34 Flashcards
das gewand
Gewaad kleed
schimmern
(zwak) schijnen, zacht glanzen
lind
zacht zoel
in Ehren halten
in ere houden
sich gesellen
zich voegen (bij), zich aansluiten (bij)
er hat mit Ehren bestanden
hij is met lof geslaagd
stämmig
stevig gebouwd, potig
abdingen
afdingen
erfassen
aanvatten, (aan)grijpen beseffen, begrijpen (figuurlijk) omvatten, zich uitstrekken tot registreren zich meester maken van
überwinden
overwinnen
(hinderpalen) uit de weg ruimen
(verlies) te boven komen
ausgiebig
overvloedig, uitgebreid, rijkelijk
der Mumm
energie, fut
moed, durf
heraufbeschwören
bezweren, oproepen
(onheil) stichten, (conflicten) veroorzaken
labbrig
zwak, week, slap
flauw, smaakloos, laf
Darbietung
vertoning, uitvoering, opvoering, nummer
schnupfen
snuiven
snotteren
verschachern
versjacheren, verkwanselen
jmdm. die kalte Schulter zeigen
iemand de rug toekeren
glotzen
grote ogen opzetten
kastje kijken
das larifari
onzin, geklets
belegen
bewijzen
bezetten innemen reserveren
bedekken
harsch
hard, ruwbars, onvriendelijk
rahmenbedingungen
algemene voorwaarde, randvoorwaarde
knackig
knapperig
aantrekkelijk