ontvangen
recevoir
ontgoochelen
décévoir
merken, waarnemen
(s’) apercevoir (de)
(terug)zien
(re)voir
voorzien
prévoir
weten, kunnen
savoir
moeten
devoir
mogen, kunnen
pouvoir
waard zijn
valoir
willen
vouloir
ontroeren
émouvoir
zitten, zetten
asseoir
gaan zitten
s’asseoir
regenen
pleuvoir
moeten (impers)
falloir