Lecture 4: Taal en Spraak Flashcards

1
Q

Wat zal er in de komende jaren gebeuren met de hoeveelheid mensen met taal en spraakstoornissen?

A

Zal toenemen vanwege de vergrijzing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn linguïstische modaliteiten? Noem 4 voorbeelden

A

Verschillende onderdelen van taal
-> E.g. productie, begrijpen, lezen en schrijven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke stroming in het begin van de 20e eeuw had een grote invloed op de huidige taalkunde? Welke vakgebieden zijn hierin gecombineerd?

A

Structuralisme (combinatie taalkunde en psychologie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Saussure was belangrijk in het structuralisme voor taal. Waarom?

A

Maakte als eerste het onderscheid tussen taal en spraak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is het verschil tussen taal en spraak volgens de Saussure?

A

Taal: bevat begrippen en klanken die een woord vormen, welke dan weer een symbool vormen

Spraak: geluidproductie, articulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is volgens de lecture het verschil tussen taal en spraak?

A

Taal: systeem van inhoud en betekenis

Spraak: fysieke productie van geluid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn phonemes? Noem een voorbeeld

A

Kleinste onderdelen van geluiden die onderscheiden kunnen worden
(k - at = kat)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn morphemes? Noem een voorbeeld

A

Kleinste deel dat een betekenis draagt en niet opgesplitst kan worden (e.g. book)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is syntax? Geef een voorbeeld

A

Regels en principes voor zinsconstructie
-> E.g. she go to store = she goes to the store

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is semantiek in taal? Noem een voorbeeld

A

Betekenis van woorden en zinnen
-> colorless green ideas sleep furiously –> grammatica is juist, maar betekenis slaat nergens op

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is pragmatiek in taal? Geef een voorbeeld

A

Relatie tussen taaluitingen en specifieke situaties/context
-> e.g. kijk naar context of iets sarcastisch of oprecht is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn 5 belangrijke linguistische concepten?

A
  1. Phoneme/fonologie
  2. Morpheme/morfologie
  3. Syntax
  4. Semantiek
  5. Pragmatiek
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waarom was structuralisme belangrijk voor taalkunde?

A

Er is een arbitraire relatie tussen concept en klank
-> Structuralisme had grote invloed op klankleer (fonologie) van het menselijk taalvermogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is fonologie?

A

Klanken van taal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn 3 componenten van fonologie?

A
  1. Fonologische woordvorm
  2. Morfologie
  3. Syntax
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is fonologische woordvorm? Geef een voorbeeld

A

Verschil van slechts 1 beginklank bepaalt de betekenis
-> Koe vs. moe

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is morfologie? Geef een voorbeeld

A

De vorm van woorden / woordstructuur
-> Enkelvoud vs. meervoudsvorm van woorden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is syntax? Geef een voorbeeld

A

Zinsstructuur: structuur van morfemen, woorden en zinnen
-> E.g. een werkwoord heeft een onderwerp nodig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Welke belangrijke stroming kwam na het structuralisme en wie was daarin een belangrijke persoon?

A

Generatieve taalkunde - Noam Chomsky

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Hoe breidde Chomsky de linguistiek uit?

A

Dacht dat taal (woorden en zinnen) bestaan uit diepe en oppervlaktestructuren
-> Morfologie = woordstructuur
-> Syntaxis = zinsstructuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is het verschil tussen oppervlakte en diepe structuren volgens Chomsky?

A

Oppervlakte: versies van zinnen die gezien/gehoord worden

Diepe: basis betekeniseenheden van een zin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat toont deze zinnen aan wat betreft oppervlakte/diepe structuur?

  1. Ik lust wel een taartje
  2. Dat taartje lust ik wel
A

De diepe structuur is hetzelfde, want betekenis is hetzelfde

De oppervlakte structuur is anders, omdat de woordvolgorde anders is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is de universele grammatica theorie van Chomsky?

A

Iedereen wordt geboren met universele grammatica voor iedere taal in de wereld
-> Door input worden bepaalde grammatica regels geactiveerd of gedeactiveerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is het verschil tussen SVO, VSO en SOV talen? Noem een voorbeeld van elk

A

S= subject
V= verb
O= object
-> woordvolgorde kan verschillen per taal

SVO = Nederlands
SOV = Japans
VSO = Arabisch

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat gaven tegenstanders van de universele grammatica theorie als kritiek en vanuit welke vakgebieden kwam dat vooral?

A

Dingen werden niet volledig verklaard, zoals hoe kinderen leren
-> Taal wordt steeds complexer in linguistische structuur als ze ouder worden, dus ze laten niet meteen de juiste grammaticale structuur zien

Kindertaalontwikkeling, evolutionaire/cognitieve wetenschappen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Welk bewijs laat zien dat grammatica regels niet aangeboren zijn? (2)

A
  1. De ontwikkeling van taal in kinderen laat zien dat grammatica in het begin niet goed is (of niet bestaand)
  2. Bij volwassenen met hersenschade kan taalstoornis voorkomen. Dat zou je niet verwachten als taal aangeboren zou zijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Wat zijn de 3 fases van taal ontwikkeling volgens grootschalige longitudinale corpusanalyses? In welke leeftijd vallen elk en geef een voorbeeld van elk

A
  1. Fase van 1 woord (10-14m)
    -> Eten
  2. Telegramstijlfase (1,5-2y)
    -> Dit eten
  3. Differentiatiefase (>2y)
    -> Ik lust appels
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat is het mentale lexicon? Aan welk type geheugen is dit sterk verbonden?

A

Mentale bibliotheek met bekende woorden en alles wat we weten over die woorden (e.g. klank)
-> Semantisch geheugen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat zijn lexicale eenheden/lemma’s?

A

Bekende woorden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wat voor twee typen korte zinnen zijn opgeslagen in het mentale lexicon?

A
  1. Zinnen die vaak voorkomen
  2. Zinnen die een stijlfiguur zijn (uitdrukking)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Hoeveel woorden heeft een gemiddelde volwassene in diens mentale lexicon?

A

30.000 woorden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Door welke 2 factoren wordt de snelheid van psycholinguistische processen beïnvloedt?

A
  1. Voorstellingsvermogen
  2. Woordfrequentie (hoe vaak je een woord gebruikt)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Wat zijn de 8 fases in de vroege ontwikkeling van taal in een kind?

A
  1. Reflexieve vocalisatie (0-6w) (cry, burp)
  2. Interactief geluid maken (6-19w) (cooing, laughing)
  3. Vocal play (18-35w) (exploration of sounds)
  4. Canonical babbling (35w-1y) (sound combinations)
  5. Complex/modulated babbling (10-15m) (sound combis with intonation)
  6. Referentie woorden (12-15m) (eerste woordjes)
  7. Combineren 2 woorden (18-24m) (boek daar)
  8. Combineren 3-4 woorden (>24m) (meer woorden maar moeite met onregelmatigheden in taal)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Wat is de vocabulaire groeispurt en wanneer is deze?

A

Grote toename in vocabulair vanaf 18 maanden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Wat zijn 4 fases in latere ontwikkeling van taal in kinderen?

A
  1. Vocabulaire groeispurt (>18m)
  2. Geavanceerde syntax (3-4y)
  3. Pragmatische taal (5-10y)
  4. Taal in context (>10y)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat gebeurt er in de geavanceerde syntax fase in taalontwikkeling?

A

Correct gebruik van onregelmatige woorden en het veranderen van woordvolgordes in zinnen (3-4y)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Wat is de pragmatische taal fase?

A

Verbeteringen in het begrijpen van emoties uit vocale hints (5-10y)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Wat is de taal in context fase?

A

Communicatiestijlen kunnen aanpassen voor verschillende publieken, waarbij de context wordt meegenomen en iemand gestructureerde verhalen kan vertellen (teenage years)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Wat is perceptual narrowing in taal?

A

Bij geboorte kunnen kinderen nog alle klanken van elke taal onderscheiden, maar na een bepaalde tijd verliezen ze deze vaardigheid en kunnen ze alleen nog maar klanken van de eigen taal onderscheiden = perceptual narrowing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Welke 2 dingen lieten taalstudies bij mensen die in een Roemeens weeshuis hebben gezeten (en later al dan niet geadopteerd zijn) zien?

A
  1. Taalontwikkeling is erg belangrijk in vroege ontwikkeling (30m)
  2. Latere interventies na de kritieke periodes kunnen nooit de taalproblemen volledig compenseren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Waarom waren er taalproblemen bij kinderen uit de Roemeense weeshuizen?

A

De omstandigheden waren zo slecht dat ze in hun kritieke ontwikkelingsfase geen goede blootstelling hadden aan de taal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Wat zijn 3 verschillen in taalontwikkeling tussen hoge en lage SES groepen?

A
  1. Woordblootstelling (high-SES veel meer)
  2. Communicatie lage SES meer eenzijdig/ instructief, hoge SES meer interactief
  3. Dialecten zetten lage SES op een grotere afstand dan hoge SES
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Hoe speelt dialect een rol bij verschillen tussen hoge en lage SES in taalvaardigheid?

A

Kinderen met een dialect moeten vaak de ‘echte’ taal later leren. Kinderen met hoge SES kunnen beter bij deze educatie komen dan kinderen met lage SES

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Wat is het verschil in communicatiestijlen tussen hoge en lage SES gezinnen?

A

Lage SES: minder bidirectioneel, dus minder input vanuit het kind

Hoge SES: interactiever, kind wordt meer gevraagd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Wat zijn 3 uitdagingen voor kinderen die meertalig worden opgevoed?

A
  1. Tragere taalontwikkeling
  2. Het wisselen tussen talen is verwarrend
  3. Minder vocabulair per taal (maar wel grotere vocabulair in totaal)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Wat zijn 3 voordelen van meertaligheid in kinderen?

A
  1. Grotere meta-linguistische bewustzijn
  2. Betere EF (wel twijfelachtig)
  3. Grotere bewustzijn van sociale en culturele verschillen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Wat is het verschil tussen 1talige en meertalige kinderen op de Stroop task?

A

Meertalige kinderen hebben minder inteferentie op de Stroop taak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Hoe is het semantische taalnetwerk georganiseerd in het brein?

A

Elk woord is gegroepeerd met woorden die tot dezelfde categorie horen wat betreft betekenis.
-> Dus als woorden verwant zijn aan elkaar/vaak samen gebruikt worden, zijn ze dicht bij elkaar in het brein

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Wat is het verschil tussen een grafeem en een foneem?

A

Foneem = klank: dezelfde letter kan verschillende klanken hebben, wat de betekenis van een woord kan veranderen. Het maakt dus uit in welke volgorde fonemen in een woord worden gebruikt (rat vs. kat)

Grafeem = letter (harde of zachte g: betekenis van woord verandert niet)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Wat zijn de morfemen in ‘kamer’ en ‘kamers’?

A

Kamer (1 betekenisvol ding)
Kamer-s (s geeft meervoud aan)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Waardoor kunnen sprekers ook vaak nieuwe woorden verzinnen en begrijpen?

A

Omdat sprekers impliciet en expliciet morfologische regels in hun taal kennen, waardoor ze nieuwe woorden kunnen maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Waar wordt informatie over syntax opgeslagen?

A

In het mentale lexicon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Met welk andere taalmodaliteit heeft pragmatiek een nauwe connectie? Geef een voorbeeld

A

Semantiek

Als 2 mensen in een kamer met een open raam zitten en een zegt ‘het is koud’, zal de ander dat koppelen aan het raam dichtdoen (semantiek + pragmatiek)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat is het doel van spreken en in welke 3 componenten is een complexe boodschap verdeeld?

A

Boodschap overbrengen

  1. Conceptualisator
  2. Formulator
  3. Articulator
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Wat is de rol van de conceptualisator?

A

De preverbale boodschap (bestaande uit niet-linguistische concepten) wordt voorbereid en verzonden naar formuleerder

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Wat is de rol van de formulator?

A

Grammaticale en fonologische info uit het mentale lexicon activeren mbv preverbale boodschap zodat interne spraak wordt gevormd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Wat is de rol van de articulatoren?

A

Interne spraak verkregen uit de formulator wordt gekoppeld aan bijbehorende fonemen
-> Discrete motorische activiteit die mensen uitvoeren met zeer gecoördineerde spieren met een precieze timing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Hoe controleren we onze spraak tijdens het praten?

A

Via interne representaties voordat ze naar de articulatoren worden gestuurd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

Wat is spoonerism? Geef een voorbeeld

A

Versprekingen waarbij klanken worden verwisseld (fonemen)
-> e.g. het zet geen doden aan de dijk vs. het zet geen zoden aan de dijk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
60
Q

Welke twee stappen slaan mensen die herhaaldelijk pa-ta-ka zeggen (waar dus geen concept voor bestaat)?

A

Conceptualisatie en grammaticale codering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
61
Q

Hoe kunnen luisteraars woorden herkennen van andermans spraak?

A

Door akoestische fluctuaties die een psycholinguistische betekenis geeft aan fonemen, lettergrepen en woorden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
62
Q

Hoe weten mensen de grenzen tussen gesproken woorden? (3)

A
  1. Pauzes
  2. Toonhoogte veranderingen
  3. Kennis van grammatica
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
63
Q

Hoeveel verschillende woorden kent iemand? Hoeveel fonemen maken deze op?

A

20.000-50.000 woorden
-> 42 fonemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
64
Q

Wat is het verschil tussen verkregen en ontwikkelingsstoornissen in spraak en taal?

A

verkregen: resultaat van een verwonding of ziekte

ontwikkeling: wordt duidelijk tijdens de ontwikkeling maar heeft onbekende oorzaak

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
65
Q

Wat is afasie?

A

Verlies van spraak, taalbegrip, lezen en/of schrijven –> geen stoornis maar een symptoom!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
66
Q

Wat voor invloed heeft de plaats van het hersenletsel op een taalstoornis?

A

Het bepaalt de ernst

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
67
Q

Wat is de meest voorkomende oorzaak van taalproblematiek?

A

Beroerte die de linkerhersenhelft heeft geraakt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
68
Q

Wat zijn 4 minder voorkomende oorzaken van afasie?

A
  1. Hersenletsel
  2. Infecties
  3. Hersentumoren
  4. Neurodegeneratieve ziektes
69
Q

Wat is het verschil in taalfunctie tussen de linker (3) en rechter (2) hersenhelft?

A

Links:
- Conceptualisatie
- Grammaticale codering
- Fonologische codering

Rechts:
- Prosodie
- Pragmatiek

70
Q

Wat zijn 3 grote categorieën aan taal/spraak stoornissen?

A
  1. Afasie
  2. Spraakstoornissen (dysartrie & spraakapraxie)
  3. Taalontwikkelingsstoornissen
71
Q

Wat zijn 2 type spraakstoornissen?

A
  1. Dysartrie (stoornis motorisch systeem)
  2. Spraakapraxie (stoornis in plannen van articulatoren, maar intact motorisch systeem)
72
Q

Wat zijn 4 kenmerken van Broca’s afasie?

A
  1. Niet vloeiend agrammatische taalproductie
  2. Moeite met woorden vinden
  3. Trage spraaksnelheid
  4. Goed taalbegrip
73
Q

Wat zijn 4 kenmerken van Wernicke’s afasie?

A
  1. Vloeiende spontane spraak
  2. Geen goede grammatica regels in zinnen + verlies van betekenis van woorden
  3. Neologismen (gebruik van bedachte woorden)
  4. Parafrasie: gebruik van minder specifieke of slecht gerelateerde woorden
74
Q

Wat zijn 4 kenmerken van conductie afasie/geleidingsafasie?

A
  1. Matige vloeiende productie
  2. Fonologische parafrasieën: vervangen van een woord met een woord dat vergelijkbaar klinkt
  3. Neologismen
  4. Vooral moeite met langen zinnen
75
Q

Wat is er neurologisch aan de hand in conductie afasie/geleidingsafasie?

A

Connecties tussen witte stof is verloren, waardoor het moeilijk is om hersengebieden te koppelen

76
Q

Welke 3 mensen waren belangrijk voor het classificeren van klassieke afasiesyndromen?

A

Broca, Wernicke en Lichtheim

77
Q

Wat zijn 6 klassieke afasiesyndromen?

A
  1. Broca afasie
  2. Wernicke afasie
  3. Anamnetische afasie
  4. Conductie afasie
  5. Transcorticale sensorische afasie
  6. Transcorticale motorische afasie
  7. Globale afasie
78
Q

Wat zijn 3 kenmerken van globale afasie?

A
  1. Taal productie en begrip beiden verstoord
  2. Productie van enkele woorden
  3. Stereotypische of automatische zinnen
79
Q

Welke afasie hoort bij de telegramstijl en wat betekent dat?

A

Broca afasie
-> Niet vloeiende, agrammatische taalproductie, weinig functiewoorden (voorzetsels, lidwoorden) en grammaticale morfemen (werkwoordvervoegingen)

80
Q

Met welke spraakstoornis komt Broca afasie vaak samen?

A

Dysartrie + traag spreektempo

81
Q

Wat is paragrammatisme en bij welke afasie komt het vaak voor?

A

Lange complexe zinnen met foutieve grammaticale markers en structuren
-> Wernicke afasie

82
Q

Wat zijn verbale parafasieën en bij welke afasie komen deze vaak voor? Welke drie parafasieën zijn er?

A

Veranderingen van woorden
- Semantisch: bus ipv auto
- Fonologisch: klankvervangingen, toevoegingen, weglatingen
- Irrelevant: boom ipv auto

Wernicke afasie

83
Q

Hoe gaat het woorden herhalen, hardop lezen en schrijven bij mensen met wernicke afasie?

A

Niet tot nauwelijks mogelijk

84
Q

Wat zijn neologismen?

A

Gebruik van zelfbedachte woorden

85
Q

Wat is parafrasie?

A

Het gebruik van minder specifieke of niet dichtbij gerelateerde woorden

86
Q

Wat is fonologische parafrasie?

A

Vervangen van een woord dat vergelijkbaar klinkt

87
Q

Welke afasie heeft vaak fonologische parafrasieën?

A

Conductie afasie / geleidingsafasie

88
Q

Wat is conduite d’approche en bij welke afasie komt dit voor?

A

Taalbegrip is intact waardoor men fouten probeert te corrigeren en dichterbij hun doelwoord proberen te komen
-> conductie afasie

89
Q

Wat is transcorticale sensorische afasie? Noem 4 kenmerken

A
  1. Taalbegrip is aangetast
  2. Vloeiende productie
  3. Parafrasieën/neologismen
  4. Herhaling van woorden is intact
90
Q

Wat is echolalie en bij welke afasie past dit?

A

Het alleen maar kunnen herhalen wat net is gezegd
-> Transcorticale sensorische afasie

91
Q

Wat zijn 4 kenmerken van transcorticale motorische afasie?

A
  1. Spontane taalproductie is niet vloeiend
  2. Intact taalbegrip
  3. Herhaling is intact
  4. Mogelijk om een passend doelwoord te krijgen via een draagzin (ik eet soep met een… (lepel))
92
Q

Wat zijn 4 kenmerken van amnestische afasie?

A
  1. Vloeiende taalproductie met woordvindingsproblemen
  2. Spontane spraak heeft aarzelingen, pauzes en beschrijvingen als het juiste woord niet gevonden kan worden
  3. Begrijpen van woorden, herhalen, voorlezen is intact
  4. Begrijpen van lange complexe zinnen is moeilijk
93
Q

Wat zijn circumlocutions en welke afasie past hierbij?

A

Aarzelingen, pauzes en beschrijvingen als het juiste woord niet kan worden gevonden
-> Amnestische afasie

94
Q

Wat zijn 4 kenmerken van globale afasie?

A
  1. Ernstige vorm met aantasting productie en taalbegrip
  2. Taalproductie zijn losse woorden, taalautomatismen
  3. Kunnen soms ja/nee zeggen
  4. Vaak in acute fase na een beroerte en kan overgaan in ander syndroom
95
Q

Welke afasie komt vaak voor in de acute fase na een beroerte? Hoe ontwikkelt het zich in de subacute/chronische fase?

A

Globale afasie
-> kan later overgaan in ander syndroom of hetzelfde blijven

96
Q

Waarom komen afasie en spraak/ articulatiestoornissen vaak samen voor?

A

Taalgebieden zitten dicht bij de motorische cortex

97
Q

Wat is dysartrie?

A

Motorisch verlies in mond/tong/gezichtsspieren wat leidt tot onduidelijke articulatie

98
Q

Hoe gelateraliseerd is dysartrie en waarom?

A

Kan worden veroorzaakt door verwondingen in beide hemisferen los van elkaar, omdat motorische functies bilateraal zijn vertegenwoordigd

99
Q

Wat is spraakapraxie?

A

Intacte articulatieorganen, maar controle/coordinatie van tong, mond en gezichtsspieren is aangetast

100
Q

Wat is verbale diadochokinese en welke stoornissen onderscheid deze?

A

Zo snel mogelijk reeksen lettergrepen herhalen (papapa, pataka)

  1. Dysartrie: patienten hebben moeite met beide
  2. Spraakapraxie: patienten zijn beter in dezelfde lettergrepen herhalen, hebben moeite met wisselend articulatiepatroon
101
Q

Welk type stoornis kenmerkt zich vaak door tasten naar geluiden en wat is dit?

A

De mond bewegen op zoek naar de juiste positie om een geluid te produceren
-> Spraakapraxie

102
Q

Hoe meet je het verschil tussen spraakapraxie en dysartrie?

A

Diadochokinese
-> Spraakapraxie: kan wel dezelfde lettergrepen herhalen maar niet verschillende. Dysartrie kan beide niet

103
Q

Wat is de meest ernstige vorm van afasie?

A

Globale afasie

104
Q

Beschrijf de dissociatie tussen verschillende zintuigelijke taalinputs

A

Dissociatie tussen auditieve (gesproken) en visuele (geschreven) inputroute

105
Q

Wat is het verschil tussen alexie en agrafie?

A

Alexie: beperking in lezen
Agrafie: beperking in schrijven

106
Q

Welke 4 domeinen kunnen alexie/agrafie aantasten? Leg uit

A
  1. Oppervlakkig: herkenning van woorden
  2. Fonologisch: lezen/schrijven van non-woorden
  3. Semantisch: vervangen van mening van een woord
  4. Aandacht: het noemen van letters
107
Q

Wat zijn de 4 stappen voor het analyseren van schrift en het voorlezen?

A
  1. Grafemen: individuele letters worden geanalyseerd
  2. Grafemen worden omgezet in abstract visueel input lexicon die orthografische vorm weergeeft
  3. Dit geeft toegang tot het semantische systeem: opslag van betekenis/grammatica
  4. Fonologische uitvoer lexicon: woord wordt uitgesproken
108
Q

Wat betekent het als een taal een regelmatige foneem-grafeemrelatie heeft? En onregelmatig? Geef een voorbeeld voor elk

A

Transparante spelling: er is maar 1 uitspraak voor een bepaalde grafeem -> Italiaans

Geen transparante spelling: veel variaties in de uitspraak voor een bepaalde grafeem -> Engels

109
Q

Hoe worden onbekende woorden uitgesproken? Beschrijf in 3 stappen

A
  1. Fonologische verwerking via foneem-grafeem conversie
  2. Verwerking op foneemniveau
  3. Woord wordt uitgesproken
110
Q

Hoe kunnen onbekende geschreven woorden uiteindelijk zonder problemen worden uitgesproken op termijn?

A

Onbekende woorden moeten eerst door een indirecte route voorgelezen worden. Na verloop van tijd kan men het goed uitspreken, omdat deze vorm direct beschikbaar komt via de visuele inputroute dankzij activatie in het mentale lexicon

111
Q

Wat is een andere benaming voor alexie?

112
Q

Wat zijn de 5 vormen van dyslexie/alexie/agrafie?

A
  1. Oppervlakkige
  2. Fonologische
  3. Diepe
  4. Verwaarlozings
  5. Aandachts
  6. Perifere
113
Q

Wat zijn 3 kenmerken van oppervlakkige dyslexie/alexie/agrafie?

A
  1. Onregelmatige geschreven woorden niet kunnen lezen of schrijven
  2. Regularisatiefouten: spreek uit zoals je het schrijft of schrijft zoals je het zegt
  3. Frequentie-effect: woorden die vaker voorkomen worden makkelijker gelezen/geschreven
114
Q

Wat zijn regularisatiefouten en bij welke stoornissen komt dit voor?

A

Woord uitspreken zoals je het schrijft of woord schrijven zoals je het uitspreekt

-> Oppervlakkige dyslexie/alexie/agrafie

115
Q

Wat zijn 2 kenmerken van fonologische dyslexie/alexie/agrafie?

A
  1. Niet-bestaande woorden kunnen niet gelezen/geschreven woorden
  2. Moeite om nieuwe bestaande woorden te lezen/schrijven
116
Q

Wat is het frequentie effect en bij welke dyslexie/alexie/agrafie treedt dit op?

A

Woorden die vaker voorkomen worden makkelijker gelezen of geschreven dan woorden die minder vaak voorkomen

-> Oppervlakkige dyslexie/alexie/agrafie

117
Q

Wat is een kenmerk van diepe dyslexie/alexie/agrafie?

A

Semantische paralexieën: semantische fouten bij voorlezen of schrijven

118
Q

Wat zijn semantische paralexieën en welke dyslexie/alexie/agrafie? Geef een voorbeeld

A

Semantische fouten bij het voorlezen of schrijven
-> Diepe dyslexie/alexie/agrafie
-> E.g. tijger zeggen/schrijven ipv leeuw

119
Q

Wat zijn 2 kenmerken van perifere dyslexie/alexie/agrafie?

A
  1. Substituties/toevoegingen/ weglatingen op foneem/grafeem niveau
  2. Lengte-effect: lange woorden zijn moeilijker dan korte
120
Q

Wat is het lengte-effect en welke dyslexie/alexie/agrafie?

A

Lange woorden zijn lastiger dan korte woorden
-> Perifere dyslexie/alexie/agrafie

121
Q

Wat is een verwaarlozingsdyslexie/ neglectdyslexie?

A

Stoornis in de identificatie van grafemen aan het begin of einde van het woord

122
Q

Wat is aandachtsdyslexie?

A

Beperking in het benoemen van afzonderlijke letters, vooral in combinatie met andere letters

123
Q

Wat is cognitieve communicatie stoornis?

A

Spraak/taalproblemen die voortkomen uit cognitieve problemen

124
Q

Wat zijn 5 problemen bij cognitieve communicatie stoornis?

A
  1. Pragmatische taal
  2. Organiseren van gedachten
  3. Aandacht houden tijdens een gesprek
  4. Herinneren van info
  5. Emotieregulatie
125
Q

Wat is taalontwikkelingsstoornis/ developmental language disorder (DLD)? (4)

A
  1. Ernstige taalproblemen die interfereren met communicatie
  2. Problemen gaan niet weg over tijd
  3. Niet verklaard door genetische stoornis, autisme of hersenletsel
  4. Verschillende delen van taal kunnen zijn aangetast
126
Q

Wat is de link tussen intelligentie en dyslexie/dysgrafie?

A

Het is niet gelinkt aan intelligentie: intelligente mensen kunnen alsnog deze stoornis hebben

127
Q

Wat is selectieve mutisme (selective mutism)? (3)

A
  1. Complexe angststoornis in kindertijd
  2. Kind kan niet praten in bepaalde situaties, tenzij ze comfortabel en veilig voelen
  3. Oorzaken zijn niet duidelijk
128
Q

Hoe kan je het beste spraak en taal testen?

A

Gebruik een combinatie van observatie en meerdere gestandaardiseerde tests

129
Q

Welke 4 aspecten worden vooral getest in spraak en taal?

A
  1. Fonologie
  2. Morfologie/syntax
  3. Semantiek
  4. Pragmatiek
130
Q

Wat zijn 3 onderdelen van spraak en taal therapie (Speech and language therapy (SLT)?

A
  1. Psycho-educatie
  2. Oefeningen
  3. Gebruik van technologie
131
Q

Wat is cognitieve communicatie therapie? Voor welke doelgroep gebruik je dat?

A

Therapie die focust op het verbeteren van cognitieve communicatie vaardigheden

-> Gebruikt in beroertes, TBI en neurodegeneratieve ziektes wanneer de communicatieproblemen vooral een cognitieve oorzaak lijkt te hebben

132
Q

Wat zijn 3 belangrijke therapieën voor taal/spraak?

A
  1. Spraak en taal therapie (SLT)
  2. Cognitieve communicatie therapie
  3. Augmented and alternative communication
133
Q

Wat is het nadeel van de classificatie van de klassieke afasiesyndromen? Welk model kunnen we als alternatief gebruiken?

A

In de praktijk is er vaker gemengde afasie en nauwelijks de zuivere vormen

Gebruik taalverwerkingsmodel

134
Q

Waar kan het taalverwerkingsmodel inzicht in geven?

A

Het model kan aparte in en uitvoerroutes en modules beschrijven die elk afzonderlijk verstoord kunnen worden
-> Zo kan men het linguistisch functioneren van een patient goed begrijpen

135
Q

Welke 4 modaliteiten beschrijft het cognitieve linguistische model van Ellis en Young?

A
  1. Auditief begrip
  2. Schriftelijk begrip
  3. Gesproken productie
  4. Schriftelijke productie
136
Q

Patient A hoort het woord ‘hond’. Uit een set van afbeeldingen kiest ze de juiste. Het woord nazeggen lukt niet.

Patient B hoort het woord ‘hond’. Uit set van afbeeldingen wijst ze de verkeerde aan. Het woord nazeggen lukt wel.

Wat kunnen we hieruit concluderen?

A

Patienten los van elkaar laten zien dat er een dissociatie is: er bestaan aparte modules voor taal

Patienten samen laten zien dat er een dubbele dissociatie is: bewijs voor aparte mechanismen voor aparte taalvaardigheden

137
Q

Hoe kunnen we spontane vloeiende spraak hebben? Beschrijf in 3 stappen

A
  1. Gedachten worden vertaald naar geformuleerde boodschappen
  2. Boodschappen worden gestructureerd in syntactische kaders
  3. Fonologische codering die zorgt voor goede articulatie
138
Q

Wat is de rol van fonologische codering?

A

Zorgt voor goede articulatie van een woord/zin, waardoor het er vloeiend uit kan komen

139
Q

Welk mechanisme spreekt woorden en zinnen uit?

A

Fonologisch outputlexicon

140
Q

Wat is de rol van het abstract visueel inputlexicon?

A

Het maken van een orthografische representatie van schrift. Deze wordt dan gelinkt aan het semantisch systeem om er een betekenis aan te koppelen

141
Q

Wat is dynamische afasie? (2)

A
  1. Moeite met spraakinitiatie
  2. Taalbegrip, naamgeving, imitatie zijn intact
142
Q

Wat zijn 3 ideeën waar het defect in dynamische afasie is?

A
  1. Defect is transitioneel niveau: vertalen van innerlijke spraak naar zin
  2. Executieve functie stoornis
  3. Combinatie taal/EF stoornis
143
Q

Wat zijn 4 hardnekkige klachten bij lichte afasie?

A
  1. Minder vlotte deelname aan groepsgesprek
  2. Niet goed onderwerp houden na onderbreking
  3. Moeite met nuances uitdrukken, leidend tot misverstanden
  4. Moeilijkheid om ondertitels te lezen
144
Q

Wat gebeurt bij ongeveer de helft van de mensen die afasie ontwikkelen? En de andere helft?

A

-> Matige tot ernstige taalproblemen blijven ontstaan met gemengde symptomen
-> Helft: Spontaan herstel met soms licht afwijkende taalproductie -> lichte afasie

145
Q

Hoe kan lichte afasie worden getest?

A
  1. Ondervraging
  2. Spontane spraakanalyses
  3. Niet-linguistische testen doen om cognitieve stoornissen uit te sluiten

-> Bestaande afasietests zijn meestal niet gevoelig genoeg om deze beperkingen te detecteren

146
Q

Bij welke groep komt milde afasie het meest voor? En welke 2 andere?

A

Meest bij langzaam groeiende hersentumoren

Anders beroertes of begin neurodegeneratieve ziekte (PPA)

147
Q

Wat is de symmetriewet van Bichat?

A

Het idee dat beide hersenhelften anatomisch en functioneel symmetrisch waren

148
Q

Wie waren de eerste twee wetenschappers die zeiden dat taal meer links gelateraliseerd is?

A

Broca en Wernicke

149
Q

Wat stelde Wernicke voor dat de relatie was tussen de Broca en Wernicke gebieden? Waar liggen deze?

A

Verbonden door reflexboog
-> schade aan frontaal leidt tot spraakstoornissen, schade temporaalkwab leidt tot begripsproblemen

150
Q

Wat zijn de 5 gebieden van het perisylvisch netwerk?

A
  1. Broca gebied
  2. Wernicke gebied
  3. Delen van auditieve en motorische schors
  4. Witte stof banen die deze regio’s verbinden
  5. Alles rond de sylvian fissure
151
Q

Welke witte stof baan is het meest belangrijk voor het taalnetwerk in de hersenen?

A

Arcuate Fasciculus (AF)

152
Q

Welke 5 witte stof banen zijn belangrijk voor taal?

A
  1. Arcuate Fasciculus (AF)
  2. Superior longitudinal fasciculus (SLF)
  3. Inferior longitudinal fasciculus (ILF)
  4. Inferior fronto-occipital fasciculus (IFOF)
  5. Uncinate fasciculus (UF)
153
Q

Wat is het gevolg van schade aan Broca’s gebied?

A

Spraakstoornissen/productie

154
Q

Wat is het gevolg van schade aan Wernicke gebied?

A

Begripsproblemen

155
Q

Wat gebeurt er bij schade aan de witte stof gebieden tussen Wernicke en Broca gebieden?

A

Problemen met herhalen

156
Q

Wat was het belang van het Wernicke-Lichtheim schema?

A

Het vormde de basis voor de verschillende afasiesyndromen en heeft functionele neuroanatomie van taal flink beïnvloed

157
Q

Welke 3 aspecten staan weergegeven in het Wernicke-Lichtheim schema?

A
  1. Letsel aan Broca’s gebied zorgt voor taalproductie problemen (Broca afasie)
  2. Letsel aan Wernicke’s gebied zorgt voor taalbegrip problemen (Wernicke afasie)
  3. Letsel aan Arcuatus Fasciculus zorgt voor conductie afasie
158
Q

Wat is een kritiekpunt op het Lichtheim-Wernicke model en wat wordt nog steeds meegenomen uit dit model?

A

Te simplistisch, maar nemen wel aan dat er links-hemisferische taaldominantie is

159
Q

Waarom is het misschien niet goed om in literatuur Broca en Wernicke gebieden zo te noemen? Hoe moet je het dan formuleren?

A

Omdat het niet duidelijk is hoe groot en waar de gebieden precies zijn

-> Formuleer met goed gedefinieerde anatomische structuren (e.g. gyri)

160
Q

Hoe zijn de basale ganglia en cerebellum betrokken bij spraakproductie?

A

Snelle coordinatie tussen spieren om spraak te produceren

161
Q

Waar zijn de hippocampus en bepaalde representaties in de cortex belangrijk voor?

A

Het begrijpen van taal door toegang tot concepten in het langetermijn geheugen

162
Q

Welke anatomische defecten zijn voorspellend voor aanhoudende taalstoornissen?

A

Subcorticale laesies in de witte stof banen bij de linker inferieure frontale gyrus

-> Dus niet laesies aan de grijze stof zelf

163
Q

Waar is het letsel bij chronische afasie?

A

Posterieure deel van linker temporaalkwab

164
Q

Welke 3 methodes zijn gebruikt in functionele neuroanatomische studies om regio’s voor taalproductie en taalbegrip in kaart te brengen?

A
  1. Elektro encefalografie
  2. TMS
  3. Directe elektrische cortico-subcorticale stimulatie (DEs)
165
Q

Welke techniek heeft het meeste bijgedragen aan de huidige kennis over taal en hersenlocaties?

A

Directe elektrische cortico-subcorticale stimulatie (DEs)

166
Q

Wat is het Dual Stream model?

A

Ventrale regio’s: voor waarnemen en begrijpen

Dorsale regio’s: voor spraakproductie

167
Q

Welke 3 hersengebieden zijn volgens de dual stream model betrokken bij spraakproductie?

A

Wernicke + Broca + Motor

168
Q

Wat is de lateralisatie van het ventrale en dorsale pad in het dual stream model?

A

Ventraal: bilateraal
Dorsaal: links lateraal