Lecture 6: Sociale cognitie & emotie Flashcards

1
Q

Waarom is emotie een voorwaarde voor motivatie?

A

Emotionele drijfveren (beloning, plezier, vermijden van pijn etc.) spelen een belangrijke rol in gedragscontrole

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke 2 processen staan centraal in neuropsychologisch sociaal adaptief gedrag?

A
  1. Sociaal cognitieve processen
  2. Emotionele processen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is sociale cognitie?

A

Alle mentale processen die ten grondslag liggen aan sociale interactie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn de 3 processen van sociale cognitie?

A
  1. Waarneming: het richten van aandacht op relevante info
  2. Interpretatie: toekennen van betekenis
  3. Reactie: reactie selectie/ implementatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is de definitie van emoties in neurowetenschappen?

A

Mentale en fysiologische toestanden die verband houden met gevoelens, gedachten en gedrag
-> Automatische lichamelijke reacties op stimuli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn de 2 soorten emoties?

A
  1. Basis/primaire emoties
  2. Complexe/sociale emoties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is het verschil tussen emoties en gevoelens? (2)

A

Emoties zijn korter dan gevoelens + emoties kan je sneller opwekken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de 5 componenten van emoties?

A
  1. Cognitieve appraisal
  2. Lichamelijke symptomen
  3. Actietendensen
  4. Expressie
  5. Gevoelens
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is cognitieve appraisal? Geef een voorbeeld

A

Biedt evaluatie van gebeurtenissen en objecten= technische analyse
-> Ik sta op de rand van een afrond en loop gevaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn lichamelijke symptomen van emoties? Geef een voorbeeld

A

Fysiologische component van emotionele ervaringen
-> Verhoogde hartslag, zweterige handen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn actietendensen? Geef een voorbeeld

A

Motiverende component ter voorbereiding en sturing van motorische reacties
-> Aanspanning van spiergroepen om terug te deinsen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is expressie? Geef een voorbeeld

A

Gezichtsuitdrukking/vocale expressie die gepaard zijn met emotionele toestand om reactie/ intentie van acties te communiceren
-> Angst: Ogen verder open, fronsen wenkbrauwen, mond open, tanden op elkaar, harder ademen, paniekgeluiden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn gevoelens? Geef een voorbeeld

A

Subjectieve ervaring van emotionele toestand zodra deze plaatsvindt
-> Ik voel me onprettig, ik ben bang om te vallen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is het verschil tussen cognitieve appraisal en gevoelens?

A

Cognitieve appraisal is een technische analyse van de situatie, gevoelens zijn een verwerking van deze analyse met subjectieve ervaring

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn de 4 emotie-classificaties?

A
  1. Valentie: positief vs. negatief
  2. Arousal: hoge vs. lage intensiteit
  3. Affiliatie/aversie: toenadering vs. terugtrekking
  4. Basale/primaire vs. sociaal-morele/secundaire/complexe
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is valentie? Geef een voorbeeld

A

Positieve vs. negatieve emoties
-> Pos: blij gezicht bij beloning
-> Neg: boos gezicht bij straffen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is affiliatie/aversie?

A

Affiliatie = toenadering
Aversie = terugtrekking

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat wordt verstaan onder de arousal van emoties?

A

De intensiteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn primaire emoties? (3)

A
  1. Basale emoties
  2. Universeel herkend
  3. Bewustzijn van eigen somatische toestand (je weet als je angst hebt)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat zijn de 6 basisemoties? Welke werd er later nog toegevoegd?

A
  1. Blijdschap
  2. Verdriet
  3. Woede
  4. Angst
  5. Walging
  6. Verbazing
    -> Later minachting
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Waarom is Paul Eckmans onderzoek zo belangrijk?

A

Toonde aan in afgezonderde bevolkingsgroepen dat de basisemoties herkenbaar zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat zijn 2 kenmerken van secundaire/complexe emoties?

A
  1. Vereisen representatie van mentale toestanden van andere mensen
  2. Zijn adaptief aan sociale relaties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Waarom is het twijfelachtig of minachting een primaire emotie is?

A

Bij minachting moet er een sociale relatie bij zitten
-> Maar Eckman heeft wel bewijs gevonden voor universaliteit!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Geef een voorbeeld van secundaire emoties

A

Jaloezie, schuldgevoel, verlangen, dankbaarheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat is de neurale basis van primaire en secundaire emoties?

A

Primair: amygdala
Secundair: complex netwerk (amygdala, frontale cortex, basale ganglia)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Welke 3 hersengebieden zijn belangrijk bij secundaire emoties?

A
  1. Amygdala
  2. Frontale cortex
  3. Basale ganglia
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat is het verschil in ontwikkeling tussen primaire en secundaire emoties?

A

Primair: aangeboren
Secundair: aangeleerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat is het verschil in belang tussen primaire en secundaire emoties?

A

Primair: fysieke overleving
Secundair: sociale overleving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Waarom ontwikkelen sociale emoties (secundaire emoties) zich later?

A

Voordat ze kunnen ontwikkelen is een vermogen nodig om zichzelf als onderdeel van een groep te zien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wat zijn de 5 belangrijkste emotietheorieën?

A
  1. James-Lange
  2. Cannon-Bard
  3. Schachter’s two factor theory
  4. Ledoux
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat is het idee van de James-Lange emotietheorie? Welk bewijs vond hij?

A

Emotie komt na de lichamelijke reactie: Emoties zijn onbewuste interpretatie van een fysiologische respons
-> Emoties in mensen met laesies was minder dan normale
= ondersteuning voor lichamelijke input om emoties te creëren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Wat was het idee van de Cannon-Bard emotietheorie? Wat voor bewijs vond hij?

A

Lichamelijke sensaties en gevoelens ontstaan onafhankelijk van elkaar in reactie op emoties = parallel proces via thalamus
-> Bewijs: katten met laesies kunnen woede tonen, dus processen zijn parallel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Welk hersengebied is belangrijk voor de Cannon-bard theorie en waarom?

A

Thalamus: parellelle verwerking van fysiek en mentale reacties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Wat zijn de 3 stappen in Schachter’s two factor theory? Gebruik een voorbeeld

A
  1. Emotionele stimulus (slang)
  2. Fysieke arousal + cognitief label (ik ben bang)
  3. Emotionele gevoelens (angst) + gedrag (wegrennen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Wat zijn de 3 stappen in het James-Lange model? Leg uit met een voorbeeld

A
  1. Observatie (zie een slang)
  2. Lichamelijke symptomen (hartkloppingen, zweet)
  3. Emotie (angst)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat zijn de 2 stappen in de Cannon-Bard theorie? Leg uit met een voorbeeld

A
  1. Observatie (zie een slang)
  2. Parallelle verwerking fysieke en emotionele processen (hartkloppingen + angstemotie tegelijk)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Wat zijn de 2 factoren in Schachter’s 2 factor model?

A
  1. Fysiologische arousal
  2. Cognitieve appraisal: labelling van arousal
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Wat is bewijs dat er nog cognitieve appraisal nodig is voor het voelen van emoties? Welke theorie hoort hierbij?

A

Schachter’s 2factor theorie
-> Mensen die niet wisten dat ze adrenaline kregen voelden minder emoties dan mensen die wel wisten wat het met ze deed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Wat was het brugexperiment van Dutton & Aron? Wat toonde het aan?

A

Fysiologische arousal kan verkeerd worden geïntepreteerd

Mensen die over de hoge brug liepen hadden meer angst, maar toen aan het eind van de brug een knappe dame stond, waren zij extra aroused tov mensen die de lage brug namen.
-> Misinterpretatie angstgevoel voor verlangen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Wat is het duale route model van Ledoux?

A

Korte route: snelle respons voor dreigende stimulus
Lange route: via cortex voor niet-dreigende stimuli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Wat is de korte route van Ledoux? Hoe loopt deze?

A

Snelle, onbewuste subcorticale verwerking
-> Voor vecht/vlucht reactie

Via sensorische thalamus naar amygdala

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Wat is de lange route van Ledoux model? Hoe loopt deze?

A

Langzamere, bewuste verwerking van emoties

-> Van thalamus naar corticale gebieden (PFC), wat de reactie van amygdala reguleert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Wat zijn de 3 stappen in Ledoux’s duale paden model?

A
  1. Zie stimulus (slang)
  2. Korte route: snelle emotionele respons (snel weg bewegen)
  3. Lange route: verdere verwerking van stimuli (besef: oh mijn god kijk uit)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Wat was de conclusie van Damasio’s onderzoek bij patienten met schade aan orbitofrontale cortex? (2)

A
  1. Problemen met ervaren en uitdrukken van emoties
  2. Problemen met nemen van beslissingen in complexe situaties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Wat is de somatische stempel theorie (somatic marker theorie)?

A

Centrale rol van lichamelijke reacties als onderdeel van emotie bij het nemen van beslissingen en het leren van fouten

Dus: fysiologische processen gepaard met sociale emoties –> bestempelen een ervaring

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Geef een voorbeeld van de somatische stempel theorie (somatic marker theory)

A

Buikpijn die iemand voelt bij een kopen van een tweedehandsauto nadat een eerdere aankoop een ramp was geweest

In een nieuwe situatie met een complexe beslissing, creëren ervaringen uit het verleden die specifieke emoties teweegbrachten een soortgelijke lichamelijke sensatie
-> Dit beinvloedt het besluitvormingsproces

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

In welke 2 manieren zijn emoties en sociaal-cognitieve processen aan elkaar gelinkt?

A
  1. Sociale situaties roepen emoties op
  2. Emoties reguleren sociale situaties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Wat zijn de 3 niveaus van sociale info verwerking?

A
  1. Sociale info waarnemen
  2. Sociale info begrijpen
  3. Reageren op sociale info
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Wat zijn de 4 aspecten van waarneming van sociaal-relevante info?

A
  1. Non-verbale info
  2. Verbale info
  3. Context info
  4. Automatische attributie van intenties van anderen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Wat zijn 6 aspecten van het begrijpen van sociaal relevante info?

A
  1. Imitatie & simulatie: Spiegelen van emoties en sociaal gedrag van anderen
  2. Mentaliseren/ToM
  3. Empathie
  4. Sociale schema’s
  5. Sociale conceptformatie
  6. Sociale, causale attributies
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Wat zijn 4 aspecten van reageren op sociaal relevante info?

A
  1. Gedragsregulatie, afgestemd op sociale context
  2. Leren van negatieve feedback
  3. Inzicht/hanteren sociale normen (inhibitie van inadequaat gedrag)
  4. Moreel redeneren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Hoe ontwikkelt het vermogen om non-verbale emotionele info te herkennen?

A

Heel vroeg: baby’s herkennen emotionele gezichtuitdrukkingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Welke regio is verantwoordelijk voor gezichtsherkenning? En welke 3 herkennen emotionele gezichtsuitdrukkingen?

A

FFA (gezichtsherkenning)

Superior temporale sulcus, amygdala, insula (uitdrukkingen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat is sociale referencing? Geef een voorbeeld

A

Het reguleren van eigen gedrag op basis van sociale omgeving

E.g. als iemand bang kijkt, pas je je gedrag erop aan en ben je extra alert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Wat is biological motion?

A

Het principe dat mensen een voorkeur hebben voor bewegingen die passen bij mensen en dieren
-> We kunnen uit minimale stimuli zo’n beweging halen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Waar in de hersenen zitten spiegelneuronen?

A

Premotorische cortex

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Welke taak is de basis voor de somatische stempel theorie? Waarom?

A

Iowa Gambling taak
-> Bij specifieke hersenschade kunnen andere keuzes worden gemaakt – > dus er is een fysiologische respons die onze intuitie aanstuurt een keuze te maken voor het een of het ander

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Wat is de Iowa Gambling taak? Wat gebeurt er in het lichaam bij uitvoering van deze taak?

A

Kaarten kiezen waarbij bepaalde keuzes een groter risico dragen dan anderen (e.g. 1miljoen winnen of niks vs. altijd 100 euro)

-> Arousal (amygdala, vmPFC) voor risicovolle keuzes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

Hoe doet iemand met schade aan vmPFC op de Iowa Gambling taak? En iemand met amygdala schade?

A

vmPFC: laten fysiologische arousal zien maar blijven volharden in slechte risicovolle keuze

Amygdala: meer kiezen voor risicovolle kaarten en geen fysiologische respons

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
60
Q

Wat is de functie van vmPFC in emoties?

A

Integratie van info uit het emotionele brein, waardoor je minder geleid wordt daardoor (meer risicovolle keuzes)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
61
Q

Wat zijn 3 typische symptomen van iemand met amygdala schade?

A
  1. Verminderde expressie van emoties
  2. Stoornissen in herkennen van emoties, vooral angst (->Risicovol gedrag, geen fysiologische respons bij angst prikkels)
  3. Stoornissen in sociaal leren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
62
Q

Wat is het Urbach-Wiethe syndroom?

A

Genetische afwijking waarbij de amygdala calcificeert en dus niet meer functioneert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
63
Q

Wat zijn 2 kenmerken van Urbach-Wiethe syndroom?

A
  1. Geen (fysiologische) reactie bij enge stimuli
  2. Ongevoelig voor negatieve sociale cues & potentieel risico
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
64
Q

Hoe is interpersoonlijke afstand gerelateerd aan amygdala laesies?

A

Mensen met amygdala laesies nemen kleinere interpersoonlijke afstand -> voelen minder angst om dicht bij mensen te zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
65
Q

Wat zijn voorbeelden van sociale verbale signalen?

A

Semantische inhoud van wat iemand zegt

66
Q

Hoe zijn sociale schema’s belangrijk voor het begrijpen van een situatie?

A

Snel kunnen toepassen van sociale kennis (sociale regels)

67
Q

Hoe is sociale conceptformatie belangrijk voor het begrijpen van sociale situaties?

A

Sociale conceptformatie = creëren en ontwikkelen van sociale kennis

68
Q

Wat is mentaliseren?

A

Gedachten, gevoelens en emoties aan anderen toekennen (theory of mind)

69
Q

Wat zijn sociale conventies?

A

Breed gedeelde normen

70
Q

Wat zijn sociale en causale attributies? Geef een voorbeeld

A

Interpreteren van andermans gedrag op basis van causaliteit

E.g. als groep mensen precies fluistert als jij langsloopt, denk je dat ze het over jou hebben

71
Q

Wat is de link tussen executief functioneren en sociale cognitie? Leg uit

A

Sociale cognitie = executief functioneren in sociale context

In reactie stadium van sociale cognitie zijn inhibitie, gedragsregulatie en vasthouden aan moraal belangrijk, wat erg overeen komt met EF

72
Q

Wat is de neurale basis voor empathie? Leg uit

A

Spiegelneuronensysteem: deze koppelt waargenomen emoties aan eigen emotionele ervaringen
-> Maar dit dekt nog niet empathie volledig!

73
Q

Wat zijn de 2 types empathie?

A
  1. Affectieve empathie
  2. Cognitieve empathie
74
Q

Wat is affectieve empathie?

A

Het meevoelen met iemand anders zijn emoties

75
Q

Wat is cognitieve empathie?

A

Het cognitief begrijpen van de gevoelens van anderen zonder deze mee te voelen

76
Q

Welk systeem is belangrijk voor prosociaal gedrag? Hoe uit dit zich?

A

Spiegelsysteem -> we vinden mensen aardig en betrouwbaar als ze hetzelfde gedrag vertonen

77
Q

Welke 2 typen netwerken zijn betrokken in socio-emotionele functies?

A

Amygdala vs. non-amygdala netwerken

78
Q

Wat zijn de 3 amygdala netwerken?

A
  1. Perceptie netwerk
  2. Affiliatie netwerk
  3. Aversie netwerk
79
Q

Wat zijn de 2 non-amygdala netwerken?

A
  1. Mentalizing netwerk
  2. Spiegel netwerk
80
Q

Wat kunnen we concluderen uit een meta-analyse van diverse klinische groepen (psychiatrisch/neurologisch) op emotieherkenning en mentaliseren?

A
  • Veel klinische groepen hebben emotieherkenning problemen
  • Alle klinische groepen scoren lager op mentaliseren
81
Q

Wat is het belangrijkste onderdeel van het redeneersysteem (mentalizing)? Waarvoor wordt dit gebruikt?

A

Theory of mind
-> Het achterhalen van intenties van anderen

82
Q

Wat is ToM?

A

Vermogen om de eigen mentale toestand van die van de ander te onderscheiden, waardoor we gedachten en bedoelingen van anderen kunnen voorspellen

83
Q

Wat is het verschil tussen cognitieve en affectieve ToM?

A

Cognitief: vermogen om gedachten, kennis en ideeën aan anderen toe te schrijven

Affectief: rationele inschatting van gevoelens, intenties en behoeften van anderen

84
Q

Welk type empathie is vergelijkbaar met affectieve ToM?

A

Cognitieve empathie

85
Q

Wat zijn de 3 ontwikkelingsfases van ToM?

A
  1. Joint attention: Gezamenlijke aandacht: besef dat aandacht van anderen kan verschillen van hun eigen
  2. First order beliefs: Eerste orde overtuigingen: begrijpen dat anderen anders kunnen denken + inschatten wat ze denken
  3. Second order beliefs: Tweede orde overtuigingen: kunnen inschatten wat ander denkt over gedachten van derde partij
86
Q

Wat is joint attention/gezamenlijke aandacht?

A

Het besef dat de aandacht van anderen kan verschillen van eigen aandacht

87
Q

Wat zijn first order beliefs/overtuigingen van de eerste orde?

A

Begrijpen dat anderen anders kunnen denken + inschatten wat ze denken

88
Q

Wat zijn second order beliefs/ tweede orde overtuigingen?

A

Vermogen om in te schatten wat een ander denkt over de gedachten van een derde partij

89
Q

Hoe wordt ToM vaak gemeten? Wat is een voorbeeld van zo’n taak?

A

False-beliefs taken
-> E.g. Sally-Anne taak bij kinderen

90
Q

Wat zijn false-belief taken?

A

Tests om te kijken hoe goed men in de huid van een ander kan kruipen en kan begrijpen dat verschillende mensen verschillende dingen kunnen geloven (zelfs als wat ze geloven verkeerd is)

91
Q

Vanaf welke leeftijd wordt de Sally-Anne taak succesvol afgerond?

A

Vanaf 4 jaar (maar daarvoor hebben kids ook al aangeboren begrip van ToM)

92
Q

Wat is alexithymie? Wat zijn de twee subtypes?

A

Beperkt vermogen om bij jezelf emoties te identificeren, begrijpen en uit te drukken

-> Cognitief & affectief subtype

93
Q

Wat is cognitieve alexithymie?

A

Moeilijkheden met identificeren en beschrijven van emoties

94
Q

Wat is affectieve alexithymie?

A

Moeilijkheden met voelen van emoties en herkennen van emotionele signalen

95
Q

Wat is het voordeel van de Emotion Recognition Test (ERT)?

A

Deze laat morfende gezichten zien van veel tot weinig emoties
-> Hiermee kan je op verschillende niveaus kijken of er een verschil ontstaat tussen patient en controles

96
Q

Wat is het verschil tussen statische en dynamische taken in het meten van emotie? Geef een voorbeeld van een taak voor elk

A

Statisch: vaste emoties, vaak de basale emoties -> raden welke emotie het is
-> ANT, Penn

Dynamisch: maakt gebruik van morfende gezichten, welke dus ook realistischer zijn
-> ERT

97
Q

Wat is een voor en nadeel van de Penn test?

A

+: gebruikt gezichten van verschillende etniciteiten

-: statisch: alleen extreme emoties, wat niet de realiteit echt weerspiegelt

98
Q

Wat is een voorbeeld van een sociale attributie taak? Welke patientgroep scoort hier doorgaans wat minder goed op?

A

Hinting taak: een verhaal vertellen en dan vragen wat een karakter bedoelt

-> Moeilijk in schizofrenie

99
Q

Wat is het nadeel van statische taken?

A

Beperkte ecologische validiteit

100
Q

Beschrijf de Awareness of social inference test (TASIT)

A

Video wordt laten zien en patient krijgt tussendoor steeds vragen (denk aan die gare duitse video van tutorials!!)

-> dynamische emotieherkenning en mentaliseren wordt getest (e.g. of sarcasme wordt gesnapt)

101
Q

Wat is emotieregulatie?

A

Vermogen om het ontstaan/ voorkomen/duur/intensiteit van emoties te beïnvloeden
-> Onderdrukken of bewust nabootsen van emoties

102
Q

Wanneer ontwikkelt emotieregulatie zich volledig?

A

Late adolescentie (hangt samen met ontwikkeling EF)

103
Q

Wat is het idee in Gross’s procesmodel van emotieregulatie?

A

Legt uit dat emoties ontstaan in een situatie-aandacht-waardering-respons cyclus
-> In elke stap van de cyclus kan emotie worden gereguleerd, maar met verschillende gevolgen

104
Q

Wat zijn 3 strategieën voor emotieregulatie?

A
  1. Cognitieve herwaardering/reappraisal
  2. Onderdrukking
  3. Afleiding
105
Q

Wat is de beste emotieregulatie strategie en waarom?

A

Cognitieve herwaardering (reappraisal)
-> Door info anders te interpreteren wordt de emotionele lading anders
-> Dit gebeurt vroeg in het proces in het Gross emotieregulatiemodel en kan daardoor zowel fysiologische als mentale respons ombuigen of voorkomen

106
Q

Geef een voorbeeld van cognitieve herwaardering/reappraisal

A

Chagrijnige blik van je baas niet persoonlijk opvatten, maar bedenken dat je baas misschien slecht heeft geslapen

107
Q

Wat is de neurale basis voor adequate emotieregulatie?

A

Verhoogde activiteit in PFC en verminderde activiteit in subcorticale gebieden (amygdala)

108
Q

Wat zijn de 4 stadia in het procesmodel van emotieregulatie van Gross?

A
  1. Situatie (selectie en aanpassen van situatie)
  2. Aandacht (verschuiven van aandacht, afleiding)
  3. Herwaardering (interpretatie van omgeving en interne prikkels)
  4. Reactie (onderdrukken of gebruik alcohol/sport)
109
Q

Waarom is cognitieve reappraisal beter dan onderdrukken/afleiding?

A

Herwaardering zit eerder in het model van Gross, waardoor men zowel fysiologische als mentale respons nog kan afbuigen. Dit kan niet meer bij onderdrukking of afleiding (want dat valt onder je reactie)

110
Q

Wat zijn sociale normen? Wat is er nodig om deze toe te kunnen passen?

A

Impliciete spelregels van onze sociale interacties

-> Hebt sociaal inschattingsvermogen nodig

111
Q

Wat is moreel redeneren?

A

Sociaal aangepast gedrag + normatief oordeel of gedrag goed of slecht is

112
Q

Welk dilemma illustreert moreel redeneren?

A

Trolley dilemma (trein die 1 of 5 mensen doodrijdt en jij hebt de switch)

113
Q

Wat is het verschil tussen morele overwegingen met lage persoonlijke betrokkenheid en morele keuzes met hoge persoonlijke betrokkenheid? Benoem het verschil in hersenactiviteit en wat dat dan betekent

A

Laag: hersenactiviteit in lPFC + parietale cortex
-> Dus puur cognitieve afweging

Hoog: mFrontale cortex, cingulate gyrus, amygdala
-> Dus sociaal-cognitieve processen

114
Q

Wat is het socio-cognitieve integratie van vaardigheden (SOCIAL) model?

A
  1. Integreert bestaande theorieën over componenten van sociale cognitie en emotie
  2. Beschrijft hoe deze worden beïnvloed door neurale netwerken en omgevingsfactoren
  3. Integreert ontwikkelingsperspectief
115
Q

Wat zijn de 3 cognitieve domeinen van het SOCIAL model?

A
  1. Aandachtsprocessen + executieve functies
  2. Communicatievaardigheden
  3. Sociaal-emotionele functies
116
Q

Welke 2 types mediërende factoren zijn er tussen de 3 domeinen (aandacht-EF/communicatie-vaardigheden/socioemotionele functies) van het SOCIAL model?

A
  1. Interne/externe factoren (persoonlijkheid, temperament, cultuur, SES)
  2. Hersenontwikkeling & integriteit (grijze stof, wittestofbanen, neurotransmissie)
117
Q

Wat is het verschil tussen hot en cold processen in sociale cognitie?

A

Hot: affectieve processen
Cold: cognitieve processen

118
Q

Hoe kan je het SOCIAL model het beste beschouwen?

A

Als een taxonomie van het paraplubegrip ‘sociale cognitie’en de betrokken emotionele processen
-> Dus het verklaart niet hoe socio-cognitieve processen tot stand komen!

119
Q

Welke 2 type methodes spelen een belangrijke rol in het onderbouwen van emotie en sociale cognitie theorieën?

A
  1. Laesiestudies
  2. Imagingmethoden (structurele en functionele)
120
Q

Wat is het voor en nadeel van het feit dat emotie en sociale cognitie zijn geassocieerd met een groot aantal hersengebieden?

A

-: Emoties en sociale cognitie zijn kwetsbaar voor hersenschade

+: Bij hersenschade kan er een beroep gedaan worden op alternatieve hersennetwerken ter compensatie

121
Q

Wat zijn de 7 belangrijkste hersengebieden voor emotie en sociale cognitie?

A
  1. Amygdala
  2. Fusiforme gyrus
  3. Insula
  4. Superior temporal sulcus (STS)
  5. Temporoparietale junctie (TPJ)
  6. PFC
  7. Cerebellum
122
Q

Wat is de amygdala en waar ligt dit?

A

Amandelvormige kernen in temporale kwab

123
Q

Hoe werkt de amygdala? (2)

A
  1. Automatische screening info op sociale en affectieve relevantie
  2. Moduleert andere hersengebieden op basis daarvan
124
Q

Wat zijn de 4 verbindingen die de amygdala met andere hersengebieden maakt?

A
  1. Hypothalamus (autonome zenuwstelsel)
  2. Fusiforme gyrus (visueel perceptueel systeem)
  3. Hippocampus (geheugensysteem)
  4. Prefrontale gebieden (top-down modulatie geheugen/aandacht/EF)
125
Q

Waarom is de connectie van amygdala aan hypothalamus handig?

A

Lichamelijke reacties kunnen worden geïnitieerd omdat er nu contact is met het autonome zenuwstelsel

126
Q

Waarom is de connectie van amygdala aan fusiforme gyrus handig?

A

Connectie met visueel perceptueel systeem is handig, omdat visuele gebieden dan alert zijn in geval van gevaar

127
Q

Waarom is de connectie van amygdala aan hippocampus handig?

A

Connectie met het geheugen is fijn omdat het helpt bij het verwerken en opslaan van gebeurtenissen met emotionele valentie

128
Q

Waarom is de connectie van amygdala aan prefrontale gebieden handig?

A

Maakt top-down modulatie van geheugenopslag, besluitvorming en aandacht mogelijk

129
Q

Waar ligt de fusiforme gyrus? Wat is de voornaamste functie?

A

Occipitale kwab + onderste deel temporale kwab

-> Verwerking van kenmerken van gezichten om identiteit mee te bepalen

130
Q

Wat zijn de 4 functies van de insula?

A
  1. Lichamelijke sensaties + subjectieve ervaringen van emoties waarnemen/moduleren
  2. Emotionele gezichtsuitdrukkingen herkennen
  3. Waargenomen emotie koppelen aan opgeslagen representaties over deze emotie
  4. Empathie
131
Q

Waarbij is de STS betrokken (4)?

A

Waarnemen van :
- Biologische beweging
- Gezichtsuitdrukkingen
- Blikrichting
- Doelgerichte bewegingen

132
Q

Waarbij is de temporoparietale junctie (TPJ) betrokken?

A
  1. ToM: begrijpen van intenties, emoties en wensen van anderen
  2. Ophalen van tijdelijke gevoelens en intenties
133
Q

Wat is de rol van de dmPFC?

A
  1. Koppelen van nieuwe sociale info aan bestaande kennis + representaties over sociale normen
  2. Reflecteren op eigen sociale gedrag
134
Q

Wat is de rol van de mediale prefrontale gebieden? (2)

A
  1. Onderscheiden van zelf van anderen (ToM)
  2. DMN: default mode network
135
Q

Wat is de rol van het default mode network (DMN) bij sociale cognitie?

A

Netwerk dat actief is wanneer er geen interactie is met de omgeving
-> Betrokken bij zelf-relevante processen (mentaliseren)

136
Q

Wat zijn corticale midline structuren? Wat is hun functie?

A

Structuren in het midden van de cortex
-> Voor processen waarin info aan het zelf wordt gerelateerd (zelfreferentie)

137
Q

Wat is zelfreferentie? Geef een voorbeeld

A

Processen waarin info aan het zelf wordt gerelateerd
-> E.g. nadenken over eigenschappen van jezelf, bewustzijn van eigen lichaam, plaatsen van eigen gedrag in gebeurtenissen

138
Q

Wat is de functie van de mediale OF cortex/vmPFC? (3)

A
  1. Top-down regulatie van emotionele respons vanuit amygdala
  2. Adaptieve emotieregulatie (cognitieve herwaardering)
  3. Complexe beslissingen maken
139
Q

Wat is het gevolg van schade aan mOFC en vmPFC?

A

Beperkingen in nemen van complexe beslissingen
-> Patiënten kunnen niet meer vertrouwen op hun gut-feeling

140
Q

Wat is het cerebellair cognitief affectief syndroom?

A

Stoornis gekenmerkt door problemen in het herkennen en reguleren van emoties

141
Q

Wat zijn 3 sociale processen die gerelateerd zijn aan het cerebellum?

A
  1. Emotieherkenning
  2. Emotieregulatie
  3. Mentaliseren
142
Q

Welke 3 onderdelen van sociale cognitie worden geëvalueerd bij iemand die mogelijk een stoornis erin heeft?

A

waarnemen, begrijpen, reageren op sociale situaties

143
Q

Waarom zijn patienten met emotie en sociale cognitie stoornissen vaak wel lastig?

A

Ze hebben verminderd ziekte-inzicht waardoor ze minder bereid zijn om zich te laten behandelen

144
Q

Welke 2 domeinen van sociale cognitie nemen af met de leeftijd? Wat kan hiervoor een verklaring zijn?

A

ToM + emotieherkenning

-> Mogelijk door aftakeling van werkgeheugen en verwerkingssnelheid

145
Q

Welk gender verschil is er wat betreft emotie?

A

Vrouwen zijn beter in herkennen van emoties op basis van gezichtsuitdrukkingen

146
Q

Wat is de neurale basis van alexithymie?

A
  1. Verminderde interhemisferische verbinding
  2. Veranderingen in activatie van anterior cingulate cortex
    -> Dus problemen met ervaren, herkennen en uiten van emoties!
147
Q

Bij welke stoornis past de term emotionele vlakheid?

A

Alexithymie

148
Q

Wat is emotionele vervlakking?

A

Minder emotionele responsiviteit in situaties waarin dat wel verwacht zou worden

149
Q

Hoeveel komt alexithymie voor? Voor welke andere aandoeningen is het een risicofactor en waarmee komt het vaak samen voor?

A

10% van gezonde populatie

-> Risicofactor voor psychiatrische aandoeningen (eetstoornis, verslaving, schizofrenie)

-> Vaak samen met ASD

150
Q

In welke patientengroep worden stoornissen in het herkennen van gezichtsuitdrukkingen gevonden? Welke soort gezichtsuitdrukkingen vooral?

A

Patienten met TBI, beroerte, hersentumoren, MS, FTD, Huntington, Parkinson, schizofrenie

Vooral negatieve uitdrukkingen

151
Q

In welke patientengroep vind je vooral stoornissen in perceptie van sociaal relevante info? Geef een voorbeeld van wat er mis gaat

A

ASD
-> E.g. perceptie van biologische beweging

152
Q

Letsel aan welke 3 hersengebieden is geassocieerd aan stoornissen in het herkennen van emotionele gezichtsuitdrukkingen?

A

insula, OFC, amygdala

153
Q

Welke emoties worden vaak minder goed herkend door gezonde mensen?

A

Negatieve emoties

154
Q

Bij welke 4 patientgroepen worden vaak stoornissen in het begrijpen van sociaal relevante info gezien?

A

TBI, Parkinson, MS, schizofrenie

155
Q

Op welke 3 vlakken hebben mensen met schizofrenie moeite met het begrijpen van sociaal relevante info? Hoe kan je dit verklaren?

A

False beliefs/valse overtuigingen, sarcasme en faux pax (onbedoelde schendingen van sociale regels)

-> Oorzaak: ontoereikende netwerken in vmPFC, OFC, TPJ –> gebieden betrokken bij begrijpen van bedoelingen van anderen
Dus: inefficiënte neurale netwerken

156
Q

Wat is de relatie tussen stoornissen in ToM en affectieve empathie? Wat is het bewijs daarvoor?

A

Dubbele dissociatie:
- Psychopathie: stoornis in affectieve empathie, intact ToM
- ASS: stoornis in ToM, intact affectieve empathie

157
Q

Waarom is de Iowa Gambling taak illustratief voor het feit dat mensen met hersenletsel beperkingen hebben in het aanpassen van hun gedrag op basis van emotionele signalen?

A

In de taak zijn gedragsaanpassingen nodig obv emoties om verlies te voorkomen

158
Q

Wat voor stoornis vertonen mensen met FTD wat betreft reageren op sociaal relevante info?

A

Stoornis in begrijpen en toepassen van sociale regels

159
Q

Hoe kan je emoties en sociale cognitie symptomen van elkaar scheiden?

A

Dat is lastig, want ze hebben veel overlappende functies
-> Het helpt om naar hersenactivatie te kijken en hiermee cognitieve modellen te ontwikkelen

160
Q

Welke 2 factoren beperken het wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling van diagnostische en behandelmethoden voor emotie/ sociale cognitie problemen?

A

Gebrek aan consensus over definities + taxonomie van processen van emotie en sociale cognitie