tentamenvragen!!!! Flashcards

1
Q
  1. De Time-lapse-video die de kunstenaar Anthony Cerniello heeft gemaakt van de ontwikkeling van het meisje Daniello illustreert dat de levensloop van de mens het beste kan worden gezien als een
    a. Sociale constructie
    b. Geleidelijk (continu) veranderingsproces
    c. Natuurlijk proces van veroudering
A

a. Sociale constructie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q
  1. Het feit dat het meisje Genie na jarenlange opsluiting, zonder dat ze met taal in aanraking kwam, wel een schat aan woorden, maar geen grammatica kon leren, werd gezien als een
    a. Voorbeeld van de plasticiteit van de hersenen
    b. Demonstratie van een kritische periode voor de taalontwikkeling
    c. Een bewijs dat nurture van grote betekenis is voor de ontwikkeling
A

b. Demonstratie van een kritische periode voor de taalontwikkeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q
  1. Wanneer we de ontwikkeling van de vroege motorische ontwikkeling in kaart proberen te brengen, zijn we volgens het model van Baltes primair georiënteerd op
    a. Normatieve leeftijdsgebonden invloeden
    b. Normatieve historische invloeden
    c. Niet-normatieve invloeden
A

a. Normatieve leeftijdsgebonden invloeden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q
  1. De kenmerken van de theoretische hoofdstromingen in de moderne ontwikkelingspsychologie zijn terug te voeren op twee belangrijke denkers uit de 17e en 18e eeuw. Welke van onderstaande combinaties is juist?
    a. Locke, discontinue ontwikkeling, behaviorisme
    b. Pavlov, organismisch model, kwantitatieve verandering
    c. Rousseau, organismisch model, kwalitatieve verandering
A

c. Rousseau, organismisch model, kwalitatieve verandering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q
  1. Een kind dat zich volgens de theorie van Freud in de latentiefase bevindt, zou volgens de theorie van Piaget in het stadium van het ……….. moeten zitten.
    a. Preoperationele denken
    b. Concreet-operationele denken
    c. Formeel-operationele denken
A

b. Concreet-operationele denken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q
  1. De theorie van Erik Erikson bouwt voort op de theorie van Freud. Toch zijn er ook belangrijke verschillen tussen beide theorieën. Welke van onderstaande beweringen is juist:
    a. Freuds theorie is psychoseksueel georiënteerd, die van Erikson psychosociaal
    b. Freuds theorie legt de nadruk op het Id, Erikson op het Superego
    c. Freud hecht veel betekenis aan de kindertijd, Erikson vooral op de volwassenheid
A

a. Freuds theorie is psychoseksueel georiënteerd, die van Erikson psychosociaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q
  1. Wanneer een geconditioneerde stimulus (een bel), na eerdere koppeling aan een ongeconditioneerde stimulus (voedsel), vervolgens op zichzelf in staat is om een response op te roepen, dan spreken we van
    a. Reinforcement (bekrachtiging)
    b. Klassieke conditionering
    c. Operante conditionering
A

b. Klassieke conditionering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q
  1. In de theorie van Piaget heeft het begrip adaptatie betrekking op de manier waarop kinderen omgaan met nieuwe informatie, in het licht van wat ze al weten. Hij onderscheidt daarbij twee vormen: assimilatie en accommodatie. Assimilatie heeft betrekking op
    a. Veranderingen in en aanpassing van een cognitieve structuur om nieuwe informatie op te kunnen nemen
    b. De incorporatie van nieuwe informatie in een bestaande cognitieve structuur
    c. De tendens om te streven naar een stabiele balans tussen cognitieve structuren
A

b. De incorporatie van nieuwe informatie in een bestaande cognitieve structuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q
  1. De prenatale ontwikkeling in de baarmoeder kun je ook in fasen indelen. Welke van onderstaande is de juiste volgorde?
    a. Foetaal, embryonaal, germinaal
    b. Embryonaal, germinaal, foetaal
    c. Germinaal, embryonaal, foetaal
A

c. Germinaal, embryonaal, foetaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q
  1. Epigenese heeft betrekking op mechanismen die het functioneren van genen reguleert zonder de structuur van het DNA te veranderen. Epigenetische veranderingen vinden
    a. Alleen vroeg in de ontwikkeling plaats en zijn daarna niet mogelijk
    b. Vooral laat in de ontwikkeling plaats ten gevolge van een verslechterende gezondheid
    c. Over de hele levensloop plaats, als respons op omgevingsfactoren
A

c. Over de hele levensloop plaats, als respons op omgevingsfactoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q
  1. In het filmpje over het visual cliff experiment uit de ecologische theorie van de perceptie van Eleanor en James Gibson zagen we hoe motorische en perceptuele vaardigheden nauw met elkaar verbonden zijn. Het liet zien dat
    a. De ontwikkeling van de motoriek relatief ongevoelig is voor de invloed van contexten
    b. Er sprake is van een aangeboren angst voor diepte bij de baby
    c. Dat elke nieuw geleerde motorische vaardigheid (bijvoorbeeld de ontwikkeling van lopen) een nieuwe leercurve laat zien
A

c. Dat elke nieuw geleerde motorische vaardigheid (bijvoorbeeld de ontwikkeling van lopen) een nieuwe leercurve laat zien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q
  1. De zintuigen ontwikkelen al tijdens de prenatale periode van het kind. Wat is juist? Van alle zintuigen is bij de geboorte ……………………. het minst ontwikkeld.
    a. De reuk en smaak
    b. Het gehoor
    c. Het zien
A

c. Het zien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q
  1. Je toont een baby een bewegend en geluid makend speeltje en merkt dat de baby het aandachtig bekijkt. Je haalt het speeltje weg, toont het hem opnieuw, en je herhaalt dit proces een paar keer. Je merkt dat de baby al snel zijn belangstelling verliest. Hiermee heb je een interessant verschijnsel gedemonstreerd, namelijk:
    a. Habituatie
    b. Novelty preference
    c. Object permanentie
A

a. Habituatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q
  1. Piaget deelde de sensomotorische fase op in verschillende subfases: van reflexen, via circulaire reacties tot uiteindelijk symboolgebruik. Wanneer een kind ontdekt dat het prettig is om op zijn duim te zuigen en het daarom steeds herhaalt, is dat volgens Piaget een voorbeeld van een
    a. Reflexmatige handeling
    b. Primaire circulaire reactie
    c. Secundaire circulaire reactie
A

b. Primaire circulaire reactie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q
  1. Onderzoek naar de relatie tussen intelligentie en erfelijkheid wijst uit dat
    a. Oudere kinderen meer beïnvloed worden door de omgeving
    b. Omgevingsinvloeden een relatief groter aandeel (en erfelijkheid een geringer aandeel) hebben bij kinderen uit arme families (vergeleken met kinderen met een hogere sociaaleconomische status)
    c. De genetische invloed die primair verantwoordelijk is voor de cognitive performance, gelijk blijft bij het ouder worden
A

b. Omgevingsinvloeden een relatief groter aandeel (en erfelijkheid een geringer aandeel) hebben bij kinderen uit arme families (vergeleken met kinderen met een hogere sociaaleconomische status)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q
  1. Wanneer ouders tegen hun baby’s en peuters praten, doen ze dat vaak met een hogere stem, langzamer, met korte zinnen en woordjes, veel melodie, etc. Dit wordt Child-directed speech (ook wel parentese of motherese) genoemd. Uit onderzoek is gebleken
    a. Dat volwassenen dit pas doen als ze zelf kinderen hebben
    b. Dat deze manier van spreken het leren van de moedertaal positief ondersteunt
    c. Dat baby’s geen voorkeur hebben en net zo gemakkelijk luisteren naar gewoon gesproken taal
A

b. Dat deze manier van spreken het leren van de moedertaal positief ondersteunt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q
  1. Het (glim)lachen van baby’s wordt opgevat als een vorm van communicatie. Wanneer een baby (glim)lacht naar een object en vervolgens kijkt naar een volwassene terwijl het blijft (glim)lachen, wordt dat ………… genoemd.
    a. Reflexief (glim)lachen
    b. Sociaal glimlachen
    c. Anticipatoire (glim)lachen
A

c. Anticipatoire (glim)lachen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q
  1. Het ‘still-face’ experiment maakt duidelijk dat
    a. Kinderen al vroeg in de ontwikkeling in staat zijn hun gedrag af te stemmen op hun omgeving
    b. Kinderen soort van voorkennis hebben over adequate menselijke expressie
    c. Kinderen depressief worden als hun moeder niet adequaat reageert op hun signalen.
A

a. Kinderen al vroeg in de ontwikkeling in staat zijn hun gedrag af te stemmen op hun omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q
  1. In een klassiek experiment van Harry Harlow werd onderzocht hoe resusaapjes, die waren gescheiden van hun moeder, reageerden op surrogaatmoeders (van metaaldraad, één met en één zonder zachte stofbekleding). Welke van de volgende beweringen is juist?
    a. De aapjes spendeerden de meeste tijd aan de ‘moeder’ die voeding gaf, ook als dat de metaal moeder (wire mother) was
    b. De aapjes die gevoed werden door decloth mother ontwikkelden zich verrassend normaal
    c. Geen van de aapjes (in zowel de cloth als de wire mother conditie) groeide in sociaal opzicht normaal op
A

c. Geen van de aapjes (in zowel de cloth als de wire mother conditie) groeide in sociaal opzicht normaal op

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q
  1. Ongeveer 90 procent van de populatie is rechtshandig. De voorkeurshand (of handedness) wordt al zichtbaar
    a. Enkele weken na de geboorte
    b. Rond het derde levensjaar
    c. Niet voor het zesde levensjaar
A

b. Rond het derde levensjaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q
  1. Aan een kind wordt verteld dat Jan ouder is dan Marie en dat Marie ouder is dan Henk. Wanneer wordt gevraagd: ‘wie is ouder, Jan of Henk?’, antwoordt het kind, ‘Jan’. We weten dan dat het kind in staat is tot:
    a. Class inclusion
    b. Ordinal seriation
    c. Transitive inference
A

c. Transitive inference

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q
  1. Wanneer Piaget laat zien dat een meisje van drie-en-een-half jaar oud moeite heeft om een driehoek te tekenen, komt dat volgens hem omdat zij
    a. Nog geen cognitief concept van een driehoek heeft
    b. Probeert te tekenen wat ze ziet maar de tekenvaardigheid ontbreekt.
    c. Probeert te tekenen wat ze weet over de werkelijkheid
A

c. Probeert te tekenen wat ze weet over de werkelijkheid

23
Q
  1. Harm probeert zijn telefoonnummer en adres te onthouden. Hij zegt tegen zijn vader: ‘Misschien als ik het honderd keer tegen mijzelf zeg, ben ik in staat om het te onthouden’. Harm laat zien dat hij zich bewust begint te worden van
    a. Protogeheugen
    b. Metageheugen
    c. Meta-analyse
A

b. Metageheugen

24
Q
  1. Bij Marieke thuis hebben ze een hond, een nogal gemeen keffertje dat durft te bijten. Bij Mariekes vriendin Femke hebben ze thuis ook een hond en Femkes vader waarschuwt Marieke iedere keer niet te dicht bij te komen omdat de hond zou kunnen bijten. Marieke trekt hieruit de conclusie dat alle honden bijten. Hiermee laat Marieke een vorm van redeneren zien die door Piaget
    a. Deductief wordt genoemd en kenmerkend is voor de concreet-operationele fase
    b. Inductief wordt genoemd en kenmerkend is voor de pre-operationele fase
    c. Inductief wordt genoemd en kenmerkend is voor de concreet operationele fase
A

c. Inductief wordt genoemd en kenmerkend is voor de concreet operationele fase

25
Q
  1. Een ouderlijke opvoedingsstijl waarin ouders hoog in controle zijn, maar laag in warmte, is in het schema van Baumrind een ……… opvoedingsstijl
    a. Autoritatieve
    b. Autoritaire
    c. Verwaarlozende (neglectful)
A

b. Autoritaire

26
Q
  1. In de theorie van de Russische ontwikkelingspsycholoog Lev Vygotsky ligt de nadruk sterk op sociale en culturele processen in de sturing van de cognitieve ontwikkeling. Het begrip scaffolding heeft daarin betrekking op
    a. De tijdelijke ondersteuning om het kind te helpen een taak te beheersen
    b. Het uiteindelijke doel dat in de ontwikkeling moet worden bereikt
    c. De ruimte die grenst aan wat het kind zonder hulp kan
A

a. De tijdelijke ondersteuning om het kind te helpen een taak te beheersen

27
Q
  1. De theorieën van Piaget en Vygotsky kunnen op een aantal vlakken met elkaar worden vergeleken, maar verschillen ook op enkele belangrijke punten. Welke van onderstaande stellingen over Vygotsky is juist:
    a. Hij hecht weinig waarde aan de betekenis van de socioculturele context voor de ontwikkeling
    b. Hij onderscheidt algemeen geldige stadia van ontwikkeling
    c. Hij hecht veel waarde aan de betekenis van taal voor de vorming van het denken
A

c. Hij hecht veel waarde aan de betekenis van taal voor de vorming van het denken

28
Q
  1. Het concreet-operationele stadium bij Piaget valt samen met de fase van ……….. bij Erikson
    a. Trust vs. Mistrust
    b. Initiative vs. Guilt
    c. Industry vs. Inferiority
A

c. Industry vs. Inferiority

29
Q
  1. Uit sociometrisch onderzoek naar de populariteit van kinderen in de klas blijkt dat controversiële leeftijdgenoten
    a. Zelden ‘beste vriend’ genoemd worden en vaak als ‘onaardig worden gekwalificeerd’
    b. Vaak als ‘beste vriend’ worden genoemd, maar ook als ‘onaardig’ worden gekwalificeerd
    c. Zelden als ‘beste vriend’ worden genoemd, maar ook zelfden als ‘onaardig’ worden gekwalificeerd
A

b. Vaak als ‘beste vriend’ worden genoemd, maar ook als ‘onaardig’ worden gekwalificeerd

30
Q
  1. De puberteit is een biologisch gegeven, maar de timing van het begin van de puberteit lijkt bij meisjes ook samen te hangen met
    a. Een neurologisch programma in de hersenen dat zorgt voor hormonale activiteit
    b. Het bereiken van een kritisch gewichtsniveau, noodzakelijk voor de voortplanting
    c. Economische en culturele achtergrond van de persoon
A

b. Het bereiken van een kritisch gewichtsniveau, noodzakelijk voor de voortplanting

31
Q
  1. Tijdens verschillende colleges is de ecologische systeemtheorie van Uri Bronfenbrenner besproken. In zijn model behoren factoren zoals werk van de ouders, massamedia, vrienden van de familie en onderwijssysteem tot het:
    a. Mesosysteem
    b. Exosysteem
    c. Macrosysteem
A

b. Exosysteem

32
Q
  1. In welk stadium van Kohlbergs fases van morele ontwikkeling zit iemand die er in zijn gedrag vooral op uit is om: ‘het goede te doen’, anderen te plezieren en de wet te gehoorzamen? In het stadium van de
    a. Preconventionele moraliteit
    b. Conventionele moraliteit (moraliteit van conformiteit aan conventionele taken
    c. Postcoventionele moraliteit (moraliteit van autonome morele principes)
A

b. Conventionele moraliteit (moraliteit van conformiteit aan conventionele taken

33
Q
  1. Volgens het identiteitsstatussenmodel van James Marcia bevinden adolescenten die een binding (commitment) aangaan zonder crisis (of exploratie), zich in een toestand van wat hij …….. noemt.
    a. Identity confussion
    b. Moratorium
    c. Foreclosure
A

c. Foreclosure

34
Q
  1. Uit onderzoek naar de seksuele activiteit van tieners blijkt dat een open communicatie tussen ouders en hun kinderen gepaard gaat met
    a. Vroeger beginnen met seksuele activiteit
    b. Langer uitstel van seksuele activiteit
    c. Geen effect heeft op het starten met seksuele activiteit
A

b. Langer uitstel van seksuele activiteit

35
Q
  1. De frequentie van conflicten tussen kinderen en hun ouders neemt vooral toe tijdens de
    a. Vroege adolescentie
    b. Middelste adolescentie
    c. Late aodlescentie
A

a. Vroege adolescentie

36
Q
  1. De adolescentie wordt vaak geassocieerd met opstandigheid (rebellion), conflicten met de ouders en emotionele turbulentie. Uit empirisch onderzoek is gebleken dat deze aspecten
    a. Vooral in westerse samenlevingen als zeer heftig wordt beleefd
    b. De meeste adolescenten positief zijn over hun ouders
    c. Vooral gelden voor kinderen uit witte middenklasse gezinnen
A

b. De meeste adolescenten positief zijn over hun ouders

37
Q
  1. De gevoeligheid voor druk van leeftijdgenoten (peer pressure) op het gedrag van adolescentie is het sterkst in fase van de
    a. Preadolescentie
    b. Vroege adolescentie
    c. Midden adolescentie
A

b. Vroege adolescentie

38
Q
  1. Een algemene kritiek op de cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget is:
    a. Dat er geen enkele bewijs is voor stadia in de ontwikkeling
    b. Dat zijn theorie op te weinig proefpersonen is gebaseerd en daarom niet generaliseerbaar is.
    c. Dat het kinderen in de vroege ontwikkeling onderschat, maar in de latere ontwikkeling juist overschat
A

c. Dat het kinderen in de vroege ontwikkeling onderschat, maar in de latere ontwikkeling juist overschat

39
Q
  1. Alice heeft een iets bovengemiddeld IQ, maar behaalt middelmatige schoolresultaten. Ze geeft echter wel blijk van creatief inzicht (is goed in het bedenken van een nieuwe theorie of nieuwe interpretatie van bekende feiten). Volgens Sternbergs Triarchic Theory of Intelligence is zij het sterkst in het zogenoemde ……………. element.
    a. Componential
    b. Experiential
    c. Contextual
A

b. Experiential

40
Q
  1. Herman is als baby geboren in de Hongerwinter van 1944. Als 70-jarige heeft hij, net als zijn lotgenoten, iets meer kans op fysieke en psychische problematiek dan de mensen die net voor en na de Hongerwinter zijn geboren. Dit effect kan het beste worden begrepen als een
    a. Normatieve leeftijdsgebonden invloed op zijn ontwikkeling
    b. Niet-normatieve invloed op zijn ontwikkeling
    c. Historisch-normatieve invloed op zijn ontwikkeling.
A

c. Historisch-normatieve invloed op zijn ontwikkeling.

41
Q
  1. Het ouderschap is een van de belangrijkste gebeurtenissen in de ontwikkeling van volwassenen. Uit onderzoek naar stellen met kinderen is gebleken dat
    a. Het ouderschap de huwelijkstevredenheid eerst doet stijgen, maar in de pubertijd doet afnemen
    b. Het ouderschap een positief effect heeft op huwelijkstevredenheid
    c. Het ouderschap de huwelijkstevredenheid doet afnemen en pas weer stijgt rond de tijd dat de kinderen het huis uitgaan.
A

c. Het ouderschap de huwelijkstevredenheid doet afnemen en pas weer stijgt rond de tijd dat de kinderen het huis uitgaan.

42
Q
  1. Het vermogen om informatie te onthouden en te gebruiken, die in de loop van het leven door leren en ervaring wordt verworven, komt overeen met wat …………… intelligentie wordt genoemd.
    a. Fluid
    b. Crystallized
    c. Praktische
A

b. Crystallized

43
Q
  1. Tijdens de volwassen jaren van de levensloop treden er nog wel degelijk veranderingen op in de intelligentie en het intelligente functioneren, waarbij het
    a. Functioneren op de zogenoemde pragmatics een afname laat zien maar de zogenoemde mechanics een stijging
    b. Functioneren op de zogenoemde pragmatics en de zogenoemde mechanics beide een daling laten zien.
    c. Funtioneren op de zogenoemde mechanics een afname laat zien, maar op de zogenoemde pragmatics een stijging.
A

c. Funtioneren op de zogenoemde mechanics een afname laat zien, maar op de zogenoemde pragmatics een stijging.

44
Q
  1. Tijdens het college zagen we Ton Sijbrands zijn eigen wereldrecord blind dammen verbeteren, wat onder andere een enorm beroep doet op zijn geheugen, maar ook op zijn kennis en ervaring met het spel. Het onthouden van alle zetten van de simultane partijen wordt voor Sijbrands lastiger als zijn tegenstanders
    a. Qua spelopvatting meer van elkaar verschillen
    b. Onervaren spelers zijn
    c. Zelf zeer bekwame spelers zijn
A

b. Onervaren spelers zijn

45
Q
  1. Wanneer we identiteit typeren als de opeenstapeling van percepties van het eigen wezen, zowel bewust als onbewust, dan impliceert dit dat
    a. Onze identiteit een absoluut denkbeeld is, gebaseerd op feiten.
    b. Eenmaal gevestigd, identiteit stabiel is gedurende het leven.
    c. Zelfpercepties voortdurend worden bevestigd of ontkend gedurende iemands leven en dat het beeld steeds moet worden aangepast.
A

c. Zelfpercepties voortdurend worden bevestigd of ontkend gedurende iemands leven en dat het beeld steeds moet worden aangepast.

46
Q
  1. Er zijn naar schatting zo’n 50 mogelijke oorzaken voor dementie, toch wordt van alle dementie ongeveer tweederde veroorzaakt door
    a. Multi-infarct dementie (MD)
    b. Ziekte van Alzheimer
    c. Ziekte van Parkinson
A

b. Ziekte van Alzheimer

47
Q
  1. Een persoon bouwt in de loop van zijn leven ‘lange termijn herinneringen’ op bestaande uit meningen, feiten en concepten: algemene kennis van de wereld. Het gaat in dit geval om het zogenoemde ………… geheugen.
    a. Procedurele
    b. Episodische
    c. Semantische
A

c. Semantische

48
Q
  1. Dan, 78 jaar oud, heeft zich uit veel van zijn sociale verplichtingen teruggetrokken, doet het rustiger aan en is gericht op zijn eigen behoeften. Dit is een normaal proces tijdens de ouderdom volgens de ……………… theorie.
    a. Disengagement
    b. Continuïteits
    c. Activiteiten
A

a. Disengagement

49
Q
  1. Met het Selectieve Optimalisatie met Compensatie (SOC) model van Baltes en Baltes kan worden beschreven hoe ouderen zich aanpassen aan de afname van hun fysieke en cognitieve capaciteiten. Wanneer een concertpianist op hoge leeftijd zijn manier van spelen aanpast, door bijvoorbeeld lastige, snelle passages, wat langzamer te spelen, is dat in het SOC-model een voorbeeld van
    A. Selectie
    B. Optimalisatie
    C. Compensatie
A

C. Compensatie

50
Q
  1. Op basis van onderzoek naar rouw na het overlijden van een dierbare wordt ervan uit gegaan dat
    a. Veerkracht (resilence) gepaard gaat met mildere vormen en een kortere periode van rouw
    b. Rouw het beste kan worden opgevat als een vorm van psychopathologie
    c. Een (te) korte rouw bijna altijd wijst op een onderliggende psychopathologie
A

a. Veerkracht (resilence) gepaard gaat met mildere vormen en een kortere periode van rouw

51
Q
  1. In studies naar rouw bij ouders die een kind hadden verloren, werden verschillende effecten gevonden. Welke van onderstaande conclusies is juist?
    a. Hoe jonger het kind des te heviger de rouw die werd gevonden bij ouders
    b. Ouders van kinderen met een traumatische dood rouwden meer dan ouders van een door ziekte overleden kind
    c. Vaders en moeders rouwen even veel
A

b. Ouders van kinderen met een traumatische dood rouwden meer dan ouders van een door ziekte overleden kind

52
Q
  1. Hechting wordt volgens de theorie van John Bowlby gekarakteriseerd door een viertal kenmerken. Welke van onderstaande hoort daar niet bij? Hechting…
    a. Is exclusief gericht op de moeder
    b. Is nabijheid gericht
    c. Gaat gepaard met separatie angst
A

a. Is exclusief gericht op de moeder

53
Q
  1. Kinderen slagen er in meer te onthouden van een gebeurtenis, wanneer de ouder de gebeurtenis met hen bediscussieert. We spreken in dat verband van een … communicatiestijl.
    a. Repetitieve
    b. Elaboratieve
    c. Prospectieve
A

b. Elaboratieve

54
Q
  1. Spel wordt gezien als een van de belangrijkste aspecten van het vroegkinderlijke gedrag. Wanneer een kind met andere kinderen speelt, in een doelgerichte activiteit en er verschillende (supplementaire) rollen zijn, spreken we van
    a. Parallel spel
    b. Associatief spel
    c. Coöperatief of georganiseerd spel
A

c. Coöperatief of georganiseerd spel