PD.1 - Epilepsie (inclusief weekinleiding) Flashcards

1
Q

Wat is de eerste stap in de ILAE-classificatie van epileptische aanvallen?

A

De aanvalsbeschrijving (semiologie).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Q: Welke stappen bevat de ILAE-aanvalsbeschrijving (semiologie)?

A

Altijd:
- Bewustzijn/gewaarwording (bv. ogen open/dicht, oogcontact, interactie)
- Motorische verschijnselen (eenvoudig of complex)

Liefst altijd:
- Autonome verschijnselen (bv. verkleuren, hartslag, zweten)
- Postictale verschijnselen (bv. vermoeidheid, uitval)

Zo mogelijk:
- Sensorische verschijnselen (bv. geluiden, tintelingen)
- Emotionele verschijnselen (bv. angst, verdriet)
- Cognitieve verschijnselen (bv. déjà vu, afasie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Q: Wat is de ILAE?

A

A: De International League Against Epilepsy (ILAE) is een wereldwijde organisatie die zich richt op het verbeteren van kennis, zorg en preventie van epilepsie. Ze ontwikkelt internationale classificaties en richtlijnen voor diagnose en behandeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke twee observaties behoren altijd tot de aanvalsbeschrijving volgens ILAE?

A

Bewustzijn/gewaarwording; Motorische verschijnselen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Noem voorbeelden van eenvoudige motorische verschijnselen bij epileptische aanvallen.

A

Trekkingen, schokken, verstijven, knipperen, smakken, nystagmus.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn voorbeelden van complexe motorische verschijnselen bij epileptische aanvallen?

A

Automatische handelingen, hypermotoor gedrag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke verschijnselen worden bij voorkeur altijd gerapporteerd bij een epileptische aanval?

A

Autonome verschijnselen; Postictale verschijnselen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Noem voorbeelden van autonome verschijnselen bij epilepsie.

A

Verkleuren, veranderingen in hartslag of ademhaling, zweten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Noem twee voorbeelden van postictale verschijnselen.

A

Vermoeidheid, uitvalsverschijnselen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke aanvalssymptomen registreer je zo mogelijk?

A

Sensorische; Emotionele; Cognitieve

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Noem voorbeelden van sensorische symptomen bij epileptische aanvallen.

A

Geluiden, beelden, smaak, geur, tintelingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke emotionele verschijnselen kunnen optreden tijdens een aanval?

A

Angst, woede, verdriet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Noem voorbeelden van cognitieve verschijnselen bij epileptie.

A

Déjà vu, geheugenverlies, afasie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de vier typen epileptische aanvallen op basis van de aanvalsclassificatie?

A

Focaal begin; Gegeneraliseerd begin; Zowel focaal als gegeneraliseerd; Onbekend begin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is een focaal begin aanval?

A

Een aanval die start in een beperkt hersengebied; kan met intacte of verminderde gewaarwording zijn, motorisch of niet-motorisch.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat betekent “focaal naar bilateraal tonisch-clonisch”?

A

Een focale aanval die zich uitbreidt naar beide hersenhelften met tonisch-clonische kenmerken.

17
Q

Wat zijn voorbeelden van gegeneraliseerde motorische aanvallen?

A

Tonisch-clonisch en andere motorische verschijnselen.

18
Q

Wat zijn gegeneraliseerde niet-motorische aanvallen?

A

Aanvallen zonder motorische verschijnselen, zoals absences.

19
Q

Noem de zes etiologische categorieën van epilepsie volgens ILAE.

A

Structureel; Genetisch; Infectieus; Metabool; Auto-immuun; Onbekend

20
Q

Wat zijn de criteria voor de diagnose epilepsie?

A

≥2 ongeprovoceerde/reflexmatige aanvallen ≥24 uur uit elkaar; 1 ongeprovoceerde aanval + ≥60% kans op herhaling in 10 jaar; Er is sprake van een epilepsiesyndroom

21
Q

Noem de belangrijkste differentiaaldiagnoses van epileptische aanvallen.

A

Syncope (cardiaal, vasovagaal/reflex, POTS); Kataplexie; Metabool/intoxicatie; Zelfstimulatie; Psychogene aanvallen; Transient global amnesia