15 Flashcards
Nörgeln, meckern an
Kankeren
Schweißen
Lassen
Aufnehmen
Opnemen
Kühn
Dapper
Scheitern
Stranden, mislukken
Abstrus
Duoster verward
Nahelegen
Aanraden
Nervig
Gespierd krachtig storend
Gefällig
Vriendelijk prettig
Gefälligst
Aub
Der Essig
Azijn
Das Geschirr
Vaatwerk servies gereedschap
Vollends
Volkomen ook nog
Erregen
Veroorzaken m, doen ontstaan
Erheblich
Aanzienlijk
Herein
(Naar) binnen
Herausfinden
De weg vinsen, ontdekken
Sich herausfinden
De uitweg vinden
Das Eichhörnchen
Eekhoorn
Der Ascher
Asbak
Erstaunen
Verbazen
Erstaunlich
Verbazingwekkend
Das Gleichgewicht
Evenwicht
Die Tasse
Kopje
Das Rind
Rund
Ausgezeichnet
Uitblibkend
Auszeichnen
Onderscheiden kenmerken
Genügen
Voldoende zijn
Genügen + 3
Voldoen aan nakomen
Rotzen
Zn neus snuiten
Die Truhe
(Deken)kist, hutkoffer
Ausschweiffend
Losbandog, overdreven
Vertreiben
Verdrijven, (waren) verhandelen
Vorläufig
Voorlopig
Zeitweilig
Tijdelijk
Vorübergehend
Tijdelijk
Die Bedingung, unter
Voorwaarde
Abschöpfen
Afacheppen, afromen
Endgültig
Definitief
Billigen
Goedkeuren
Billig
Goedkoop rechtvaarsig
Überbieten
Overbieden, overtreffen
Sich übertreiben
Met elkaar wedijveren
Vergeuden
Verkwisten
Malen
Schilderen
Verderben
Verprutsen
Verpfuschen
Verprutsen
Ebenbürtig
Gelijkwaardog, v gelijke stand