Les 4 Flashcards
languages
talen (de taal)
speak
spreek (spreken)
English
Engels
French
Frans
bit
beetje
but
maar
speak
spreken
why
waarom
learn
leer (leren)
do
doe (doen)
this
deze
course
cursus (de)
important
belangrijk
want
wil (willen)
study
studeren
difficult
moeilijke (moeilijk)
language
taal (de)
difficult
moeilijk
easy
makkelijke (makkelijk)
speaks
spreekt
slowly
langzaam
clearly
duidelijk
easy
makkelijk
already
al
good
goed
listen
luister (luisteren)
texts
teksten (de tekst)
green
groene (groen)
book
boek (het)
have
heb (hebben)
how many
hoeveel
times
keer (de)
per
per
four
vier
every
elke (elk)
except
behalve
schedule
rooster (het)
am
zit (zitten)
group
groep (de)
begins
begint (beginnen)
in the morning
’s ochtends
at
om
nine
negen
until
tot
hour (o’clock)
uur (het)
in the afternoon
’s middags
one
één
lasts
duurt (duren)
ten
tien
we
wij
classes
lessen (de les)
in the evening
’s avonds
for
voor
next
volgende
sometimes
soms
everybody
iedereen