Chapitre 14, p. 108 Flashcards
a tout emporté sur son passage
neem alles wat op zijn weg kwam mee (de orkaan bijvoorbeeld)
les décombres
het puin
faire des ravages
ravage aanrichten
dévaster
verwoesten
battre
slaan
s’est fait tabasser
werd in elkaar geslagen
s’est fait casser la gueule
werd geslagen
n’y sont pas allés de main morte
vijandig zijn/de boel kort en klein slaan
des vandales ont vandalisés
de vandalen hebben vernield
un fléau
onheil/ramp
la répression
de onderdrukking
sanglante
bloederig (onderdrukt)
flairé le danger
lucht krijgen van het gevaar/het gevaar voelen aankomen
l’escalade de la violence
de escalatie van geweld
la vengeance
wraak
se venge
wraak nemen
un engrenage
een spiraal van geweld, een opstapeling van feiten
le sang a encore coulé
er stroomde nog steeds bloed
un attentat terroriste
een terroristische aanslag
ils fait sauter
zij blazen op
fait exploser une voiture piégée
blaas een autobom op
la bombe a éclaté
de bom ontplofte
cette tuerie/ ce carnage a fait de nombreuses victimes
deze moord/dit bloedbad heeft vele slachtoffers veroorzaakt
des actes barbares
barbaarse daden
a été torpillé/détruit à l’explosif
werd getorpedeerd/vernietigd door het explosief
a coulé/a fait naufrage
verdronken
a disparu corps et biens
lichaam en eigendom is verdwenen
s’est sabordé.
vernield/verwoest
ont été opprimées
werden onderdrukt
les persécutions
de vervolging
l’extermination
uitroeiing
les milices se livrent à des représailles
de milities nemen wraak
nettoyage ethnique
etnische zuivering