Lecture 1: Motoriek Flashcards

1
Q

Noem 3 redenen waarom motoriek belangrijk is in KNP?

A
  1. Zonder beweging geen waarneembaar gedrag
  2. Veel voorkomende beperkingen bij hersenletsel (trekt vaak aandacht)
  3. Beweging & cognitie zijn onlosmakelijk verbonden
  4. Iemands prestatie op een KNP test is afhankelijk vaak van motoriek
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Noem de functionele hiërarchie van motoriek (3)

A
  1. Reflexen (basaal)
  2. Geautomatiseerde bewegingen
  3. Willekeurige bewegingen (gecontroleerd/doelgericht)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn de 3 neuroanatomische niveaus van motoriek?

A
  1. Ruggenmerg
  2. Hersenstam
  3. Cerebellum, basale ganglia, cerebrale cortex
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is het verschil tussen bewust bewegen en onbewust aansturen?

A

Bewust bewegen = sensoriek, cognitie, motoriek, feedback (in/ex)/ feedforward (in)

Onbewust aansturen = spierspanning, houding, coördinatie, oog/hoofdbewegingen, reflexen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is het verschil tussen feedback (in/ex) en feedforward (in)?

A

Feedback (in): interne feedback, e.g. als je honger hebt

Feedback (ex): externe feedback, e.g. bewust reageren op de omgeving

Feedforward: gebruik info uit eigen motoriek om te voorspellen wat er gaat gebeuren –> handig om nieuwe dingen aan te sturen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is het verschil in functie tussen de hersentstam, basale ganglia, cerebellum en cortex?

A

Hersenstam: houdingsregulatie en proximale bewegingen

Basale ganglia: coördinatie en uitvoering

Cerebellum: coördinatie en fijn-regulatie

Cortex: hogere-orde motor commando’s

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat betekenen de volgende termen: ventraal, dorsaal, proximaal, distaal?

A

Ventraal = buik
Dorsaal = rug
Proximaal = dichtbij
Distaal = veraf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de 2 verschillende takken in het ruggenmerg?

A

Motorische + sensorische tak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn de 2 globale motorfuncties van het ruggenmerg?

A
  1. Reflexen
  2. Basale bewegingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Aan welke kant van het ruggenmerg liggen de motorische/sensorische neuronen?

A

Motorisch: ventraal
Sensorisch: dorsaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe ontvangen motorneuronen sensorische input over de contractietoestand van een spier? Waarom is dit belangrijke info voor het ruggenmerg?

A

Spierspoeltjes (gamma motor neuronen)

Belangrijk voor reflexen in het ruggenmerg –> maakt het mogelijk om veel bewegingen al via het ruggenmerg te laten verlopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is belichaamde cognitie (embodied cognition)?

A

Bewegingen worden beïnvloedt door sensorische processen en deze zijn weer afhankelijk van actie- en lichaamsgerelateerde representaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat houdt het in dat spieren werken in agonist-antagonist paren?

A

Een spier kan alleen passief worden uitgerekt als gevolg van contractie van een andere spier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Op welke 2 manieren is het motorisch neurale systeem georganiseerd in de hersenen? (welke zenuwbanen?)

Welke is belangrijk voor welke spiergroepen?

A
  1. Parallel –> proximale spieren (romp, bovenarmen, dijen)
  2. Hierarchisch –> distale spieren (hand, vingers, voeten)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn de 4 parallelle bronnen van input en welke spieren sturen deze aan?

A
  1. Reticulospinaal
  2. Tectospinaal
  3. Vestibulospinaal
  4. Cortex
    –> Allemaal projectie naar ipsilaterale kant, maar vaak ook bilateraal

Voor proximale spieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom zijn de proximale spieren vaak niet verstoord na hersenletsel? Hoe zit het met de distale spieren?

A

Omdat de zenuwen bilateraal vaak uitstralen (dus naar beide kanten van het ruggenmerg). Proximale spieren krijgen dus info uit twee hersenhelften

Distale spieren zijn sneller verstoord na hersenletsel
-> Die worden aangestuurd door gekruiste/laterale corticospinale projecties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is een homunculus?

A

De representatie van het lichaam in de primaire motorische cortex

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat zijn de 2 globale motor functies van de hersenstam?

A
  1. Houdingsregulatie
  2. Proximale bewegingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Waar is de corticospinale baan belangrijk voor en vanuit waar is het aangestuurd?

A

Vrijwillige bewegingen
-> Vanuit motorische schors

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Welke 2 banen zijn belangrijk voor bewuste bewegingen? Hoe noem je dit systeem ook wel?

A

corticospinaal + corticonuclearis
-> Beide vanuit motorische schors

Pyramidaal systeem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Waar is de rubrospinale baan belangrijk voor en hoe loopt deze route?

A

Controle grote spieren (armen/benen)

Cerebellum –> Nucleus Ruber

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Waar is de tectospinale baan belangrijk voor en wat is diens route?

A

Voor hoofd en oog bewegingen

Superior colliculus –> tectospinaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Waar is de vestibulospinale baan belangrijk voor en waar komt deze vandaan?

A

Voor lichaamshouding en evenwicht

Vanuit nucleus vestibularis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Waar is de reticulospinale baan belangrijk voor en waar komt deze vandaan?

A

Voor spierspanning

Vanuit formatio reticularis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat zijn de 5 onderdelen van de basale ganglia?

A
  1. Nucleus cadatus (striatum)
  2. Putamen (striatum)
  3. Globus pallidus
  4. Nucleus subthalamicus
  5. Substantia nigra
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat zijn de 3 globale motor functies van de basale ganglia?

A
  1. Selectie
  2. Initiatie
  3. Coordinatie van gedragingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat is het verschil in functie tussen de directe en indirecte route in de basale ganglia?

A

Direct = activerend
Indirect = inhiberend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat zijn 2 bekende aandoeningen van basale ganglia? Wat is er bij beide aan de hand?

A
  1. Huntington: overmatige onwillekeurige bewegingen door verlies van neuronen in striatum –> minder activering indirecte route
  2. Parkinson: initiatie problemen door degeneratie van substantia nigra (te weinig dopamine) –> verminderde activiteit directe route
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat is het verschil tussen coronaal, saggitaal en axonaal in doorsnedes?

A

Coronaal: verticaal oor tot oor
Saggitaal: verticaal van voor tot achter
Axonaal: horizontaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wat is het verschil tussen hypo en hyperkinesie en bij welke ziekte hoort wat?

A

Hypokinesie: te weinig beweging (Parkinson)

Hyperkinesie: te veel beweging, zoals onrust en choria (Huntington)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Welke hersenstructuren zijn aangetast in Parkinson en Huntington?

A

Parkinson: substantia nigra –> te weinig dopamine –> te weinig activatie directe route

Huntington: striatum –> te weinig activatie indirecte route

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Wat zijn de 3 structuren in het cerebellaire systeem?

A
  1. Vestibulocerebellum
  2. Spinocerebellum
  3. Neocerebellum
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Wat is de functie van het vestibulocerebellum? (2) Waar ontvangt het info van?

A

Hoofd/oogbewegingen + balans

Ontvangt input van vestibulair systeem / visuele input

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Wat is de functie van het spinocerebellum? (2) Waar ontvangt het info van?

A

Proximale spieraansturing + balans

Ontvangt sensorische info uit ruggenmerg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Wat is de functie van het neocerebellum? (2) Waar ontvangt het info van?

A

Planning van bewegingspatronen + fijnregulatie

Ontvangt info van de cortex

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat is de globale motorische functie van het cerebellum? (4)

A
  1. Coördinatie
  2. Fijne afstemming/timing
  3. Aanpassen van bewegingen
  4. Doel van beweging
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Welk deel van het cerebellum is het oudst? En het jongst?

A

Oud = vestibulocerebellum
Dan spinocerebellum
Jongst = neocerebellum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Welke structuur in de cerebellum heeft:
- Afdalende banen
- Banen naar motorische en premotorische cortex
- Banen naar vestibulaire kernen?

Wat is de functie van elk?

A
  1. Afdalend: motorische uitvoering
  2. M1/PM: motorische planning
  3. Vestibulair: balans/oogbewegingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Welke hersenstructuur is belangrijk voor predictieve controle van bewegingen?

A

Cerebellum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Wat is cerebellaire ataxie?

A

Beschadiging van cerebellum dat leidt tot ongecoördineerde beweging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Wat zijn 3 opmerkelijke aspecten in cerebellaire ataxie?

A
  1. Dysmetrie: verkeerde timing van stoppende hand/oog bewegingen
  2. Intentietremor: tremor wanneer een eind van een beweging wordt genaderd
  3. Dysdiadochokinesie: moeite met het maken van snelle, afwisselende handbewegingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Wat zijn de 4 globale motor functies van het corticaal motorische systeem?

A
  1. Vrijwillige bewegingen initieren
  2. Uitvoeren van nieuw motorisch gedrag
  3. Inhiberen
  4. Omschakelen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Wat is het verschil tussen de 2 typen corticospinale projecties?

A
  1. Contra & ipsilaterale projecties die eindigen op interneuronen in het ruggemerg voor aansturing van de romp, schouder en bovenarm
  2. Contralaterale projecties direct op de motorneuronen in het ruggemerg voor fijne motoriek
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Wat is de functie van de primaire motorische cortex (motorische strip)? (2)

A

Motorische commando’s + regulatie van spierkracht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Wat is de functie van de premotorische cortex/supplementair motorisch gebied en de gyrus cinguli anterior? (5)

A
  1. Handelingsschemata
  2. Planning
  3. Selectie
  4. Initiatie
  5. Inhibitie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Wat is de functie van de primaire sensorische cortex (sensorische strip)? (1)

A

Tastzin (druk, gewicht, temperatuur etc.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Wat is de functie van secundaire sensorische cortex & pariëtale associatie gebieden?

A

Ruimtelijke waarneming (plaats, richting, snelheid, ‘waar-route’, vorm, ‘praxicon’, ‘hoe-route’)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Wat zijn de 4 belangrijkste corticale gebieden met bewegingsfuncties?

A
  1. Primaire motorische cortex
  2. Premotorische cortex/supplementair motorisch gebied, gyrus cinguli anterior
  3. Primaire sensorische cortex
  4. Secundaire sensorische cortex/ pariëtale associatie gebieden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Wat is het verschil tussen paralyse en parese?

A

Paralyse = verlamming
Parese = krachtvermindering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Wat zijn 2 symptomen bij schade aan M1?

A

Paralyse (verlamming) + parese (krachtsvermindering)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Wat zijn 2 symptomen bij schade aan PMC/SMA/anterior cingulate gyrus? Is dat ipsilateraal of contra?

A

Apraxie + motorische verwaarlozing (motor neglect)

Contralateraal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Wat is motor neglect?

A

Je gebruikt een hand of een been niet contralateraal van waar de schade is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Welke 2 symptomen zijn er bij schade aan de primaire sensorische cortex?

A

Sensibiliteitsstoornissen + neglect

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat zijn 3 symptomen bij schade aan secundaire sensorische cortex en pariëtale associatie gebieden?

A
  1. Apraxie
  2. Neglect
  3. Stoornissen in ruimtelijke vaardigheden
55
Q

Van welke 3 (cognitieve) aspecten is beweging afhankelijk?

A
  1. Representatie in bewegingsprogramma’s (schemata) (bewegingen in CNS moeten worden weergegeven in motorische programma’s)
  2. Sensorische input (zintuigelijke info moet worden gebruikt tijdens de beweging)
  3. Agency (gevoel dat jij degene bent die de beweging maakt)
56
Q

Wat is de directe link tussen waarneming van beweging van anderen en zelf bewegen?

A

Spiegelneuronen

57
Q

Waar zitten spiegelneuronen? (2)

A

Premotorische en posterieure pariëtale cortex

58
Q

Wanneer zijn spiegelneuronen actief?

A

Als ze een beweging uitvoeren & met observeren hoe iemand anders een beweging uitvoert
–> Alleen heel actief als uitgevoerde en waargenomen acties vergelijkbaar zijn

59
Q

Wat is de functie van het spiegelneuronen systeem? (3)

A
  1. Leren door observatie
  2. Sociale cognitie
  3. Empathie
60
Q

Wat is het forward model?

A

Voorspelling van de consequenties van een actie op basis van een intern model van het motorische systeem

61
Q

Wat zijn 3 gevolgen van forward models?

A
  1. Controle op succes: vergelijk efference copy (motorische aansturingsprogramma) met eindresultaat
  2. Motorische consequenties: vervolgbewegingen
  3. Sensorische consequenties: te verwachten perceptuele gevolgen
62
Q

Hoe kan je verklaren dat je jezelf niet kan kietelen?

A

Je voorspelt sensorische consequenties met het forward model, waardoor de tastzin gedeeltelijk wordt onderdrukt

63
Q

Wat is een efference copy?

A

Een kopie van een motorprogramma voor het aansturen van een beweging

(deze kan je vergelijken met het eindresultaat en zo heb je controle op succes)

64
Q

Hoe kan je onderscheid maken tussen visuele info door oogbeweging ipv externe stimulus die beweegt?

A

Je gebruikt de efference copy om de verwachte sensorische consequenties te voorspellen

65
Q

Wat zijn 3 vormen van motorrepresentaties?

A
  1. Spiegelneuronen
  2. Forward models
  3. Lichaamsrepresentatie
66
Q

Wat is het lichaamsrepresentatie model?

A

Intern model van het lichaam dat is opgebouwd uit informatie vanuit verschillende zintuigen

67
Q

Voor wat is het lichaamsrepresentatie model belangrijk? (3)

A
  • Body ownership
  • Agency
  • Uitvoeren van doelgerichte bewegingen
68
Q

Wat is het verschil tussen lichaamsbeeld en lichaamsschema?

A

Lichaamsbeeld = bewust toegankelijke lichaamsrepresentatie

Lichaamsschema = onbewuste lichaamsrepresentatie

69
Q

Welk hersendeel zorgt dat we effectief met onze bewegingen interacteren met de omgeving (visuele waarneming)?

A

Achterste pariëtale kwab

70
Q

Wat is de belangrijkste rol van de hoe/waar route?

A

Het beïnvloeden van beweging met visuele waarneming

71
Q

Wat is de voornaamste functie van de ventro-dorsale route? (3)

A
  1. Ruimtelijke perceptie
  2. Begrijpen van bewegingen
  3. Functie van objecten
72
Q

Waarvoor is een lichaamsschema belangrijk? Hoe krijgt het diens info?

A

Het plannen + uitvoeren van acties
-> Bottom-up updating met sensorische informatie

73
Q

Hoe is het lichaamsbeeld en het lichaamsschema gerepresenteerd in de hersenen?

A

Zit niet in een specifiek deel van de hersenen, maar bevinden zich in een neuraal netwerk dat zich uitstrekt van frontale tot occipitale kwabben

74
Q

Welke twee dingen dragen bij aan een sense of self en waarom is dat belangrijk?

A
  1. Body ownership
  2. Agency
    –> dragen bij aan het uitvoeren van doelgerichte bewegingen
75
Q

Welk van de twee is stabiel over tijd: een lichaamsschema of een lichaamsbeeld?

A

Lichaamsbeeld (bewust)

76
Q

Wat is er aan de hand in een patient met numb sense?

A

(Sub)corticale lesies aan de rechterzijde van hun lichaam waardoor ze deze kant niet kunnen detecteren of lokaliseren. Deze patienten kunnen wel accuraat met hun onaangedane hand naar de aangeraakte locatie wijzen op hun lichaam (lichaamsbeeld verstoord)

77
Q

Wat is er verstoord in iemand met numb sense?

A

Lichaamsbeeld (niet lichaamsschema)

78
Q

Hoe is de lichaamsrepresentatie verstoord in iemand met anorexia? (2)

A
  1. Tactiele waarneming: visueel waarnemen van lichaamsomvang als groter dan die is + afstand tussen aanrakingen groter inschatten op hun lijf
  2. Motorisch: bewegingen alsof hun lichaam groter is dan in werkelijkheid
79
Q

Wat is peripersoonlijke ruimte en wanneer wordt het gebruikt?

A

Ruimte rondom het lichaam
-> Belangrijk voor bescherming (bewaren van afstand, merken wat binnen handbereik is)

80
Q

Waarom is agency over het lichaam belangrijk?

A

Bepalen welke acties veroorzaakt worden door externe stimuli en welke zelf geïnitieerd zijn

81
Q

Wanneer is er sprake van agency?

A

Als de verwachte gevolgen van een actie overeenkomen met de werkelijke gevolgen
-> Tijdsinterval tussen begin van beweging en het zintuigelijke gevolg is korter dan wanneer er geen agency is (intentionele binding)

82
Q

Wat is intentionele binding?

A

Tijdsinterval tussen begin van beweging en het zintuigelijke gevolg is korter dan wanneer er geen agency is (intentionele binding)
–> Is een maat van agency in experimenten

83
Q

Wat is de neurale basis van agency? (4)

A

Frontale gebieden + dlPFC + SMA + PPC

84
Q

Wat is apraxie?

A

Problemen met het uitvoeren op commando en/of imiteren van bewegingen, handelingen of gebaren
-> Niet verklaard door paralyse of parese

85
Q

Aan welke kant zijn het vaakst apraxie verschijnselen?

A

Links (hersenen) –> rechts (lichaam)

86
Q

Bij welke neurodegeneratieve ziektes komt apraxie vaak voor?

A

Parkinson, Alzheimer, fronto-temporale dementie (schizofrenie)

87
Q

Met welke andere neuropsychologische stoornis komt apraxie vaak samen?

A

Afasie (2/3e van de patiënten met afasie)

88
Q

Waarom heeft Liepmann belangrijk onderzoek verricht?

A

Hij heeft veel systematische studies gedaan naar apraxie en heeft onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten apraxie

89
Q

Welke 3 vormen van apraxie zijn op basis van type beweging?

A
  1. Ideationele apraxie
  2. Ideomotor apraxie
  3. Constructieve apraxie
90
Q

Wat is het verschil tussen ideationele en ideomotor apraxie?

A

Ideationeel = stoornis in conceptuele representatie van bewegingen –> niet meer uitvoeren van handelingen op commando, maar imitatie is intact

Ideomotor = stoornis in projectie van conceptuele representatie van bewegingen op de pre- en primaire motorgebieden –> niet meer uitvoeringen van handelingen op commando & ook niet meer imitatie!

91
Q

Wat is constructieve apraxie?

A

Problemen van assembleren van onderdelen
-> Mechanische/ gereedschapskennis is aangedaan
-> Problemen met gebruiken van gereedschap of blokken iets nabouwen (maar herkennen figuur vaak wel)

92
Q

Wat voor apraxie kan het zijn als iemand niet meer de WAIS blokken test kan doen?

A

Constructieve apraxie

93
Q

Wat zijn 2 apraxie vormen op basis van sensorische modaliteit?

A
  1. Unimodale apraxie
  2. Tactiele apraxie
94
Q

Wat is unimodale apraxie?

A

Gestoorde bewegingen die alleen optreden bij 1 bepaalde sensorische input (e.g. visueel)

95
Q

Wat is tactiele apraxie?

A

Problemen met het tactiel omgaan met objecten terwijl gebaren wel goed uitgevoerd worden

96
Q

Wat zijn 3 vormen van apraxie op basis van lichaamsdeel?

A
  1. Limb apraxie
  2. Optische apraxie
  3. Buccofaciale apraxie
97
Q

Wat is limb apraxie? Welke 3 soorten apraxie vallen hieronder?

A

Gestoorde bewegingen van hand en arm op commando

(hieronder vallen ideationele, ideomotorische & limb-kinetische apraxie)

98
Q

Wat is optische apraxie?

A

Gestoorde oogbewegingen (saccades) op commando

99
Q

Wat is buccofaciale apraxie?

A

Gestoorde aansturing van het mond-tong gebied

100
Q

Op basis waarvan worden de verschillende vormen van apraxie bedacht?

A

Op basis van klinische observaties (dus niet onderliggende theorie over functie of localisatie)

101
Q

Wat zijn de twee belangrijkste vormen van apraxie? Welke komt het vaakst voor?

A

Ideationele & ideomotor

Ideomotor komt het vaakst voor

102
Q

Binnen de verschillende vormen van apraxie kan een onderscheid gemaakt worden wat betreft … (3)

A
  1. Type beweging
  2. Lichaamsdeel
  3. Sensorische modaliteit
103
Q

Wat voor model wordt veelal gebruikt voor apraxie?

A

Het Liepman model:
-> Indirecte route:
1. Input (sensorisch)
2. Actie-input lexicon
3. Semantische representaties van acties
4. Actie-output lexicon
5. Motorsysteem
-> Directe route (van visuele input naar motorsysteem)

104
Q

Wat is het gevolg van inferieure pariëtale laesies voor de motoriek?

A

Problemen met het maken, onderscheiden en herkennen van gebaren

105
Q

Wat is het gevolg van frontale laesies voor de motoriek?

A

Verstoringen in bewegingsproductie

106
Q

Wat is het gevolg van schade aan de dorso-dorsale route voor de motoriek?

A

Stoornissen in de imitatie van betekenisloze gebaren

107
Q

Wat is het gevolg van schade aan de ventro-dorsale route voor de motoriek?

A

Verstoring in het pantomime van objectgebruik

108
Q

Wat is het gevolg van schade aan gebieden in de temporaalkwab voor de motoriek?

A

Ernstige apraxie met verstoord gebruik van voorwerpen

109
Q

Wat is het verschil tussen intransitieve en transitieve bewegingen? Noem 2 manieren hoe je hiermee apraxie kan testen?

A

Intransitief = gebaren (gedag wuiven, wenken etc.)

Transitief = gebruik van voorwerpen (haar kammen, tanden poetsen etc.)

Testen:
1. Pantomime: vragen te doen alsof
2. Als 1 niet lukt, voordoen en vragen na te doen

110
Q

Wat is pantomime?

A

Vragen te doen alsof (e.g. patient vragen te doen alsof diegene diens haar kamt)

111
Q

Wat is ataxie?

A

Onvermogen om gecoördineerde of coherente bewegingen te maken (verstoringen in het evenwicht en bewegingscoördinatie)

112
Q

Noem 4 soorten ataxie

A
  1. Cerebellaire ataxie
  2. Sensorische ataxie
  3. Optische ataxie
  4. Vestibulaire ataxie
113
Q

Wat is cerebellaire ataxie?

A

Problemen met het reguleren van spierbewegingen en stabiel lopen

114
Q

Wat is sensorische ataxie?

A

Als gevolg van een verstoord lichaamsbeeld voeten tegen elkaar en de ogen te sluiten; patiënten met sensorische ataxie vallen om

115
Q

Wat is optische ataxie?

A

Aanwijsstoornis (vooral) in de visuele periferie: probleem in de correcte localisatie van visuele en proprioceptieve stimuli ten opzichte van datgene waarnaar gekeken wordt
-> tactiele en auditieve doelen worden wel goed aangewezen

116
Q

Wat is vestibulaire ataxie?

A

Duizeligheid en bewegingsstoornissen als gevolg van verstoorde informatie van het evenwichtsorgaan

117
Q

In welk deel van het visuele veld zijn de grootste problemen in optische ataxie?

A

Periferie
-> als stimuli in het centrale deel worden aangeboden, handelen patienten normaal

118
Q

Welke type ataxie is onderdeel van het Balint syndroom?

A

Optische ataxie

119
Q

Hoe kan je optische ataxie vaststellen?

A

Patient naar een fixatie punt laten kijken en stimuli in diens periferie tonen

120
Q

Welke 3 aspecten horen bij het Balint syndroom?

A
  1. Optische ataxie
  2. Simultaanagnosie
  3. Blikparese
    -> Patiënt heeft problemen met wijzen naar visuele doelen
121
Q

Wat is het probleem bij alien en anarchic hand syndrome?

A

Verstoord lichaamsbeeld; loss of agency

122
Q

Wat is het verschil tussen alien en anarchic hand syndroom?

A

Alien: onvrijwillige, autonome bewegingen van een hand
Anarchic: als de patient zich er bewust van is

123
Q

Wat zijn 3 symptomen van alien hand syndrome?

A
  1. Grijpreflex: vreemde hand grijpt automatisch objecten in de omgeving
  2. Intermanueel conflict: acties van de hand onder bewuste controle en vreemde hand zijn in conflict
  3. Spiegelbewegingen: problemen waar beide handen dezelfde beweging moeten uitvoeren
124
Q

Wat zijn de 3 soorten alien hand syndrome?

A
  1. Linkszijdige AHS
  2. Frontale AHS
  3. Posterieure AHS
125
Q

Wat is linkszijdige AHS? Waar is de laesie?

A

Laesie in corpus callosum
-> intentionele premotor centra in linker hemisfeer kunnen de lagere orde primaire motorcortex in de rechter hemisfeer niet meer aansturen

126
Q

Wat is frontale AHS? Waar is de laesie?

A

Laesie in de supplementary motor cortex (SMA)
-> grijpreflex en dwangmatige tactiele exploratie

127
Q

Wat is posterieure AHS? Waar is de laesie?

A

Subcorticale laesies (thalamus) en corticobasale gangliondegeneratie (CBGD)
-> Gevoel van vervreemding terwijl de hand zwevende of afwerende bewegingen maakt

128
Q

Bij welk soort AHS komt utilisatiegedrag veel voor en wat is dat?

A

Utilisatiegedrag = e.g. als je een pen ziet gelijk deze oppakken en mee schrijven
-> Frontale AHS

129
Q

Wat zijn motorische problemen in ADHD?

A

Problemen met timing + hyperactiviteit

130
Q

Wat zijn motorische problemen in OCD?

A

Motorische tics

131
Q

Wat zijn motorische problemen in autisme?

A

Vertraagd, houterig, tenen lopen

132
Q

Wat zijn motorische problemen in schizofrenie?

133
Q

Wat zijn motorische problemen in depressie?

A

Psychomotore vertraging