les 21 Flashcards
sacerdos, -otis
priester, priesteres
prudentia
wijsheid, slimheid
litus, litores
kust, strand
res, rei
zaak, ding, iets, toestand, voorval
hostis, -is
gen mv: hostium
vijand
relinquere
pf: reliqui
(achter)laten, verlaten
spes, spei
hoop, verwachting
dolus
list
fraus, fraudis
bedrog
furor, -oris
razernij, waanzin, geestdrift
fides, fidei
trouw, vertrouwen
aut…aut
of….of
latere
verborgen zijn, zich schuil houden
instare
pf: institi
aandringen op, dreigen
sententia
mening, zienswijze
probare
goedkeuren, goedvinden
persuadere + dat
pf: persuasi
overtuigen, overreden
contendere
pf: contendi
zich inspannen, snellen, beweren, strijden
corripere, -io
pf: corripui
(vast) grijpen
dificere, -io
pf: defeci
ontbreken, het begeven, in de steek laten
postquam + perf
nadat (meestal + vvt)
discedere
pf: discessi
weggaan, verdwijnen
timor, oris
angst, vrees
incertus
onzeker
auctoritas, -atis
aanzien, invloed, gezag
aedificare
bouwen
ira
woede, toorn
ob + acc
wegens, om
murus
muur