Lecture 2: Waarneming Flashcards

1
Q

Wat zijn 8 manieren om te bepalen wat een geschikt journal is om in te publiceren?

A
  1. Reputatie van het tijdschrift
  2. Doelgroep en scope
  3. Open access vs. traditioneel
  4. Peer-reviewproces
  5. Indexering en bibliometrische databases
  6. Duur van het publicatieproces
  7. Voorgaande publicaties
  8. Kosten en beschikbare financiering
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke type apraxie hoort bij dat je iets voordoet en mensen kunnen het niet nadoen?

A

Ideomotorische apraxie
(niet ideatoire apraxie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe presteert iemand met autisme op de WAIS blokkentest?

A

Vaak doen ze dit goed, omdat ze beter zijn in het waarnemen van detail

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe test je visueel-ruimtelijke functies?

A

WAIS blokkentest

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat meet de star cancellation taak en wat is het?

A

Neglect
-> Streep alle kleine sterren door

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat wilt het zeggen als iemand de linkerkant van de star cancellation taak niet invult?

A

Problematiek in rechter hersenhelft, waarschijnlijk neglect

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is posterieure corticale atrofie (PCA)?

A

Asymmetrisch corticaal degeneratie syndroom
-> Kan een atypisch begin zijn van Alzheimer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waar begint Alzheimer meestal in de hersenen?

A

Temporaal
-> PCA is als het occipitaal/parietaal meer is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Als je naar een koe kijkt, wat is dan bottom-up en top-down processing?

A

Top-down: je ziet gelijk dat het een koe is

Bottom-up: als je langer kijkt zijn de vlekken van de koe in de vorm van een wereldkaart

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke twee processen zijn belangrijk voor waarneming en wat is het verschil?

A

Bottom-up: zintuigelijke prikkels
-> ziet contrast/luminance
Top-down: aandacht, voorspellingen, voorkennis
-> integreert het geheel en maakte er iets van

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe is de sensorische cortex verdeeld in gebieden?

A

Gebieden zijn genummerd op basis van complexiteit:
- Primaire gebieden + secundaire gebieden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het verschil tussen primaire en secundaire sensorische gebieden?

A

Primair: verwerken 1 type zintuigelijke info

Secundair: verwerken complexere kenmerken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Met welke type perceptuele stoornissen houdt neuropsychologie zich bezig?

A

Alle stoornissen die niet gerelateerd zijn aan beschadigingen van de zintuigen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de 3 algemene neuro-anatomische onderdelen van sensorische systemen?

A
  1. Receptoren
  2. Synapsen in thalamus
  3. Corticale verwerking (primaire cortex en hogere-orde gebieden)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is het verschil in functie tussen receptoren en synapsen in de thalamus?

A

Receptoren: summatie + laterale inhibitie

Synapsen thalamus: poortfunctie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welk zintuig is het meest onderzocht?

A

Visie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Hoe hangt aandacht samen met waarneming?

A

Er zijn zoveel prikkels dat een mens een selectie moet maken welke prikkels een persoon echt waarneemt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat zijn 2 redenen waarom er veel aandacht is voor waarneming binnen KNP?

A
  1. Je wilt iets kunnen voorspellen over iemands problemen in een chronische fase na e.g. een beroerte. Sensorische problematiek blijkt goed te voorspellen
  2. Informatie is nodig om een behandelplan op te stellen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is een odds ratio? Wat betekent het als dit 5 is?

A

Kans dat je problemen hebt ten opzichte van niet

–> Kans is 5x zo groot dat je problemen hebt dan niet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Vrouw kon brief op de post doen maar wist niet wat het was. Welke baan is beschadigd?

A

Ventrale baan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Welke banen zijn respectievelijk betrokken bij wat/hoe?

A

Wat: ventrale baan
Hoe: dorsale baan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is het verschil tussen de object discrimination task en landmark task van Ungerleider? Waar is de schade als elk beschadigd is? Wat laat dit zien?

A

Object discr.: discrimineren tussen staafje en blokje om te weten waar de beloning is
-> Niet mogelijk als ventrale laesie

Landmark: afhankelijk van waar een object staat weet je waar de beloning is
-> Niet mogelijk als dorsale laesie

Laat een dubbele dissociatie zien!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is smooth pursuit en welk deel van de hersenen stuurt dit aan?

A

Het volgen van een bewegende stimulus met de ogen
-> Aparte dorsale baan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Welke 5 verwerkingsroutes zijn er al gevonden in de parietaalkwab?

A
  1. Aanwijzen
  2. Grijpen
  3. Bewustzijn van zelfbepaalde bewegingen
  4. Oogbewegingen: saccades
  5. Oogbewegingen: smooth pursuit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Waarom is het ventrale/dorsale baan idee niet echt houdbaar? (2)

A
  1. Er zijn meerdere verwerkingsroutes al gevonden in de dorsale route
  2. De dorsale en ventrale route hebben connecties en feedback loops, dus het onderscheiden in twee banen is wellicht te simpel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat zijn de 5 stappen van visuele perceptie?

A
  1. Licht valt in ogen en wordt door lens gebroken in een scherp beeld op het netvlies
  2. Staafjes en kegeltjes zetten het beeld om in elektrische pulsen
  3. Via ganglion cellen vertrekken de pulsen het oog in de oogzenuw
  4. Oogzenuwen komen samen in optisch chiasme en splitsen op zo’n manier dat alle info uit het rechter gezichtsveld naar linker hersenen gaat en andersom
  5. Grootste deel van oogzenuw eindigt in LGN, welke het doorstuurt naar de visuele cortex
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat zijn de 2 soorten ganglion/LGN cellen?

A
  1. Magnocellulair (M-cel) : groot receptief veld en geven info door over beweging
  2. Parvocellulair (P-cel) : klein receptief veld en geven info door over kleur
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat is de functie van de banen die vanaf de LGN niet naar de cortex gaan en waar gaat dat dan heen?

A
  1. Circadiaanse ritme
    -> Suprachiasmaticus (hypothalamus)
  2. Snelle oogbewegingen
    -> Superior colliculus + nucleus pulvinaris inferior
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Beschrijf de ventrale baan in de visuele cortex (welke regio’s)

A

V1 > V2/V3 -> V4/IT
= Wat-route: objectrepresentatie en herkennen van mensen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Beschrijf de dorsale baan in de visuele cortex (welke regio’s)

A

V1 > V2/V3 > V5/MT
= Waar/hoe-route: locatie, beweging en actie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat zijn 3 vormen van interactie tussen de ventrale en dorsale banen?

A
  1. Parallelle verwerking (hebben alleen hetzelfde eindgebied waar integratie plaatsvindt)
  2. Feedback loops (geven info van latere fasen aan eerdere gebieden)
  3. Directe anatomische verbindingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Wat is er nodig om complexe objectinteracties te doen?

A

Informatie van motoriek/locatie van de hand (dorsaal) + informatie over grootte en vorm van het object

-> Interactie tussen ventrale en dorsale banen is nodig!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Wat zijn de 5 gestalt principes?

A
  1. Nabijheid
  2. Gelijkenis
  3. Gemeenschappelijke beweging
  4. Goede voortzetting/continuiteit
  5. Afsluiting
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Wat zijn gestalt principes? Is dit vanuit bottomup of topdown?

A

Principes die gebruikt worden om kenmerken te groeperen

Topdown: kennis en eerdere ervaring

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Hoe werkt het figure ground principe?

A

Afhankelijk van waar je je aandacht legt kan je een andere figuur zien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat is het verschil tussen anopsie en agnosie?

A

Anopsie = visuele stoornis van lagere orde/primaire verwerking

Agnosie = visuele stoornis van hogere orde/buiten primaire visuele cortex (info integratie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Wat is gezichtsscherpte?

A

Maat voor de fijnste details die iemand kan onderscheiden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Wat is contrastgevoeligheid?

A

Het vermogen om verschillende intensiteiten van licht waar te nemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Welke twee randvoorwaarden voor visuele perceptie worden onderzocht in basaal oogheelkundig onderzoek?

A
  1. Gezichtsscherpte
  2. Contrastgevoeligheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Bij welke type schade treden visuele velddefecten op?

A

Beschadiging van visuele systeem tussen netvlies en V1
-> is geen cognitieve stoornis!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Wat is homonieme hemianopsie en waar is de schade?

A

Verlies van het gezichtsveld op in hetzelfde deel van beide gezichtsvelden (dus e.g. buitenste helften)
-> schade in optisch chiasme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Wat is het gevolg van schade in linkerhersenhelft voor visuele perceptie?

A

Blindheid voor het rechter deel van het visuele veld van beide ogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Wat is kwadrantanopsie?

A

Blindheid voor een specifiek kwadrant van het gezichtsveld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Wat is een scotoom?

A

Blindheid voor slechts een klein deel van het visuele halfveld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Visuele velddefecten worden veroorzaakt door schade … visuele info V1 heeft bereikt

A

VOORDAT

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Waarom is een visueel velddefect niet een cognitieve stoornis?

A

Omdat de schade nog is voordat het de visuele cortex echt bereikt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Hoe kan het dat 1/3e van de patienten met een gezichtsvelddefect visuele hallucinaties heeft?

A

Door verminderde neurale activiteit na de hersenbeschadiging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Hoe kunnen mensen met een gezichtsvelddefect alsnog ontbrekende info invullen?

A

Gebruik van eerdere kennis + oogbewegingen om het ontbrekende gebied te compenseren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Wanneer is iemand corticaal blind?

A

Complete blindheid voor zowel linker als rechter visuele veld door beschadiging van V1

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Wanneer komt blindsight vaak voor?

A

Bij schade aan V1, wat heeft geleid tot corticale blindheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Wat is blindsight?

A

Geen bewuste visuele ervaring in aangedane visuele veld, maar toch wel reacties kunnen hebben op stimuli in dat veld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Hoe blijkt dat mensen met blindsight toch nog kunnen ‘zien’?

A

Indien gevraagd kunnen mensen met blindsight boven kansniveau correct stimuli aanwijzen in het aangedane gezichtsveld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Kan blindsight nog verbeteren en op welke manier?

A

Ja –> zeker in een jong brein is er nog plasticiteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat is anosognosie en bij welk syndroom komt dit vaak voor?

A

Mensen zijn corticaal blind maar zijn ervan overtuigd dat ze kunnen zien

-> Syndroom van Anton

55
Q

Wat is palinopsie en wanneer komt het vaak voor?

A

Het ervaren van nabeelden: zien beelden die ze net hebben gezien opnieuw

-> Gebeurt bij mensen met een beroerte met visuele schade als gevolg

56
Q

Is niet aangeboren hersenletsel vaak unilateraal of bilateraal? Wat is het gevolg daarvan voor visuele stoornissen?

A

Unilateraal –> daardoor vaak visuele beperkingen in de helft van het gezichtsveld

57
Q

Hoe kan het dat unilaterale schade aan visuele waarneming vaak lang onopgemerkt blijven?

A

Omdat de intacte hemisfeer top-down processen gebruikt om te compenseren

58
Q

Wat is cerebrale achromatopsie en waar is de schade?

A

Het verlies van kleurwaarneming: patiënten zien de wereld in grijstinten
-> Schade in V4 (ventrale baan)

59
Q

Wanneer wordt cerebrale achromatopsie vaak niet opgemerkt?

A

Als de schade aan V4 alleen unilateraal is

60
Q

Wat is het verschil tussen cerebrale achromatopsie en erfelijke kleurenblindheid?

A

Cerebraal: schade aan cortex
Erfelijk: minder kegeltjes in netvlies

61
Q

Wat is dyschromatopsia?

A

Moeite met kleuren onderscheiden (vooral subtiele nuances)

62
Q

Wat is akinetopsie en waar is de schade?

A

Onvermogen om beweging waar te nemen: hebben stroboscopisch zicht
-> Bilaterale schade aan V5 (dorsale route)

63
Q

Wat is visuele agnosie? Welke twee hoofdtypes zijn er?

A

Onvermogen om objecten te herkennen op basis van visuele waarneming

  1. Apperceptieve visuele agnosie
  2. Associatieve visuele agnosie
64
Q

Wat is het verschil tussen apperceptieve en associatieve agnosie?

A

Apperceptief: verstoord visueel percept (interpretatie op visueel niveau)
-> Kunnen niet object herkennen & natekenen

Associatief: percept kan niet met betekenis geassocieerd worden (kennis van object in geheugen)
-> Kunnen niet object herkennen maar wel natekenen

65
Q

Hoe kunnen patiënten met apperceptieve of associatieve agnosie alsnog wel een object herkennen?

A

Op basis van een omschrijving (auditief) of het betasten (tactiel)

66
Q

Wat zijn 6 vormen van apperceptieve agnosie?

A
  1. Visuele vormagnosie
  2. Kleuragnosie
  3. Simultaanagnosie
  4. Topografische agnosie
  5. Alexie
  6. Prosopagnosie
67
Q

Wat is visuele vormagnosie?

A

Eenvoudige vormen niet kunnen herkennen/matchen/discrimineren/ natekenen

68
Q

Wat is kleuragnosie?

A

Kleuren kunnen waarnemen maar niet benoemen of associeren met iets

69
Q

Wat is het verschil tussen kleuragnosie en achromatopsie?

A

Kleuragnosie = kleuren kan je zien, maar niet benoemen

Achromatopsie = kan geen kleuren zien

70
Q

Wat is simultaanagnosie?

A

Waarneming van losse elementen is intact, maar gelijktijdig waarnemen van meerdere elementen niet
-> Kan nog wel dingen zien die standaard bij elkaar horen

71
Q

Wat is topografische agnosie?

A

Moeite met herkennen gebouwen/ landschappen

72
Q

Wat is alexie?

A

Probleem met lezen in afwezigheid van afasie of agrafie
-> Kan nog wel schrijven, maar begrijpt letters gewoon niet meer

73
Q

Wat is prosopagnosie?

A

Moeite met herkennen van gezichten

74
Q

Hoe kunnen mensen met prosopagnosie toch gezichten herkennen?

A

Aan stem, kleiding en andere contextuele cues

75
Q

Waar is de schade bij prosopagnosie?

A

Vaak bilateraal occipitaal-temporaal (FFA)

76
Q

Wat maakt het dat we twijfelen of prosopagnosie alleen voor gezichten is?

A

Omdat er ook bevindingen zijn dat boeren met prosopagnosie wel gezichten kan herkennen, maar niet eigen koeien en andersom of allebei niet kan herkennen

77
Q

Wat zijn de 3 criteria voor associatieve agnosie?

A
  1. Visuele herkenningsproblemen bij benoemen/categoriseren van objecten
  2. Herkenning in andere modaliteiten zijn intact
  3. Basale visuele functies zijn adequaat
78
Q

Wat zijn twee subtypes van associatieve agnosie?

A
  1. Multimodale agnosie
  2. Semantische agnosie
79
Q

Wat is multimodale agnosie?

A

Objecten of andere stimuli worden niet herkend in meerdere modaliteiten ondanks intacte sensorische functies

80
Q

Wat is semantische agnosie?

A

Stoornis in associatie tussen het object en semantische kennis daarover

81
Q

Waarom is associatieve agnosie een visuosperceptuele stoornis en niet een visuele stoornis?

A

Het is gerelateerd aan integratie van info en niet puur visueel (basisverwerking en verwerking van hogere orde zijn intact)

82
Q

Wat is optische ataxie? Waar is de schade?

A

Stoornis in handcoördinatie gebaseerd op visuele waarneming
-> schade inferieure pariëtale kwab + superieure occipitale cortex

83
Q

Wat is de relatie tussen optische ataxie en visuele vorm agnosie? Leg uit

A

Dubbele dissociatie –> ze beïnvloeden tegenovergestelde taken

Vorm agnosie: herkennen geen objecten maar kunnen wel handelingen uitvoeren

Optische ataxie: kunnen objecten herkennen maar niet handelingen uitvoeren

= bewijs voor wat baan vs. hoe/waar baan

84
Q

Welke 3 stoornissen zijn deel van Balint syndroom? Waar is de schade?

A

Combinatie van optische ataxie, oculaire apraxie (verlies controle intentionele oogbewegingen) en simultaanagnosie

Bilaterale laesies achterste pariëtale kwab

85
Q

Waar is meestal de problematiek gelocaliseerd in neglect?

A

Vaak rechter parietaalkwab beschadiging waarna de linkerhelft van de ruimte wordt verwaarloosd

86
Q

Waarom is neglect geen visuele of visuoperceptuele stoornis?

A

Het is een aandachtsstoornis: patiënt kan wel zien maar neemt info uit het linker gezichtsveld niet bewust waar. Daarnaast kan het ook auditieve en tactiele info beïnvloeden, dus niet alleen visueel

87
Q

Wat betekent het dat neglect supramodaal is?

A

Het kan auditieve en tactiele info beïnvloeden, dus niet alleen visueel

88
Q

Hoe wordt neglect vaak onderzocht?

A

Doorstreeptests (star cancellation), tekentests

89
Q

Als je een gezicht laat zien dat gemaakt is uit fruit. Wie kan het dan het beste herkennen: associatieve agnosie, apperceptieve agnosie of prosopagnosie?

A

Associatief: kan herkennen

-> Apperceptief: lukt niet
-> Prosopagnosie: waarschijnlijk niet

90
Q

Beschrijf het proces van auditieve waarneming in 5 stappen

A
  1. Trillingen van geluid bewegen het trommelvlies
  2. Het middenoor versterkt de trillingen en bereiken het ovale venster
  3. Het ovale venster beweegt vloeistoffen in slakkenhuis, waar haarcellen trillingen omzetten in elektrische pulsen
  4. Gehoorzenuw draagt signalen naar kernen in de hersenstam en middenhersenen
  5. Van de middenhersenen gaat het naar de auditieve cortex
91
Q

Wat is de organisatie van het slakkenhuis?

A

Haarcellen in het begin reageren op hoge frequenties, aan het einde op lage frequenties

92
Q

Hoe bepalen we de locatie van een geluid? (3)

A
  1. Het verschil in aankomsttijd tussen linker en rechter oor
  2. Het verschil in amplitude tussen linker en rechter oor
  3. Het verschil in frequenties
93
Q

Hoe wordt de hoogte van een geluid bepaald?

A

Frequentieanalyse van binnenkomende geluiden

94
Q

Hoe leren we het lokaliseren van het geluid? Waarom is dat niet aangeboren?

A

Deze relatie tussen positie van geluidsbron ten opzichte van je hoofd is voor iedereen anders, omdat iedereen een andere vorm van het oor en hoofd heeft

95
Q

Hoe kunnen we geluiden identificeren? (3)

A
  1. Geluiden van twee oren komen binnen door elkaar heen
  2. Geluiden worden gescheiden op basis van ruimtelijke locatie en frequentie
  3. Het hangt samen met de context
96
Q

Wat zijn de twee paden voor auditieve verwerking?

A
  1. Waar pad: bepalen waar geluidsbron is
    -> Pariëtale cortex + superieure frontale sulcus
  2. Wat pad: bepalen wat geluidbron is
    -> Frontale/temporale cortex
97
Q

Wat zijn auditieve stoornissen?

A

Auditieve beperkingen als gevolg van schade aan hersengebieden die betrokken zijn bij auditieve verwerking
-> dus niet schade aan buitenoor en slakkenhuis

98
Q

Wat is corticale doofheid? Waar is de schade?

A

Geen geluiden kunnen waarnemen terwijl er geen schade is aan slakkenhuis of middenoor
-> Schade aan temporale kwab bilateraal

99
Q

Wat is auditieve agnosie?

A

Moeite met herkennen van auditieve info (verbaal, muziek, geluiden)

100
Q

Wat voor gehoorproblemen kunnen ontstaan bij schade aan de linker temporale kwab?

A

Moeite met herkennen van omgevingsgeluiden, maar kunnen wel vertellen waar het vandaan komt
-> Auditieve agnosie

101
Q

Waarom moet de schade bilateraal zijn om corticaal doof te zijn? Waarom komt het zo weinig voor?

A

Er is veel meer bilaterale integratie bij auditieve waarneming (dan bij visuele waarneming)

Zeldzaam auditieve regio’s krijgen bloed van meerdere vaten, dus er zijn altijd nog wel andere routes

102
Q

Wat is amusia?

A

Geen muziek kunnen waarnemen

103
Q

Wat voor gehoorproblemen kan schade aan de pariëtale kwab en insula veroorzaken?

A

Stoornissen in lokaliseren van geluidsbronnen

104
Q

Wat voor gehoorproblemen kan schade aan de pariëtale, frontale en bovenste temporale gebieden veroorzaken?

A

Stoornissen in het waarnemen van auditieve beweging

105
Q

Wat is het verschil tussen inwendige en uitwendige lichaamszintuigen?

A

Inwendig: honger, dorst, lichaamstemperatuur

Uitwendig: tast, pijn, evenwicht, lichaamsbeweging, spierspanning, gewrichtspositie

106
Q

Wat is nociceptie?

A

Waarnemen van pijn

107
Q

Wat is de rol van het vestibulaire systeem?

A

Evenwichtsorgaan/balans/ beweging van het lichaam

108
Q

Wat is de rol van proprioceptie?

A

Spierkracht + gewrichtspositie waarnemen

109
Q

Welke 5 externe lichamelijke zintuigen zijn er?

A
  1. Druk op de huid (tast)
  2. Pijn (nociceptie)
  3. Temperatuur (thermoceptie)
  4. Balans/beweging lichaam (vestibulair systeem)
  5. Spierkracht/gewrichtspositie (proprioceptie)
110
Q

Worden signalen van lichamelijke waarneming contralateraal of ipsilateraal verwerkt?

A

Contralateraal

111
Q

Beschrijf in 5 stappen hoe het vestibulaire systeem werkt

A
  1. Hoofdrotatie of versnelling worden vertaald door haarcellen in het binnenoor naar neurale signalen
  2. Doorgegeven aan vestibulaire zenuw naar vestibulaire kernen in medulla en pons
  3. Dan naar de thalamus
  4. Komen uit in pariëtale insulaire vestibulaire cortex (PIVC), posterieure insulaire corex (PIC) en mediale superieure temporale gebied (MST)
  5. Wordt een representatie gemaakt van positie hoofd en lichaam en bewegingsrichting
112
Q

Wat wordt bedoelt met tactiele waarneming? (3)

A

Tastzin - thermoceptie en proprioceptie

113
Q

Wat is amorfagnosie?

A

Stoornis in waarneming van macrogeometrische kenmerken van objecten (grootte en vorm)

114
Q

Wat is ahylognosie?

A

Stoornis in het discrimineren van microgeometrische kenmerken (textuur, materiaal, hardheid, gewicht, temperatuur)

115
Q

Wat is tactiele agnosie? Hoe wordt het veroorzaakt?

A

Stoornis in herkenning van voorwerpen door aanraking

Veroorzaakt door een ontkoppeling tussen gebieden betrokken bij tactiele perceptie en multimodale integratie/semantisch geheugen

116
Q

Wat is tactiele apraxie? Waar is de schade?

A

Stoornis in het verkennen van kenmerken van objecten dmv specifieke handbewegingen
-> Schade aan frontale of pariëtale kwab (contralateraal)

117
Q

Waar is meestal de schade in vestibulaire stoornissen?

A

Unilaterale beschadiging van vestibulaire kernen in medulla/pons

118
Q

Wat zijn vestibulaire stoornissen?

A

Stoornis in integratie van vestibulaire signalen met andere zintuigen, wat hogere orde stoornissen kan veroorzaken (pusher syndroom)

119
Q

Wat is het Pusher syndroom?

A

Kanteling in lichaamspositie waarbij patiënt de kanteling probeert tegen te gaan door te duwen of leunen in de contralesionale richting

120
Q

Welke 6 smaken kunnen mensen onderscheiden?

A
  1. Zoet
  2. Zuur
  3. Zout
  4. Bitter
  5. Vet
  6. Umami
121
Q

Waar kunnen de smaken in eerste instantie worden waargenomen?

A

Op elk deel van de tong

122
Q

Hoe werk smaak perceptie? (3 stappen)

A
  1. Smaak wordt waargenomen op tong in gustatoire sensorische organen
  2. Smaakzenuw geeft signaal aan nucleus tractus solitarius in medulla
  3. Info gaat via pons en thalamus naar de insula
123
Q

Hoe werkt geurwaarneming? (3 stappen)

A
  1. Geurmoleculen bereiken reukepitheel in neus
  2. Reukstoffen worden omgezet in signalen en vervoerd naar reukzenuw
  3. Info gaat via bulbus olfactorius naar thalamus, hypocampus en overige limbische systeem
124
Q

Waarom is geur vaak geassocieerd met emoties en herinneringen?

A

Het eindigt in limbische systeem + hippocampus, wat belangrijk is voor emotie en herinneringen

125
Q

Waar is vaak schade bij smaakverlies?

A

Pons, medulla, thalamus

126
Q

Wat is de oorzaak van reukverlies? (2)

A
  1. Val op het achterhoofd waarbij cellen die reukepitheel met reukzenuw verbinden scheuren
    -> omdat prefrontale kwab beweegt ten opzichte van de schedel
  2. Laesie in bulbus olfactorius
127
Q

Wat moet je nog meer onderzoeken als iemand met smaakverlies aankomt en waarom?

A

Reukvermogen, omdat smaak voor een groot deel afhangt van geur

128
Q

Wat is het verschil tussen ageusie, hypogeusie, dysgeusie en gustatorische agnosie?

A

Ageusie = verlies van smaak

Hypogeusie = vermindering van smaak

Dysgeusie = verandering van smaak

Gustatorische agnosie = onvermogen om smaak te herkennen of benoemen

129
Q

Wat is het verschil tussen anosmia, hyposmia, fantosmie en agnosmie?

A

Anosmia = verlies van reuk

Hyposmia = verminderd reukvermogen

Fantosmie = geurhallucinaties

Agnosmie = onvermogen om geur te herkennen of benoemen

130
Q

Wat is multisensorische integratie?

A

Het vermogen van de hersenen om info van meerdere zintuigen te integreren

131
Q

Welke 2 principes helpen bepalen welke zintuigelijke input bij elkaar horen in multisensorische integratie?

A
  1. Ruimtelijke afstemming: als gebeurtenissen afkomen van dezelfde locatie, horen ze waarschijnlijk bij elkaar
  2. Temporele afstemming: als input ongeveer op hetzelfde moment wordt waargenomen, horen ze waarschijnlijk bij elkaar
132
Q

Schade aan welk hersengebied kan leiden tot problemen in multisensorische integratie van licht en geluid?

133
Q

Waar gebeurt het integreren van meerdere zintuigen?

A

In multisensorische hersengebieden (parietaal, temporaal, frontaal)