les 22 Flashcards
inquit
zegt/zei hij
accidere
pf: accidit
gebeuren, plaatsvinden
mulier, -eris
vrouw
blandus
vleiend, innemend
porta
poort, deur
insidiae
hinderlaag, aanslag
metuere
pf: metui
vrezen, bang zijn voor
socius
metgezel, makker
ubi +perf
zodra, toen
hic, haec, hoc
deze, dit
occurrere + dat
pf: occurri
tegemoetkomen, ontmoeten
locus
plaats
salvus
behouden, ongedeerd
incolumis, is
ongedeerd, behouden
remedium
geneesmiddel, medicijn
evadere + acc/ex
pf: evasi
ontkomen, ontsnappen
foras
naar buiten, eruit
hinc
hiervandaan, vanhier
stringere
pf: strinxi
trekken
pes, pedis
voet, poot
proicere, -io
pf: proieci
neerwerpen
modus
manierl wijze, maat
sinere
pf: sivi
(toe)laten, toestaan
praeter + acc
behalve
qui?
hoe?
iurare
zwerven
nocere + dat
schaden, schade toebrengen
reddere
pf: reddidi
teruggeven, maken (tot)