Lecture 3: Attention & Executive function Flashcards

1
Q

What is the difference between bottom-up and top-down? Give 3 characteristics of each

A

Bottom-up:
- Stimulus-driven
- Automatic
- Effortless

Top-down:
- Self-determined
- Intentional
- Requires effort

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het verschil tussen het passieve en actieve proces van aandacht?

A

Passief: aandacht wordt getrokken omdat er een fysiologische staat van alertheid wordt gehandhaafd

Actief: aandacht kan gericht worden dmv een selectief proces dat relevante van niet-relevante info scheidt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Met welk type aandacht overlappen executieve functies en waar overlapt het precies mee?

A

Selectieve aandacht
-> Wat aandacht krijgt wordt besloten door de executieve functies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is selectieve aandacht?

A

Het focussen op specifieke info in de omgeving terwijl je andere dingen negeert
= filter –> beslist wat wordt opgemerkt en wat niet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Noem 2 voorbeelden van selectieve aandacht

A
  1. Naar een gesprek luisteren in een drukke ruimte
  2. Een boek lezen in een druk café
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is de volgorde van informatieverwerking die vaak gebruikt wordt in aandachtstheorieën (zoals Sternberg)? (2 stappen)

A
  1. Info via de zintuigen wordt gecodeerd en dan vergeleken met al opgeslagen info in het geheugen.
  2. Op basis hiervan wordt besloten tot een reactie welke dan wordt uitgevoerd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is intensiteit in aandacht?

A

Alertheid die van belang is bij efficiënte info verwerking
-> het is de ontvankelijkheid van het centrale zenuwstelsel voor stimulatie en de fluctuaties hierin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke twee factoren zijn belangrijk voor efficiënte informatieverwerking?

A
  1. Selectiviteit: uitfilteren van relevante info
  2. Intensiteit: alertheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is gerichte aandacht?

A

Actief richten op 1 info bron of 1 aspect van een stimulus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is verdeelde aandacht (divided attention)?

A

Het actief gelijktijdig volgen van verschillende info bronnen of taken en/of het uitvoeren van meerdere taken op hetzelfde moment

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waar hangt de interference van divided attention vanaf? (2) Geef een voorbeeld

A
  1. Gelijkenis van de taken
  2. Hoe automatisch de taken gaan

Het lezen van een boek terwijl je naar een audioboek luistert is moeilijk, omdat je daarvoor dezelfde verwerking nodig hebt
-> Luisteren naar een audioboek als je de afwas doet gaat veel makkelijker

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is de invloed van het hebben van verdeelde aandacht (divided attention) op het presteren op die taken?

A

Als je meerdere taken combineert, presteer je op deze taken slechter

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waarom moet alertheid (intensiteit) van aandacht worden onderhouden?

A

Zo zorg je dat aandacht naar een info bron getrokken kan worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de twee typen alertheid?

A
  1. Fasische alertheid
  2. Tonische alertheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is fasische alertheid? Geef een voorbeeld

A

Korte termijn fluctuaties die bepaald of opgeroepen worden door stimuli uit de omgeving of eisen die een taak stelt

E.g. schrikreactie bij een hard geluid of extra opletten in een drukke verkeerssituatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is tonische alertheid? Geef een voorbeeld

A

Biologische fluctuaties over langere perioden die vanuit het organisme worden bepaald ipv de situatie. Het is gerelateerd aan het circadiaanse ritme

E.g. postlunchdip na het middageten of verslapte aandacht na een lange studeersessie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is volgehouden aandacht (sustained attention)?

A

Het actief richten of verdelen van aandacht over langere perioden
-> Wordt moeilijker met hoe langer het duurt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Waarom wordt het moeilijker om volgehouden aandacht (sustained attention) te hebben gedurende een langere periode?

A
  1. Resource depletion: uitputting van bronnen
  2. Opportunity cost: we proberen altijd onze kansen te maximaliseren maar gedurende de tijd overweegt het brein om andere dingen te doen die meer kansen op beloning geven
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is het time-on-task effect?

A

Het langdurig volhouden van taken terwijl er sprake is van vermoeidheid. Dan verslechtert de taakprestatie en men gaat meer fouten maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is een voorbeeld van volgehouden aandacht (sustained attention)?

A

Aandacht langdurig richten op een monotone taak waarin weinig gebeurt of bv. waakzaamheidstaken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Waarom is er meer steun voor het idee van opportunity cost in sustained attention dan voor resource depletion?

A

Er is nooit een punt waar je hersenen stoppen met het kunnen van een taak –> dus geen resource depletion

Opportunity cost is interessanter, omdat er geen vermoeidheidseffect is als je wisselt tussen taken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is het wisselen van aandacht (attention switching) en hoe hangt dat samen met de prestatie op een taak?

A

Het wisselen van aandacht tussen verschillende taken
-> Prestatie is minder na het wisselen van taak = switching cost. Hierdoor voel je je sneller vermoeid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Geef een voorbeeld van attention switching

A

Tijdens college op je telefoon zitten. Je wisselt je aandacht tussen je telefoon en het college

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is het verschil tussen verdeelde aandacht (divided attention) en attention switching?

A

Divided attention: je doet meerdere dingen tegelijk
Attention switching: je wisselt aandacht compleet af tussen taken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat is switching cost in aandacht?

A

Het kost tijd en energie om van taken steeds te wisselen. Bij het vaak wisselen van aandacht tussen taken ben je sneller vermoeid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat drijft de alertheid (intensiteit van aandacht)?

A

Onze fysiologie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Is fasische alertheid meer top-down of bottom-up?

A

Bottom-up (want dit is een kort en automatisch geactiveerd door stimuli)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Welke aandachtssystemen worden voorgesteld in de Theorie van Attention Networks (Corbetta/ Schulman)?

A
  1. Bottom-up (automatisch, kort, externe stimuli)
  2. Top-down (vrijwillig, selectief, gekoppeld aan executieve functies)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wanneer is top-down aandacht nodig volgens Corbetta en Schulman?

A

In situaties die selectie vragen en waar bekend is op welke kenmerken gelet moet worden. Dit is gekoppeld aan executieve functies (executieve controle)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Posner en Petersen onderscheiden 3 functionele aandachtsnetwerken. Welke?

A
  1. Vigilantie/ Waakzaamheidsnetwerk: verantwoordelijk voor alertheid
  2. Posterior aandachtsnetwerk: richt visuospatiële aandacht op de buitenwereld
  3. Anterior aandachtsnetwerk: detecteerd actief en selectief informatie en buffert tegen afleiding + wijst aandacht toe tijdens multitasken (executieve functie)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Welk netwerk van aandacht van Posner en Petersen heeft een executieve functie?

A

Anterior aandachtsnetwerk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Wat is de mentale schema theorie van Norman en Shallice? Tussen welke twee situaties wordt onderscheid gemaakt in de selectie van schema’s en hoe wordt dat gecontroleerd?

A

Een model waarin wordt aangenomen dat alle gedachten en handelingen gebaseerd zijn op de activering van mentale schema’s

  1. Routinematige situaties
  2. Niet-routinematige situaties
    -> Gecontroleerd door een controlerend aandachtsmechanisme
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Welke aandachtstype is transient?

A

Bottom-up

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Wat zijn routinematige/automatische situaties? (4)

A
  • Geen bewuste aandacht nodig
  • Kunnen gelijktijdig worden uitgevoerd
  • Externe stimuli worden geregistreerd door zintuiglijke systemen die schema’s voor routinematige acties activeren
  • Contention scheduling (CS) kiest het sterkste schema
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Wat is contention scheduling?

A

Het mechanisme dat kiest voor het sterkste schema in een routinematige situatie, wat leidt tot een automatische actie
-> kan geen oplossing vinden bij niet-routinematige handelingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Wat zijn niet-routinematige handelingen? (3)

A
  • Bewuste aandacht is vereist
  • Externe stimuli activeren routinematige handelingen, maar contention scheduling kan geen automatische oplossing vinden
  • Superviserende aandachtssysteem van hogere orde (SAS) wordt geactiveerd en regelt het verder
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Hoe werkt het superviserende aandachtsysteem? Beschrijf in 4 stappen

A

Belangrijk voor niet-routinematige handelingen

  1. Contention scheduling kan geen automatische oplossing vinden
  2. Activatie superviserende aandachtssysteem (SAS)
  3. SAS remt selectie van routineschema’s en schakelt naar executieve functies
  4. Nieuwe doelen worden gesteld en onderhouden in werkgeheugen, dan gemonitord en bijgewerkt wanneer nodig
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
38
Q

Wie bedachten de mentale schematheorie?

A

Norman & Shallice

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
39
Q

Bij welk type situaties horen contention scheduling (CS) en het superviserend aandachtssysteem (SAS)?

A

CS: routinematige situaties
SAS: niet-routinematige situaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
40
Q

Wat zijn de 3 grootste functies van het superviserende aandachtssysteem (SAS)?

A
  1. Inhibitie (van routineschema’s)
  2. Updaten (van werkgeheugen)
  3. Monitoren (van werkgeheugen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
41
Q

Wat is de link tussen aandacht en executieve functies het multimodale werkgeheugenmodel van Baddeley en Hitch?

A

Aandacht controleert menselijk taakgedrag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
42
Q

Wat zijn de 3 werkgeheugenonderdelen volgens Baddeley en Hitch?

A
  1. Fonologische lus
  2. Visuospatieel schetsblok
  3. Centrale executieve
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
43
Q

Wat is de fonologische lus (Baddeley & Hitch)?

A

Houdt verbale info in het werkgeheugen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
44
Q

Wat is het visuospatiaal schetsblok? (Baddeley & Hitch)

A

Behoudt visuele en ruimtelijke info in het werkgeheugen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
45
Q

Wat is de centrale executieve (Baddeley&Hitch)?

A

Houdt toezicht op fonologische lus en visuospatiaal schetsblok & beheert en reguleert cognitieve processen (vergelijkbaar met SAS van Norman & Shallice)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
46
Q

Welk model stelden Baddeley & Hitch voor?

A

Multimodaal werkgeheugen model met fonologische lus, visuospatiaal schetsblok en centrale executieve

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
47
Q

Hoe noemen Baddeley en Hitch de superviserende aandachtssystemen van Norman & Shallice?

A

Centrale executieve

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
48
Q

Wat zijn visual search tasks? Op welke 3 manieren kan je hierin varieren?

A

Deelnemers moeten een target vinden tussen afleidingen

Variëren met:
1. Bottom-up vs. top-down
2. Moeilijkheid: gelijkenis tussen target en afleidingen vergroten of verkleinen
3. Natuurlijke of kunstmatige scenes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
49
Q

Wat is het nadeel van het gebruik van natuurlijke scenes in visual search tasks?

A

Minder experimentele controle

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
50
Q

Wat meet de Stroop task en waarom?

A

Selectieve aandacht: ze hoeven maar aandacht te geven aan een onderdeel van de stimulus en andere onderdelen moeten worden genegeerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
51
Q

Waarom is er inteferentie bij de meeste mensen in de Stroop task?

A

Omdat automatische verwerking interfereert met de prestatie
-> Mensen lezen automatisch een woord maar moeten dus alleen kleur benoemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
52
Q

Hoe wordt de capaciteit van selectieve aandacht gedefinieerd in de Stroop task?

A

Het verschil in reactietijd tussen congruente en niet-congruente stimuli

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
53
Q

Wat is de sustained attention to response task (SART)?

A

Verschillende nummers worden getoond met tussendoor masks. Deelnemers moeten drukken als ze bv. het getal 1 zien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
54
Q

Wat meet de sustained attention to response task en waarom?

A

Volgehouden aandacht (mbv reactietijd), omdat mensen hun aandacht moeten houden op het fixatiepunt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
55
Q

Wat is het verschil tussen een commissie fout en omissie fout in bijvoorbeeld de SART?

A

Commissie = valse positieve (je drukt op de knop wanneer je dat niet had moeten doen)

Omissie = valse negatieve (je drukt niet terwijl je dat had moeten doen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
56
Q

Welke 3 aspecten van aandacht meet de aandachtsnetwerk test (attentional network test)?

A
  1. Alertheid
  2. Oriëntatie
  3. Executieve controle
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
57
Q

Wat zijn 4 belangrijke tests om aandacht te meten?

A
  1. Visual search tasks
  2. Stroop task
  3. SART
  4. Attentional network test
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
58
Q

Welke taak lijkt veel op de waar is wally puzzels?

A

Visual search tasks

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
59
Q

Wat zijn 3 manieren om te weten of een psychologisch construct bestaat?

A
  1. Dubbele dissociaties
  2. Kijken naar ontwikkeling (als dingen op hetzelfde moment ontwikkelen, is het hetzelfde proces)
  3. Kijken naar individuele verschillen (als iedereen goed is in een taak, weten we dat ze dezelfde processen gebruiken)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
60
Q

Wat maken executieve functies mogelijk?

A
  1. Intentioneel & adaptief gedrag
  2. Nieuwe complexe taken aanpakken
  3. Zelfstandig functioneren in dagelijks leven
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
61
Q

Voor wat voor situaties heb je executief functioneren nodig?

A

Ongestructureerde niet-routinematige situaties, waarin een persoon zelf structuur aan moet brengen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
62
Q

Welke term introduceerde Luria om executieve functies mee te beschrijven en wat bedoelde hij?

A

Hogere corticale functie: mensen sturen actief en intentioneel hun gedrag en interacteren met hun omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
63
Q

Wie introduceerde de term executieve functies en hoe is dat gebeurd?

A

Lezak: na observaties van patiënten die goed presteerden op tests maar geen structuur konden aanbrengen in hun leven, maar dat andere patiënten met beperkingen in cognitieve functies wel in staat waren om structuur aan te brengen in hun dagelijks leven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
64
Q

Welk onderscheid maakte Lezak wat betreft executieve functies?

A

Cognitieve functies (geheugen, taal, waarneming) en executieve functies van een hogere orde (sturen cognitieve functies aan)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
65
Q

Welke functies horen bij wat/hoeveel en welke bij hoe/of volgens Lezak?

A

Wat/hoeveel: cognitieve functies
Hoe/of: executieve functies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
66
Q

Wat is het shielding-shifting dilemma (Goschke & Bolte)?

A

Beschrijft 2 aspecten van executief functioneren:
1. Shielding: doel beschermen tegen afleiding zodat het bereikt kan worden
2. Shifting: doel flexibel aanpassen als de situatie daarom vraagt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
67
Q

Welke balans is belangrijk voor het shielding-shifting dilemma? En welke 2 factoren beïnvloeden deze balans?

A

Balans tussen stabiliteit (shielding) en flexibiliteit (shifting) met betrekking tot het doel

Beinvloedt door:
1. Emoties (positieve emoties leidt tot meer flexibiliteit en minder stabiliteit)
2. Sociale context

68
Q

Wat voor invloed hebben emoties op de balans tussen stabiliteit en flexibiliteit?

A

In een positieve toestand hebben mensen meer de neiging om flexibel te zijn, ten koste van stabiliteit

69
Q

Geef een voorbeeld van hoe emoties effect hebben op executief functioneren in jongeren. Waarom is dat?

A

Riskant gedrag in adolescentie
-> PFC is nog niet volledig ontwikkeld, waardoor er minder executieve functies zijn en er een verhoogde invloed van emoties vanuit sociale context

70
Q

Waarom treden jonge kinderen niet in risicovol gedrag maar adolescenten wel?

A

Beiden hebben nog een onontwikkelde PFC die belangrijk is voor het controleren en reguleren van eigen gedrag. Bij adolescenten is er echter meer belang voor sociale context voor de doelen die ze stellen

71
Q

Wat zijn de twee benaderingen van executieve functies?

A
  1. Fractionering
  2. Unitair
72
Q

Wat is de unitaire visie op executieve functies? Waar is dit gelokaliseerd? Welk systemen van Norman en Shallice en welke van Baddeley lijken hierop?

A

Executieve functies zijn een centrale operator van gedrag
-> In PFC (maar verbonden met andere netwerken)
-> Superviserende aandachtssysteem (SAS) (Norman) + centrale executieve (Baddeley)

73
Q

Wat is een conceptueel probleem van de unitaire visie?

A

De centrale operator heeft een homonculus karakter nu, waardoor er een risico is dat er een eindeloze hiërarchie van executieve functies ontstaat die op hun beurt weer andere uitvoerende functies aansturen
-> Er wordt niet gespecificeerd hoe dit mechanisme werkt

74
Q

Wat is het idee van fractionering van de executieve functies?

A

Uitvoerende functies hebben meerdere gespecialiseerde processen zonder hiërarchie

75
Q

Welke 5 taken in welke hersengebieden zijn door Stuss en Alexander onderscheiden? Welk idee van executief functioneren hangen zij aan?

A

Fractionering

  1. Activering: dmPFC
  2. Taakinstelling: linker dlPFC
  3. Controle: rechter dlPFC
  4. Gedrag/emoties (zelfregulatie: lm orbitofrontale cortex
  5. Metacognitie/integratie: frontopolair circuit
76
Q

Zijn neurologische tests meer gebaseerd op de unitaire of fractioneringsvisie? Waarom?

A

Fractionering: Tests meten uitvoerende functies afzonderlijk

77
Q

Welke kernconstructen van executief functioneren zagen Friedman en Miyake? (3)

A
  1. Werkgeheugen updaten
  2. Set-shifting
  3. Inhibitie
78
Q

Wat waren de resultaten van een factoranalyse op de kernconstructen van executief functioneren van Friedman en Miyake?

A

De kernconstructen (werkgeheugen updaten, set-shifting en inhibitie) zijn scheidbare executieve functies, maar er blijft een onderliggende factor

79
Q

Wat is het resultaat van de unitaire en fractionering visie?

A

Beide zijn er niet in geslaagd om een allesomvattende verklaring te geven van hoe de hersenen zichzelf besturen

80
Q

Wat is een kritiek op de fractioneringsbenadering? (3)

A
  1. Activering in specifieke gebieden bij het uitvoeren van een taak betekent niet per se dat deze gebieden alleen deze functie controleren
  2. Dezelfde gebieden worden vaak geactiveerd bij verschillende executieve functies
  3. Er is niet genoeg aandacht besteed aan niet-frontale gebieden
81
Q

Hoe verbindt de huidige visie op executieve functies de unitaire en fractionele visies?

A

Er is geen hiërarchie in controle; het zijn allemaal netwerken
-> Een knooppunt in het netwerk kan controle hebben maar ook gecontroleerd worden door andere knooppunten

82
Q

Welke gebieden spelen een belangrijke rol in executief functioneren volgens de huidige visie? (5)

A
  1. dlPFC
  2. ACC
  3. vmPFC
  4. Pariëtale cortex
  5. Basale ganglia
83
Q

Welke 3 fronto-subcorticale netwerken zijn belangrijk voor executieve functies en wat is elk hun rol?

A
  1. Prefrontaal (executieve functies (plannen, probleemoplossing))
  2. Orbitaal (sociaal-cognitieve functies)
  3. Cingulair (motivatie en drive)
84
Q

Wat is het gevolg van schade aan het orbitale circuit?

A

Persoonlijkheidsveranderingen

85
Q

Wat is het gevolg van schade aan het cingulaire circuit?

86
Q

Wat is de route van het prefrontale circuit? (4)

A

DL PFC –> nucleus caudatus –> globus pallidus –> thalamus

87
Q

Wat is de route van het orbitale circuit? (4)

A

Orbitofrontale cortex –> nucleus caudatus/accumbens –> globus pallidus –> thalamus

88
Q

Wat is de route van het cingulaire circuit? (4)

A

Anterior cingulate cortex –> ventraal striatum –> substantia nigra –> thalamus

89
Q

Wat zijn de verschillen tussen de fractionering van Stuss en de indeling van de circuits van Tekin?

A

Overlap tussen gebieden als hubs van sociaal gedrag en emoties en deels voor executief functioneren
-> Maar verschil in de hubs voor motivatie/drive en dus executief functioneren

90
Q

Wat voor type activiteit laten fMRI resting state studies zien?

A

Connectiviteit tussen frontale en pariëtale netwerk

91
Q

fMRI studies laten zien dat frontopariëtale netwerk belangrijk is voor aandacht en cognitieve controle. Welke 3 fMRI activatiepatronen werden onderzocht? Welke 2 netwerken werden vervolgens gevonden?

A
  1. Initiatie van taken
  2. Activatie tijdens volgehouden aandacht
  3. Activaties van foutengerelaterde feedback

Netwerken:
1. Frontopariëtale controlenetwerk (FPCN)
2. Cingulo-operculaire netwerk

92
Q

Welke 2 taken zijn belangrijk in het frontopariëtale netwerk (FPCN)? Waar is deze in het brein (2 locaties)?

A

Taakinitiatie + fout-feedback
-> dlPFC + pariëtale gebieden (precuneus)

93
Q

Welke 2 taken zijn belangrijk in het cingulo-operculaire netwerk? Welke 3 gebieden zijn betrokken?

A

Alertheid/volgehouden aandacht (stabiele set-maintenance) + premotorische/motorische processen
-> cingulate cortex, vmPFC, insula

94
Q

Hoe kan je het shielding-shifting dilemma koppelen aan de twee netwerken (frontopariëtaal & cingulair-operculair)?

A

Frontopariëtaal: negatieve feedback gebruiken voor tijdige shifting

Cingulair-operculair: handhaven van een gesteld doel (shielding)

95
Q

Laesie studies ondersteunen de duale theorie van het frontopariëtale en cingulo-operculaire netwerk. Op welke manier?

A

Schade aan dlPFC (frontoparietaal) leidt tot minder kunnen shiften

Schade aan mPFC/cingulate cortex resulteert in verminderde shielding

96
Q

Wat is het verschil tussen het dorsale aandachtsnetwerk (DAN) en het ventrale aandachtsnetwerk van Corbetta? (2 elk)

A

DAN: betrokken bij actieve controle en visuospatiële aandacht
-> Bilateraal

VAN: betrokken bij heroriëntatie van aandacht wanneer plotselinge stimuli verschijnen
-> Rechterhersenhelft

97
Q

Zijn de frontoparietale en cingulo-operculaire netwerken tegelijk actief of zijn ze complementair?

A

Complementair

98
Q

Wat is het default mode network (DMN)?

A

Netwerk dat actief is als er geen externe taken te verrichten zijn
-> Belangrijk voor denken over e.g. toekomst of anderen

99
Q

Wat bewaakt de balans tussen het default mode netwerk en de dorsale aandachtsnetwerk (DAN) en hoe wordt dat gedaan?

A

Frontopariëtale controlenetwerk
-> Verbindt met DAN als een taak moet worden uitgevoerd
-> Verbindt met DMN wanneer aandacht moet worden gericht op interne gedachten

100
Q

Wat is het verschil tussen top-down/bottom-up aandachtssystemen vs. basale alertheid?

A

TD/BU: activatie cortex
Basale alertheid: subcorticale gebieden zoals hersenstam en thalamus (ascending reticular activation system (ARAS))

101
Q

Wat is het ascending reticular activation systeem (ARAS)?

A

Moduleert alertheid

102
Q

Wat is de functie van de locus coeruleus? Waar ligt deze?

A

Noradrenaline productie + verspreiding voor tonische en fasische alertheid –> Dus erg belangrijk voor basale alertheid + snelle activatie van acute reacties

-> Ligt in ARAS (ascending reticular activation system)

103
Q

Wat is een latent construct?

A

Hoe een cognitieve functie op theoretisch niveau is gedefinieerd

104
Q

Waarom is executief functioneren een paraplubegrip?

A

Omdat het verschillende processen omvat waarbij het kernbegrip ‘controle’ is

105
Q

Beschrijf de kloof die er is wat betreft executief functioneren

A

Beschrijving/functioneren van executieve processen vs. de manier waarop deze processen worden gemeten in executieve functietests

106
Q

Trail making, Stroop color/word, wisconsin card sorting –> dit zijn allemaal tests die executief functioneren meten. Waarom geven deze geen compleet beeld van executief functioneren? Welke type validiteit is in gevaar?

A

Ze meten de cognitieve controle, maar niet andere aspecten zoals zelfinitiatief en zelfstructurering
-> Dus deze tests meten niet goed of mensen zelfstandig kunnen functioneren in het dagelijks leven

Ecologische validiteit

107
Q

Welke twee condities zijn er in aandachtstesten?

A
  1. Snelheid (voer taak zsm uit)
  2. Selectietaak
108
Q

Welk (onterecht) onderscheid zeggen aandachtstesten te maken (3)? Wat blijft hier nog van over na factoranalyse (2)?

A

Onderscheid tussen gerichte aandacht, volgehouden aandacht en verdeelde aandacht

Factoranalyse: snelheid van verwerking + hoeveelheid cognitieve controle worden gemeten

109
Q

Welke 3 soorten taken zijn er wat betreft aandacht en executieve functies?

A
  1. Operationele taken
  2. Tactische taken
  3. Strategische taken
110
Q

Wat zijn operationele taken? Wat meten ze?

A

Taken die zsm worden uitgevoerd zonder cognitieve controle
-> Meet info verwerking snelheid

111
Q

Wat zijn tactische taken? Wat meten ze?

A

Taken moeten zo nauwkeurig en zsm worden uitgevoerd
-> Meet selectieve aandacht en cognitieve controle

112
Q

Wat zijn strategische taken? Wat meten ze?

A

Strategie moet worden bedacht om taak te voltooien
-> Meet uitvoerende functies zonder tijdslimiet of taakstructuur

113
Q

Wat zijn 2 aspecten van ecologische validiteit? Leg uit wat ze zijn

A
  1. Veridicaliteit = in hoeverre kan de taak dagelijks functioneren voorspellen
  2. Verisimilitude = in hoeverre een test lijkt op dagelijkse taken
114
Q

Hoe goed is de ecologische validiteit van testen die rekening houden met veridicaliteit & verisimilitude? Wat is het gevolg daarvan?

A

Nog steeds beperkt –> maakt het beoordelen van executieve disfuncties erg lastig

115
Q

Waarom zijn tests voor executief functioneren moeilijk om ecologisch valide te krijgen?

A
  1. Moeten gestandaardiseerd zijn om psychometrisch te voldoen, waardoor ze alsnog niet representatief zijn voor het dagelijks leven
  2. Taakonzuiverheid: ze meten meerdere aspecten van EF en ook andere cognitieve functies (geheugen, aandacht etc.), waardoor falen op een taak niet per se door falende EF hoeft te komen
116
Q

De meeste executieve testen zijn gevoelig maar niet specifiek. Wat betekent dat?

A

Gevoelig: geven correct hersenletsel aan

Niet specifiek: kunnen geen onderscheid maken tussen soorten schade

117
Q

Aan welk ander psychologisch construct is executief functioneren sterk gerelateerd?

A

Intelligentie
-> beperkte overlap tussen g-factor en EF

118
Q

Hoe kan je het beste executief functioneren meten? (3)

A
  1. Tests
  2. Observaties
  3. Vragenlijsten
119
Q

Wat is de relatie tussen patienten met hersenletsel/parkinson/MS/ Alzheimer en scores op aandachtstests?

A

Geen stoornis in cognitieve controle maar infoverwerking!

Stoornissen in infoverwerking, responsinhibitie, verdeelde aandacht en strategie gedreven taken onder hoge tijdsdruk

120
Q

Wat voor type hersenschade zorgt vaak voor stoornissen in executieve functies? (3)

A

Prefrontale schade + vasculaire cognitieve stoornissen + neurodegeneratieve aandoeningen

121
Q

Wat is de rol van de aandachtsspotlight?

A

Delen die in deze spotlight vallen worden versterkt in de cortex en gecombineerd om uiteindelijk objecten mee te identificeren

122
Q

Wat is de hypothese dat aandacht relateert aan synchrony tussen neuronen?

A

Aandacht zou synchrony induceren tussen neurons, waardoor de timing van actie potentialen precies tegelijk gaan waardoor de kans voor een volgende actiepotentiaal in de volgende neuron wordt vergroot

123
Q

Hoe zou aandacht werken in communicatie tussen neuronen?

A

Synchrony –> aandacht vergroot de synchrony tussen neurons waardoor de kans groter wordt dat een signaal verder wordt doorgegeven

124
Q

Wat is een goed fysiologisch kenmerk van alertheid?

A

Pupil dilatie

125
Q

Welke neurotransmitters zijn belangrijk voor de volgende netwerken van Posner?
- Alerting
- Orienting
- Executief

A

Alerting: norepinefrine
Orienting: acetylcholine
Executief: dopamine

126
Q

Wat is inattentional blindness?

A

Mensen merken iets niet terwijl ze een andere taak aan het doen zijn

127
Q

Wat is change blindness?

A

De neiging om veranderingen in de omgeving niet te zien als ze niet worden verwacht

128
Q

Wat is attentional blink?

A

Aandacht geven aan een stimulus voorkomt dat je je bewust bent van een tweede stimulus

129
Q

Waar worden zaken die niet aandacht hebben verwerkt?

A

Ze worden verwerkt in je sensorische systemen, maar bereiken niet je bewustzijn

130
Q

Waar hebben patienten met hemispatieel neglect vaak schade in hun hersenen? Welk deel van hun visuele veld is aangedaan?

A

Rechter temporoparietale junctie (parietale cortex)
-> Geen aandacht voor linker kant van de ruimte (maar intacte visuele waarneming)

131
Q

Wat zijn 3 symptomen van laesies aan de frontale kwab wat betreft EF?

A
  1. Disinhibitie/geen controle over gedrag
  2. Gebrek aan oordelen
  3. Overeten
132
Q

Hoe meet je latente variabelen?

A

Je kan ze niet direct meten, dus je kijkt naar resultaten op verschillende testen en kijkt of er patronen zijn

133
Q

Wat betekent de loading tussen een latent construct en een taak?

A

Hoe sterk de taak gerelateerd is aan de latente variabele

134
Q

Wat zijn de 3 aspecten van executief functioneren volgens Miyake?

A

Shifting - updating -inhibition

135
Q

Wat zijn 3 aspecten van inhibitie?

A
  1. Controleren van eigen aandacht/ gedrag/gedachten/emoties
  2. Overschrijven van sterke interne drives
  3. Het stoppen van een reactie of gedachte
136
Q

Waarom is het moeilijk om inhibitie te meten?

A

Er zijn snel floor/ceiling effecten waardoor je het voor verschillende groepen anders moet meten

137
Q

Wat zijn 4 tests voor het meten inhibitie?

A
  1. Day/night taak (jonge kids)
  2. Kleur/woord stroop taak
  3. Go/NoGo
  4. Flanker
138
Q

In welke 2 type stoornissen kom je vaak inhibitie problemen tegen?

A
  1. Neuro-ontwikkelings stoornissen (ADHD, ASD)
  2. Verkregen of progressieve stoornissen die de frontale kwab aantast (FT dementie)
139
Q

Wat zie je vaak aan iemand die een inhibitie stoornis heeft?

A

Moeite met het negeren van afleidingen en impulsen weerstaan

140
Q

Wat is het werkgeheugen?

A

Systeem voor korte termijn geheugen en manipulatie van informatie

141
Q

Wat zijn de 3 onderdelen van Baddeley’s model voor werkgeheugen?

A

Visuospatieel schetsblok + phonologische lus + centrale executieve

142
Q

Wat is het verschil tussen het meten van korte termijn en werkgeheugen?

A

Kort: taken die de opslag van info vereisen

Werk: taken die de opslag en manipulatie van info vereisen

143
Q

Wat zijn twee korte termijn geheugen taken?

A
  1. Verbal span task: herhalen van nummers, letters, woorden etc.
  2. Visuospatial span task: herinneren van locaties van stippen die op het scherm tevoorschijn komen (Corsi block)
144
Q

Wat zijn twee taken om werkgeheugen te meten?

A
  1. Verbaal: omdraaien van een onthouden nummerreeks, n-back taken
  2. Visuospatieel: herinneren en roteren van objecten
145
Q

Hoe uiten stoornissen aan het werkgeheugen zich?

A

Moeite met het opvolgen van instructies, volgen van gesprekken en het begrijpen van complexe teksten

146
Q

In welke neuro-ontwikkelingsstoornissen zie je vaak werkgeheugen problemen?

A

ADHD / leerstoornissen

147
Q

Wat is een andere benaming voor shifting?

A

Cognitieve flexibiliteit

148
Q

Met welke 2 aspecten moeten worden gemeten om iets te kunnen zeggen over shifting (cognitieve flexibiliteit) in een patient?

A
  1. Prestaties op losse taken vaststellen
  2. Zorgen dat taken dan worden afgewisseld om dan prestaties te vergelijken
149
Q

Leg in 3 stappen de verbal fluency taak uit. Wat meet deze test?

A
  1. Benoem zo veel dieren als je kan
  2. Benoem zo veel mogelijk woorden met een A
  3. Wissel tussen het noemen van fruit en een meubelstuk en benoem zo veel mogelijk

-> Brengt in kaart wat de kosten van shifting zijn

150
Q

Wat meet de trail making taak?

A

Switching tussen taken

151
Q

In welke twee typen aandoeningen zijn shifting problemen vaak aanwezig?

A
  1. Ontwikkelingsstoornissen: ADHD/ASD
  2. Neurodegeneratieve stoornissen: dementie/Parkinson
152
Q

Welke symptomen horen veelal bij shifting problemen?

A

Moeite met wisselen van strategie of perspectief, aanpassen aan nieuwe taken. Daarnaast rigide denken, moeite met probleem oplossen, moeite met begrijpen van andermans perspectief

153
Q

Wat zijn 3 hogere orde EF?

A
  1. Redeneren
  2. Probleem oplossing
  3. Plannen
154
Q

Welke twee functies van EF lijken op fluide intelligentie?

A

Redeneren + probleem oplossing

155
Q

Noem een voorbeeld van een test die hogere orde EFs meet

A

Tower of London taak

156
Q

Hoe ontwikkelen hogere orde EFs zich?

A

Deze hogere orde EFs ontwikkelen zich later en hangen af van basale EFs (werkgeheugen, inhibitie)

157
Q

Waarom wordt inhibitie als de fundering van EFs gezien?

A
  1. Het ontwikkelt zich als eerste
  2. Het is nodig voor bijna alles: updaten werkgeheugen + switchen
158
Q

Wat zijn drie algemene kritiekpunten op EFs?

A
  1. Te breed en vaag concept –> onduidelijk wat wel EFs zijn en wat niet. Veel vergelijkbare constructen hebben verschillende namen (shifting = switching = cogn. flex.)
  2. Kan niet direct worden gemeten
  3. Onduidelijk welk mechanisme erachter zit
159
Q

Hoe werkt EF training?

A

Veel werkgeheugen taken die moeilijker worden naarmate de weken vorderen
-> Verbetert EFs, wat brede invloed heeft op algemene cognitieve functies

160
Q

Wat zijn de 5 stadia van de hype cyclus van werkgeheugen training?

A
  1. Technologie trigger
  2. Piek van opgeblazen verwachtingen
  3. Dal van disillusie
  4. Stijging van hoop
  5. Plateau van productiviteit
161
Q

Waarom is EF training een disillusie?

A

Je wordt alleen beter in de specifieke taak waarin je traint, maar niet in andere taken in het dagelijks leven

162
Q

Wat zijn 7 belangrijke dingen om mee te nemen in een studie naar EF training?

A
  1. Grote sample size
  2. Actieve control groep
  3. Gerandomiseerd
  4. Dubbel-blind testen
  5. Near and far outcomes: verschillende soorten taken die ook deels de realiteit weerspiegelen
  6. Disclose recruitment: tegengaan van invloed van verwachtingen van deelnemer op het onderzoek
  7. Pre-registratie
163
Q

Waarom is er een plateau van productiviteit nu in EF training?

A

Er zijn sommige deelnemers die verbeteringen laten zien
-> Verschillen in hersenstructuur en functie

164
Q

Wat is een alternatief voor EF training?

A

Naturalistische/embedded training

165
Q

Wat is naturalistische/embedded training?

A

Training met verschillende EF activiteiten, vaak gecombineerd met fysieke activiteiten