les 14 Flashcards
1
Q
curare (+acc)
A
zorgen voor, verzorgen
2
Q
apparere
A
verschijnen, blijken, duidelijk zijn
3
Q
scire
A
weten, kennen
4
Q
sentire
A
voelen, menen, merken
5
Q
cadere
A
vallen
6
Q
consistere
A
gaan staan, blijven staan
7
Q
tollere
A
opheffen, optillen
8
Q
ponere
A
zetten, leggen, plaatsen
9
Q
surgere
A
opstaan
10
Q
via
A
weg, straat
11
Q
hora
A
uur
12
Q
caelum
A
hemel
13
Q
oppidum
A
stad
14
Q
tempestas, tempestates
A
storm
15
Q
arbor, arbores
A
boom
16
Q
iter, iterna
A
weg, pad, reis
17
Q
longus
A
lang
18
Q
paratus
A
klaar, gereed
19
Q
modo
A
zojuist, slechts
20
Q
vix
A
nauwelijks
21
Q
haud
A
niet, geenszins
22
Q
cum cj.
A
toen, wanneer, op het moment dat