H16 spijsvertering Flashcards

1
Q

Wat is spijsvertering?

A

Het proces waarbij voedsel wordt afgebroken en voedingsstoffen worden opgenomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke organen zijn betrokken bij de spijsvertering?

A

Mond, slokdarm, maag, dunne darm, dikke darm, lever, pancreas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn de drie hoofdfasen van de spijsvertering?

A

Mechanische vertering, chemische vertering en absorptie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat gebeurt er in de mond tijdens de spijsvertering?

A

Voedsel wordt gekauwd en vermengd met speeksel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is de functie van speeksel?

A

Het bevat enzymen zoals amylase die zetmeel beginnen af te breken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hebben katten amylase in hun speeksel?

A

Nee, katten missen amylase en verteren koolhydraten pas later in het spijsverteringskanaal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is peristaltiek?

A

Spiercontracties die voedsel door de slokdarm en darmen verplaatsen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is de functie van de slokdarm?

A

Transport van voedsel van de mond naar de maag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke dieren hebben een eenkamerige maag?

A

Honden, katten en mensen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke dieren hebben een meerkamerige maag?

A

Herkauwers zoals koeien en schapen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat gebeurt er in de maag?

A

Voedsel wordt gemengd met maagzuur en enzymen om af te breken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is de pH van maagzuur bij honden en katten?

A

Zeer laag, rond 1-2.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke functie heeft zoutzuur (HCl) in de maag?

A

Doodt bacteriën en activeert spijsverteringsenzymen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is pepsine?

A

Een enzym dat eiwitten afbreekt in de maag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is gastrine?

A

Een hormoon dat de productie van maagzuur stimuleert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom moeten honden langer kauwen op botten?

A

Om mechanische vertering te bevorderen en de tanden schoon te houden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waarom kunnen katten grote prooien verteren?

A

Hun maagzuur is sterk genoeg om botten en pezen af te breken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Hoe lang blijft voedsel gemiddeld in de maag van een hond?

A

4-8 uur, afhankelijk van de samenstelling van het voer.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is een pylorus?

A

De sluitspier die de maag met de dunne darm verbindt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Waarom hebben honden een rekbare maag?

A

Om grote hoeveelheden voedsel in één keer te kunnen eten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat gebeurt er in de dunne darm?

A

Voedsel wordt verder afgebroken en voedingsstoffen worden opgenomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Welke drie delen heeft de dunne darm?

A

Duodenum, jejunum en ileum.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is de rol van de pancreas in de spijsvertering?

A

Produceert spijsverteringsenzymen en bicarbonaat om de pH te neutraliseren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Welke enzymen produceert de pancreas?

A
  • Lipase (vetvertering) * Amylase (koolhydraatvertering) * Proteasen (eiwitvertering)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat is de functie van gal?

A

Emulgeert vetten zodat lipase ze beter kan afbreken.

26
Q

Waar wordt gal geproduceerd en opgeslagen?

A

Geproduceerd in de lever, opgeslagen in de galblaas.

27
Q

Wat gebeurt er als een dier geen galblaas heeft?

A

Gal wordt direct in de dunne darm afgegeven.

28
Q

Waarom hebben katten een kortere dunne darm dan honden?

A

Omdat ze obligate carnivoren zijn en minder tijd nodig hebben voor vertering.

29
Q

Wat is villi in de dunne darm?

A

Vingerachtige structuren die de opname van voedingsstoffen vergroten.

30
Q

Welke voedingsstoffen worden in de dunne darm opgenomen?

A
  • Eiwitten * Vetten * Koolhydraten * Vitamines * Mineralen
31
Q

Wat is de functie van de dikke darm?

A

Waterabsorptie en fermentatie van vezels.

32
Q

Wat is de rol van darmbacteriën in de dikke darm?

A

Ze helpen bij de fermentatie van vezels en produceren korteketenvetzuren.

33
Q

Welke dieren hebben een vergrote dikke darm voor fermentatie?

A

Herbivoren zoals paarden en konijnen.

34
Q

Wat gebeurt er als voedsel te snel door de dikke darm gaat?

A

Diarree, omdat er onvoldoende water wordt opgenomen.

35
Q

Wat gebeurt er als voedsel te langzaam door de dikke darm gaat?

A

Obstipatie, door te veel wateropname.

36
Q

Wat zijn korteketenvetzuren (SCFA’s)?

A

Stoffen zoals butyraat die energie leveren aan darmcellen.

37
Q

Waarom zijn prebiotica belangrijk voor de darmflora?

A

Ze voeden gunstige bacteriën en bevorderen een gezonde spijsvertering.

38
Q

Wat is de rol van de blinde darm (caecum) bij herbivoren?

A

Fermentatie van vezels en productie van nuttige voedingsstoffen.

39
Q

Waarom is de dikke darm van een carnivoor relatief kort?

A

Omdat hun dieet weinig vezels bevat en snelle vertering vereist.

40
Q

Wat is coprofagie?

A

Het eten van ontlasting, wat voorkomt bij sommige dieren voor extra nutriënten.

41
Q

Wat is EPI (exocriene pancreasinsufficiëntie)?

A

Een aandoening waarbij de pancreas onvoldoende enzymen produceert.

42
Q

Wat zijn symptomen van EPI?

A
  • Chronische diarree * Gewichtsverlies * Vettige ontlasting
43
Q

Hoe wordt EPI behandeld?

A

Supplementeren met spijsverteringsenzymen.

44
Q

Wat is gastritis?

A

Een ontsteking van het maagslijmvlies.

45
Q

Wat veroorzaakt diarree bij dieren?

A
  • Infecties * Voedselallergieën * Voedingsveranderingen * Stress
46
Q

Wat is voedselallergie?

A

Een immuunreactie tegen bepaalde voedingsstoffen.

47
Q

Wat is het verschil tussen voedselintolerantie en voedselallergie?

A

Intolerantie heeft geen immuunreactie, allergie wel.

48
Q

Waarom kan een plotselinge verandering in dieet spijsverteringsproblemen veroorzaken?

A

De darmflora moet zich aanpassen aan de nieuwe voeding.

49
Q

Wat is reflux?

A

Terugstroming van maagzuur naar de slokdarm.

50
Q

Hoe wordt reflux behandeld?

A

Kleine maaltijden, zuurremmers, aangepast dieet.

51
Q

Waarom is verteerbaarheid belangrijk bij diervoeding?

A

Hoe beter verteerbaar, hoe efficiënter voedingsstoffen worden opgenomen.

52
Q

Wat is een verteringscoëfficiënt?

A

Het percentage van een voedingsstof dat daadwerkelijk wordt opgenomen.

53
Q

Waarom wordt rijst vaak gebruikt in diëten voor gevoelige magen?

A

Het is licht verteerbaar en helpt bij diarree.

54
Q

Wat is het belang van vocht in de spijsvertering?

A

Voorkomt uitdroging en helpt voedsel door het spijsverteringskanaal.

55
Q

Waarom kunnen katten niet goed omgaan met plantaardige diëten?

A

Hun spijsverteringsstelsel is aangepast aan dierlijke eiwitten.

56
Q

Wat is een probiotica-supplement?

A

Bevat gunstige bacteriën die de darmgezondheid ondersteunen.

57
Q

Waarom hebben oudere dieren vaak een tragere spijsvertering?

A

Verminderde enzymproductie en darmmotiliteit.

58
Q

Hoe beïnvloedt stress de spijsvertering?

A

Kan leiden tot diarree, misselijkheid of verminderde eetlust.

59
Q

Waarom is kauwen belangrijk voor een goede spijsvertering?

A

Helpt bij mechanische vertering en stimuleert speekselproductie.

60
Q

Wat is de belangrijkste conclusie van dit hoofdstuk?

A

Spijsvertering is een complex proces dat afhankelijk is van voeding, enzymen en darmgezondheid.