les 19 Flashcards
1
Q
recusare
A
weigeren
2
Q
simulare
A
doen alsof, veinzen
3
Q
studere
A
zich inspannen, zich wijden aan
4
Q
nescire
A
niet weten
5
Q
ostendere
A
tonen
6
Q
velle
A
willen
7
Q
nolle
A
niet willen
8
Q
malle
A
liever willen
9
Q
filia
A
dochter
10
Q
nuptiae
A
huwelijk, bruiloft
11
Q
consilium
A
raad, advies, plan
12
Q
voluntas, voluntates
A
wil, wens
13
Q
aetas, aetates
A
leeftijd
14
Q
virgo, virgines
A
maagd, meisje
15
Q
ius, iura
A
recht
16
Q
uxorum ducere
A
trouwen
17
Q
asper
A
ruw, hard, grof
18
Q
utilis, utiles
A
nuttig, bruikbaar
19
Q
clemens, clementes
A
mild, toegeeflijk
20
Q
duo, duae, duo
A
twee
21
Q
fortasse
A
misschien
22
Q
ita
A
zo
23
Q
autem
A
maar, echter
24
Q
cum
A
(telkens) wanneer, toen, op het moment dat
25
Q
vel
A
of