Onderdeel contingency theories: (1) Fiedler's contigency theory Flashcards
Wat is het belangrijkste verschil tussen taakgerichte en relatiegerichte leiders volgens Fiedler?
Taakgerichte leiders zijn autoritair, richten zich op groepssucces en halen zelfvertrouwen uit het voltooien van een taak.
Relatiegerichte leiders zijn ontspannen, vriendelijk, niet-directief en sociaal, en halen zelfvertrouwen uit harmonieuze groepsrelaties.
Hoe meet Fiedler leiderschapsstijl?
Fiedler gebruikte de “least-preferred co-worker” (LPC) schaal, waarbij respondenten de persoon die ze het minst als collega zouden willen beoordelen op verschillende dimensies, zoals aangenaam-onplezierig, saai-interessant, vriendelijk-onvriendelijk.
Wat zijn de drie dimensies waarmee Fiedler situaties classificeerde?
- De kwaliteit van de relatie tussen leider en leden
- De duidelijkheid van de taakstructuur
- De macht en autoriteit van de leider op basis van zijn of haar positie.
Hoe voorspelde Fiedler de effectiviteit van leiders?
Taakgerichte leiders (lage LPC) zijn het effectiefst bij zowel lage als hoge situationele controle.
Relatiegerichte leiders (hoge LPC) zijn effectiever bij gemiddelde situationele controle.
Wat gaf een hoge LPC-score aan volgens Fiedler?
Een hoge LPC-score gaf aan dat een leider een relatiegerichte stijl had, omdat de leider positief stond tegenover een collega, zelfs als deze slecht presteerde.
Wat gaf een lage LPC-score aan volgens Fiedler?
Een lage LPC-score gaf aan dat een leider een taakgerichte stijl had, omdat de leider streng was voor een slecht presterende collega.
Wat is situationele controle volgens Fiedler?
Situationele controle verwijst naar de mate waarin een leider in staat is om de situatie te beheersen, en kan variëren van zeer hoog (gemakkelijke leiderschapssituaties) tot zeer laag (moeilijke leiderschapssituaties).
Hoe verklaart Fiedler dat leiderschap effectief is in verschillende situaties?
Taakgerichte leiders zijn effectief in situaties met zowel hoge als lage situationele controle. Relatiegerichte leiders presteren beter in situaties met een gemiddelde mate van situationele controle.
Wat bevestigen meta-analyses over Fiedler’s contingency-theorie?
Meta-analyses van Strube en Garcia (1981) en Schriesheim et al. (1994) ondersteunen over het algemeen Fiedler’s voorspellingen gebaseerd op de contingency-theorie, hoewel er ook kritiek is.
Welke kritiek is er op Fiedler’s standpunt dat leiderschapsstijl constant is?
Fiedler’s standpunt wordt bekritiseerd omdat het inconsistent is met hedendaagse perspectieven op persoonlijkheid die ervan uitgaan dat persoonlijkheid kan variëren afhankelijk van tijd en situaties. Er is ook bewijs voor lage test-hertestbetrouwbaarheid van de LPC-scores.
Wat is het probleem met Fiedler’s prioriteitsvolgorde van situationele controle?
Fiedler’s aanname dat leider-lid relaties belangrijker zijn dan taakstructuur en taakstructuur belangrijker dan positie-autoriteit, wordt bekritiseerd omdat de volgorde van belangrijkheid mogelijk afhangt van situationele factoren.
Wat gebeurt er met leiders in de 57-64 LPC-score range?
Onderzoekers, zoals John Kennedy (1982), ontdekten dat mensen met een LPC-score tussen 57 en 64 zich niet volgens de voorspellingen van de contingency-theorie gedroegen en zelfs beter presteerden, zonder dat situationele factoren hun effectiviteit beïnvloedden.
Wat is een beperking van de contingency-theorie?
De theorie kan de effectiviteit van leiders in de 57-64 LPC-score range niet goed verklaren, en negeert ook de groepsprocessen die bepalen wanneer leiders opkomen of afvallen, evenals de situationaliteit van leiderschap.
Wat is een kritiekpunt op Fiedler’s theorie met betrekking tot de groepsdynamiek?
Contingency-theorie richt zich voornamelijk op de interactie tussen persoonlijke eigenschappen en de situatie, maar negeert de groepsprocessen die verantwoordelijk zijn voor het opkomen en afvallen van leiders.