Pédiatre Flashcards
Rillen
Frisonner
rillingen
des frissons (masc.)
Buiten adem zijn
Être hors d’haleine
Être essoufflé
de hoest
la toux
een droge hoest
une toux sèche
een slijmerige hoest
une toux grasse / productive
een hoestbui
une quinte de toux
hoesten
tousser
Niezen
Éternuer
een niesbui
Un accès d’éternuement
Bijkomen (in gewicht) <-> afvallen
Prendre <-> perdre du poids
de gewichtstoename <-> het gewichtsverlies
La prise <-> la perte de poids
Groeien
Croître
de groei
La croissance
een groeispurt
Une poussée de croissance
Een curve
Une courbe
de groeicurve
Une courbe de croissance
Een vroedvrouw
Une sage-femme
Een voldragen kind
Un enfant né à terme
Een te vroeg geboren kind
Un enfant né avant terme
Bevallen
Accoucher
een bevalling
Un accouchement
Borstvoeding geven
Allaiter
de borstvoeding
L’allaitement
Een zuigfles
Un biberon
De borst
Le sein
de baby aanleggen
Mettre le bébé au sein
Drinken (aan de borst / uit de zuigfles)
Têter
Een boertje
Un rot {roo}
De baby een boertje laten doen
Faire faire son rot à un bébé
Zure oprispingen
Des régurgitations (acides)
Zich recht houden / alleen zitten (zonder hulp)
Se tenir seul