Frans - Vertalingen Subjonctif Flashcards
Bij welke 5 puntjes moet je een subjonctif présent gebruiken?
- wil / volonté
- noodzaak / nécessité
- gevoel / sentiment
- twijfel feit / doute
- (on)mogelijk feit / (im)possibilité
ik wil dat
je veux que
ik vraag het
je demande que
ik vind het leuk dat
j’aime que
het is nodig dat
il faut que
het zal nodig zijn dat
il faudrait que
het is noodzakelijk dat
il est nécessaire que
ik betreur dat
je regrette que
ik heb schrik dat
j’ai peur que
ik vrees dat
je crains que
ik betwijfel dat
je doute que
het is niet zeker dat
il n’est pas certain que
ik geloof niet dat
je ne crois pas que
ik denk niet dat
je ne pense pas que
Is het zeker dat…
est-il certain que…? / est-il sûr que…?
het is mogelijk dat
il est possible que
het is onmogelijk dat
il est impossible que
het kan dat
il se peut que
Bij welke puntjes gebruik je indicatif présent?
- zeker feit / certitude
- waarschijnlijk of bijna zeker feit / probabilité
het is zeker dat
il est certain que / il est sûr que
het is waarschijnlijk dat
il est probable
ik hoop dat
je crois que
ik denk dat
je pense que
Wanneer gebruik je je indicatif nog?
bij een mening -> opinion
-> apprécition = subj (neg opinion ook)
ik beeld me in dat
j’imagine que
ik ben van mening dat
je suis d’avis que
het lijkt me dat
il me semble que
ik heb de indruk dat
j’ai l’impression que
naar mijn mening
selon moi / à mon avis
volgens mij
d’après moi
persoonlijk
personnellement
wat mij betreft
en ce qui me concerne
ik zie niet in waarom
je ne vois pas pourquoi