Chapitre 12, p. 94 Flashcards
des allégations infondées/ des racontars
ongegronde beschuldigingen
a répandu des calomnies/ des ragots
laster/ gemene geruchten/ beschuldigingen
a traîné dans la boue
door de modder slepen
salie/souillée
bevuild/ onrein/ besmeurd
calomnier
zwart maken
a jeté le discrédit sur
een slechte naam bezorgen
a été discredité
in diskrediet gebracht/ een slechte naam bezorgd
a nui à sa réputation
slecht voor zijn reputatie
a été écornée par
ernstig geschaad door
diffamé
zwart maken/ beslateren
médire de
slecht praten over
les mauvaises langues disent
een groep slechte mensen/ kwaden tongen
piètre
slecht/vreselijk
la médisance
het geroddel
casser du sucre sur le dos
achter de rug om/ kwaad spreken over
dit beaucoup de mal de
zegt veel slechte dingen over
diffamation
belediging
désapprouvent/réprouvent
afkeuren
leur désapprobation/ réprobation
hun afkeuring
l’ont réprimandée/ sermonnée
berisping/ terechtwijzing
les remontrances/les blâmes
beschuldigingen/ kwalijk nemen/ berisping
a accablé
overvallen/ overweldigen
de reproches
verwijten
lui a passé un savon
ging tekeer/ kreeg ruzie/ ervan langs geven
en a pris pour son grande/ a passé un mauvais quart d’heure/s’est fait engueuler par
een groot risico genomen/ een moeilijke tijd/ de wind van voren krijgen
épingle/pointe du doigt
wijst naar (geeft schuld aan)
était fait taper sur les doigts
op de vingers getikt
ne me suis pas gêné(e) pour
niet schamen voor
les récriminations de
de beschuldigingen
récriminer/le harceler
beschuldigen/ lastig vallen
l’engueulade
de ruzie