to?)
Waar ga je heen?
Waar ga je naar toe?
Welke jongen …. (indicate) je?
Which boy do you mean?
bedoel
Doe je … ( Do you participate?)
Doe je mee?
mee.doen: to participate.
I doe mee.
Hah doet niet mee.
Ik ga ( gidiyorum / I'm going) Ik .... ( geliyorum / I'm coming)
Ik ga mee.
mee.gaan: to join, to go with someone
Ik ga mee met jou: I’m coming with you.
… is het boek? (To whom is the book? / Kitap kime?)
…. is het boek? (Whose is the book? / Kitap kimin?)
Aan wie is het boek?
Van wie is het boek?
Wij schrijven …. ( We write down the word)
We schrijven het woord op.
opschrijven: write down
Het is … ( a kind, friendly man)
Het is een aardige man.
aardig:kind, friendly
Wanneer …. ? (When does the store open?)
Wanneer gaat de winkel open?
Hoe laat gaan de winkels open?
(What time do the stores open?)
Wanneer …. ? (When does the store close?)
Wanneer gaat de winkel dicht?
Hoe laat gaan de winkels dicht?
(What time do the stores close?)