les 8 t/m 13 Flashcards
filia
dochter
sub +abl
onder
initium
begin
habére
hebben
rogare
vragen
respondére
antwoorden
vetare
verbieden
manére
blijven
fortasse
misschien
via
weg, straat
spectator, -ores
toeschouwer
curare +acc
verzorgen, zorgen voor
quod
1 omdat
2 (datgene) wat
emere
kopen
pecunia
geld
poculum
beker
complére
vullen
immo
integendeel
aut
of
nihil
niets
soror, sorores
zus
incipere, incipio
beginnen
quando
wanneer
hic
hier
ante +acc
voor
nonne
(toch) zeker wel
hodie
vandaag
ubique
overal
spectaculum
voorstelling
nuntiare
berichten, aankondigen
cito bijw
snel
currere
rennen
gaudére
blij zijn
valde
zeer, erg
quo
waarheen
ita
zo
finire
beëindigen
posse
kunnen
iterum
weer, opnieuw
domi
thuis
superare
1 overtreffen
2 overwinnen
quis
wie
nemo, neminis gen
niemand
deinde
daarna
quid
wat
animal, animalia
dier
spectare
kijken (naar)
numquam
nooit
sanguis, -guinis gen
bloed
oculus
oog
claudere
sluiten
homo, homines
mens, man
pendére
hangen
umbra
schaduw
vinum
wijn
agmen, agmina
rij, stoet
longe
ver (weg), verreweg
a/ab +abl
1 vanaf
2 door
procedere
voortgaan, lopen
salutare
(be)groeten
leo, leones
leeuw
petere
aanvallen
frustra
tevergeefs
terra
aarde, grond
resistere
weerstand bieden
pes, pedes
voet, poot
vulnerare
verwonden
caput, capita
hoofd
per
1 door(heen) 2 gedurende 3 over(heen)
corpus, corpora
lichaam
enim
immers, want
tenére
(vast)houden
hora
uur
ire
gaan
donum
naar huis
terrére
bang maken
tunc
op dat moment, toen
causa
reden
scire
weten
verbum
woord
antea
eerder
nunc
nu
sine +abl
zonder
contra +acc
tegen(over)
centum
honderd
appropinquare +dat
naderen
vitare
vermijden
negare
1 ontkennen
2 weigeren
consistere
blijven staan
vertere
keren, wenden
id nom/acc
dit
quidem … sed
wel(iswaar) … maar
nondum
nog niet
adhuc
nog, tot nu toe
victor, victores
(over)winnaar