HC.2 - De gecompliceerde bevalling Flashcards

1
Q

Q: Wat zijn mogelijke oorzaken van morbiditeit tijdens een abnormale baring?

A

Vroeggeboorte
Dysmaturiteit
Perinatale asfyxie
Congenitale afwijkingen
Hypertensieve ziekten
Trombo-embolieën
Fluxus postpartum
Infecties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Q: Wat betekent AAV in het normale baringsmechanisme bij hoofdligging?

A

A: AAV staat voor Aanpassing, Asynclitisme, en Verplaatsing, die samen het normale mechanisme van de bevalling bij hoofdligging beschrijven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Q: Wat houdt “Aanpassing” in bij AAV?

A

A: Het proces waarbij het hoofd van de foetus zich aanpast aan het baringskanaal door flexie of extensie, afhankelijk van de positie in het bekken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Q: Wat is “Asynclitisme” in het baringsmechanisme?

A

A: Een schuine houding van het foetale hoofd waarbij een pariëtale knobbel het eerst door het baringskanaal passeert, om zich beter aan te passen aan de bekkeningang.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Q: Wat wordt bedoeld met “Verplaatsing” in AAV?

A

A: De progressieve beweging van het foetale hoofd door het baringskanaal, inclusief indaling, flexie, interne spildraai, extensie, en uitwendige spildraai.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Q: Wat zijn mogelijke oorzaken van mortaliteit tijdens een abnormale baring?

A
  • perinatale sterfte
  • Maternale sterfte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Q: Wat is de definitie van vroeggeboorte?

A

A: Een partus vóór 37 weken zwangerschap.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Q: Wat zijn mogelijke complicaties van vroeggeboorte?

A
  • Respiratoire problemen
  • Sepsis
  • Necrotiserende enterocolitis (NEC)
  • Intracraniële bloedingen
  • Motorische en ontwikkelingsproblematiek
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Q: Wat is serotiniteit?

A

A: Een zwangerschap die langer dan 42 weken duurt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Q: Wat zijn methoden om de baring in te leiden bij serotiniteit?

A
  • Mechanisch: ballonkatheter
  • Medicamenteus: prostaglandines zoals misoprostol
  • Amniotomie en/of oxytocine bij rijpe portio
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Q: Welke vormen van pijnstilling zijn beschikbaar tijdens de bevalling?

A
  • Lachgas
  • Pethidine
  • Remifentanil
  • Epidurale anesthesie (meest effectief en veilig voor moeder en kind)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Q: Wat zijn veelvoorkomende complicaties tijdens de ontsluitingsfase?

A
  • Niet-vorderende ontsluiting
  • Meconiumhoudend vruchtwater
  • Navelstrengprolaps
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Q: Wat zijn de “3 P’s” van een niet-vorderende ontsluiting?

A
  1. Passage: problemen in het baringskanaal
  2. Passenger: afwijkingen in positie of presentatie van de foetus
  3. Powers: inadequate weeënactiviteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Q: Wat zijn veelvoorkomende complicaties tijdens de uitdrijvingsfase?

A
  • Niet-vorderende uitdrijving
  • Foetale nood
  • Schouderdystocie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Q: Wat zijn indicaties voor een kunstverlossing (vacuüm of forceps)?

A
  • Foetale nood
  • Niet-vorderende uitdrijving
  • Ernstige maternale complicaties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Q: Wat is fluxus postpartum?

A

A: Bloedverlies > 1 liter binnen 24 uur na de bevalling.

17
Q

Q: Wat zijn de “4 T’s” van fluxus postpartum?

A
  1. Tone: Uterusatonie (70%)
  2. Trauma: Rupturen van het baringskanaal (20%)
  3. Tissue: Placentaresten (10%)
  4. Thrombin: Stollingsstoornissen (1%)
18
Q

Q: Hoe wordt fluxus postpartum behandeld?

A
  1. Oxytocine en andere uterotonica
  2. Uterusmassage
  3. Ledigen van de blaas
  4. Eventueel chirurgische ingrepen (zoals hysterectomie)
19
Q

Q: Wat zijn belangrijke oorzaken van maternale sterfte wereldwijd?

A
  • Postpartumhemorragie
  • Sepsis
  • Hypertensieve aandoeningen
  • Onveilige abortus
20
Q

Q: Wat is uterusatone?

A

A: Het uitblijven van contracties van de uterus na de bevalling, leidend tot overmatig bloedverlies.

21
Q

Q: Wat is het beleid bij niet-vorderende ontsluiting?

A
  • Andere houding
  • Adequate pijnstilling
  • Bijstimulatie met oxytocine
22
Q

Q: Wat is schouderdystocie?

A

A: Het vastzitten van de voorste schouder achter de symfyse na de geboorte van het hoofd.

23
Q

Q: Wat zijn risico’s van schouderdystocie?

A
  • Foetale hypoxie
  • Plexus brachialis letsel
  • Fracturen bij de foetus
24
Q

Q: Wat is retentio placentae?

A

A: Het niet spontaan geboren worden van de placenta binnen 30 minuten postpartum.

25
Q

Q: Hoe wordt retentio placentae behandeld?

A
  • Actieve nageboorte: Oxytocine en controlled cord traction (CCT).
  • Eventueel manuele placenta verwijdering.
26
Q

Q: Wat is het verschil tussen vacuumextractie en forceps?

A

Vacuum: Minder traumatisch voor de moeder.

Forceps: Minder traumatisch voor de baby.