Thema 1 Flashcards
Father
Mother
Brother
Sister
(De)
Vader
Mouder
Broer
Zus
Son
Daughter
Uncle
Aunt
(De)
Zoon /zonen
Dochter(s)
Nonkel(s)
Tante(s)
Parent
Grandparent
Grandfather
Grandmother
(De)
Ouder(s)
Grootouder(s)
Grootvader(s)
Grootmouder(s)
Cousin
Niece
Grandson
Granddaughter
De
Neef (neven)
Nicht(en)
Kleinzoon(zonen)
Kleindochter(s)
Grandchild
Grandchildren
Great grandfather
Great grandmother
Het kleinkind
De kleinkinderen
De overgrootvader(s)
De overgrootmoeder(s)
Great grandson
Great granddaughter
Great grandchild
Great grandchildren
De achterkleinzoon / zonen
De achterkleindochter(s)
Het achterkleinkind
De achterkleinkinderen
Son in law
Daughter in law
De
Schoonzoon / zonen
Schoondochter(s)
Parent in law
Father in law
Mother in law
Brother in law
Sister in law
De
Schoonouder(s)
Schoonvader(s)
Schoonmoeder(s)
Schoonbroer(s)
Schoonzus(sen)
Husband
Wife
De
Man / echtgenoot (echtgenoten)
Vrouw / echtgenote (echtgenoten)
Stepfather
Stepmother
Stepbrother
Stepdaughter
Stepchild
De
Stiefvader
Stiefmoeder
Stiefbroer
Stiefdochter
Het Stiefkind
More or less
min of meer
We zijn min of meer met 20
Others
Andere
De Andere studenten zijn in andere lokalen
Over there
Daar
Test
Toets
Together
Samen
Replace
Vervang
Bus stop
De bushalte
Er zijn veel mensen aan de bushalte
People
Mensen
Painting
Schilderij
Papers
Papieren
Lady
Gentlemen
Dame
Heer
Curtain/s
Het gordijn
De gordijnen
Dictionary
Het woordenboek
Describe
Beschrijven
Male teacher
Female teacher
Lerar
Lerares
Ceiling
Het plafond
On the wall
Aan de muur
About
Over
Projector
De projector
Door
De deur
Board
Het bord
Window
Het raam
Computer
De computer
Table
Chair
De tafel/s
De stoel(en)
Drinking bottle
De drinkbus
Pen
Pencil
Pencil case
De pen
Het potlood
De pennenzak
in Front of
Voor
De tafels zijn voor de sofa
Above
Boven
De televisie is boven de kast
Next to
Naast
De poef is naast de bloempot
Flower pot
De bloempot
Between
Tussen
De plant is tussen de poef en de kast
Closet / cabinet
De kast
In
In
De plant is in de pot
Behind
Achter
Het raam is achter de sofa
On
Op
De kussens zijn op de sofa
Onto
Aan
De televisie is aan de muur
Under
Onder
Het tapijt is onder de tafel
Against (dayali, bitisik)
Tegen
De televisie is tegen de muur
Here
Absent
Aanwezig
Afwezig
Nothing
Niets
North
South
West
East
In het
Norden
Zuiden
Westen
Oosten
I want to find a job
I look for a job
Ik will een job vinden
Ik zoek een job
Shirt
Het hemd
Sweater
De trui / de pull
Blouse
De bloes
T-shirt
Het T-shirt
Cloak/ palto
De mantel
Raincoat
De regenjas
Trousers
De broek
Dress / elbise
De jurk
Skirt
De rok
Suit
Het kostuum / het pak
Glasses
De bril
Handbag
De handtas
Watch /saat
Waak / horloge
Hat
De hoed
Cap
De pet
Beret / bere
De muts
Shawl / şal
De sjaal
Shoe(s)
De schoen(en)
Boot / çizme
De laarzen
Sandals
De sandalen
Socks
De sok
Belt
De riem
Gloves
De handschoenen
Swimsuit / bikini
Het badpak / het bikini
Swim short
De zwembroek
Tie / kravat
De das
Bow tie / papyon
De vlinderdas
Het strikje
Stocking(s)
De kous(en)
Chain / necklace
De ketting
Ring küpe
De oorbellen
Sunglasses
De zonnebril
Underpants
De onderbroek
Panties
Het slipje
Askılı üst giyi
Het topje
Coat
De jas
Clothes
De kleren
Know
Weten
Smoke
Roken
Ik rook niet
Describe
Beschrijven
He beschrift zijn huis
To say
Zeggen
To weigh
Wegen
Mijn kat weegt drie kilo
To call
Opbellen
Ik bel de dokter op
Prepare
Klaarmaken
Papa maakt het eten klaar
Drive / ride
Rijden
Je rijdt naar Amsterdam
To stay
Blijven
To fill
invullen
Vult u het formulier in?
To wear
Dragen
To Hear
Horen
Hoor je wat hij zegt?
To come along
Meekomen
Ik ga naar de bioscoop. Komen jullie mee?
Cinema
De bioscope
Examples
Voorbeelden
Rules
Regels
Exercises
Oefeningen
Football
Voetbal
Painting
Het schilderij
Take a shower
Nemen een douche
Ik neem een douche
To get up
Opstaan
Ik sta om 6 uur op
Watch
Kijken
Ik kijk naar de TV
Read a book
Lezen een boek
To paint
Schilderen
To buy
Kopen
To live
Leven
To see
Zien
Travel
Reizen