H10 Eiwitten Flashcards

1
Q

Wat zijn eiwitten?

A

Grote moleculen opgebouwd uit aminozuren, essentieel voor groei en herstel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de belangrijkste functie van eiwitten?

A

Opbouw en onderhoud van lichaamsweefsels.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke andere functies hebben eiwitten in het lichaam?

A

Enzymvorming, hormoonproductie en immuunfunctie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waaruit zijn eiwitten opgebouwd?

A

Aminozuren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is een peptidebinding?

A

De chemische binding tussen aminozuren in een eiwitketen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is een polypeptide?

A

Een keten van meerdere aminozuren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is de ruimtelijke structuur van een eiwit?

A

Primaire, secundaire, tertiaire en quaternaire structuur.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waarom is de structuur van een eiwit belangrijk?

A

De vorm bepaalt de functie van het eiwit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat gebeurt er als een eiwit denatureert?

A

Het verliest zijn functie door hitte, zuur of enzymen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is het verschil tussen structurele en functionele eiwitten?

A

Structurele eiwitten vormen weefsels, functionele eiwitten reguleren processen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn aminozuren?

A

De bouwstenen van eiwitten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het verschil tussen essentiële en niet-essentiële aminozuren?

A

Essentiële aminozuren moeten uit voeding komen; niet-essentiële kunnen door het lichaam worden aangemaakt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke aminozuren zijn essentieel voor honden?

A

Bijvoorbeeld lysine, methionine, tryptofaan en leucine.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke extra essentiële aminozuren hebben katten nodig?

A

Taurine en arginine.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarom is taurine essentieel voor katten?

A

Ze kunnen het niet zelf synthetiseren en hebben het nodig voor hart- en ooggezondheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat gebeurt er bij een taurinetekort bij katten?

A

Blindheid, hartproblemen en verminderde vruchtbaarheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waarom is arginine belangrijk voor katten?

A

Zonder arginine kunnen ze ammoniak niet goed afbreken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Welke aminozuren spelen een rol in spieropbouw?

A

Leucine, isoleucine en valine (BCAA’s).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is de rol van glutamine in het lichaam?

A

Ondersteunt de darmgezondheid en het immuunsysteem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is de functie van tryptofaan?

A

Het is een voorloper van serotonine, een neurotransmitter die stemming reguleert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat zijn dierlijke eiwitbronnen?

A

Vlees, vis, eieren en zuivelproducten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat zijn plantaardige eiwitbronnen?

A

Peulvruchten, granen en soja.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Waarom hebben dierlijke eiwitten een hogere biologische waarde?

A

Ze bevatten alle essentiële aminozuren in de juiste verhoudingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Welke eiwitbron heeft de hoogste biologische waarde?

A

Eiwit uit eieren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Waarom wordt collageen vaak toegevoegd aan diervoeding?

A

Het ondersteunt gewrichten en huid.

26
Q

Wat is de verteerbaarheid van eiwitten?

A

De mate waarin een dier de eiwitten kan afbreken en opnemen.

27
Q

Wat is een hydrolysaat-eiwit?

A

Een eiwit dat in kleine fragmenten is afgebroken om allergische reacties te verminderen.

28
Q

Waarom worden sommige plantaardige eiwitten minder goed opgenomen?

A

Ze kunnen anti-nutriënten bevatten die de opname verminderen.

29
Q

Wat zijn anti-nutriënten?

A

Stoffen zoals fytinezuur die de opname van aminozuren en mineralen verhinderen.

30
Q

Wat betekent de term ‘volwaardig eiwit’?

A

Een eiwitbron die alle essentiële aminozuren bevat.

31
Q

Wat gebeurt er met overtollige eiwitten in het lichaam?

A

Ze worden afgebroken en uitgescheiden via de urine.

32
Q

Wat is de ureumcyclus?

A

Het proces waarbij stikstof uit aminozuren wordt omgezet in ureum en uitgescheiden via de nieren.

33
Q

Waarom hebben carnivoren een hoger eiwitmetabolisme?

A

Ze zijn afhankelijk van eiwitten als energiebron.

34
Q

Wat is de rol van de lever bij eiwitstofwisseling?

A

De lever breekt aminozuren af en zet stikstof om in ureum.

35
Q

Wat gebeurt er bij een tekort aan eiwitten?

A

Spierverlies, slechte wondgenezing en een verzwakt immuunsysteem.

36
Q

Wat is het effect van een overmaat aan eiwitten?

A

Extra belasting van de nieren en mogelijk verhoogde urineproductie.

37
Q

Waarom is een hoge eiwitinname bij nierziekte problematisch?

A

Het verhoogt de hoeveelheid afvalstoffen die de nieren moeten filteren.

38
Q

Wat is een ‘eiwitbeperkt dieet’?

A

Een dieet met minder eiwit om nierbelasting te verminderen.

39
Q

Waarom hebben drachtige en zogende dieren meer eiwit nodig?

A

Voor de groei van de jongen en melkproductie.

40
Q

Waarom hebben oudere dieren een aangepaste eiwitbehoefte?

A

Ze hebben voldoende eiwitten nodig om spiermassa te behouden, maar niet te veel om de nieren te ontlasten.

41
Q

Wat is de invloed van eiwitten op de vacht?

A

Ze zorgen voor een glanzende, gezonde vacht.

42
Q

Waarom hebben actieve werkhonden meer eiwit nodig?

A

Voor spierherstel en -opbouw na inspanning.

43
Q

Wat gebeurt er bij een eiwittekort tijdens de groei?

A

Slechte bot- en spierontwikkeling.

44
Q

Waarom zijn eiwitten belangrijk voor het immuunsysteem?

A

Ze vormen antilichamen en enzymen die infecties bestrijden.

45
Q

Welke rol spelen eiwitten in wondgenezing?

A

Ze ondersteunen celregeneratie en herstel.

46
Q

Wat is hypoallergeen eiwit?

A

Eiwit dat zo bewerkt is dat het minder snel een allergische reactie veroorzaakt.

47
Q

Waarom veroorzaken sommige eiwitten allergieën?

A

Het immuunsysteem kan bepaalde eiwitstructuren als schadelijk herkennen.

48
Q

Wat is een eliminatiedieet?

A

Een dieet waarbij één eiwitbron wordt gegeven om allergieën te identificeren.

49
Q

Wat is de impact van eiwitrijke voeding op gewichtsverlies?

A

Het helpt spiermassa behouden en bevordert vetverbranding.

50
Q

Wat is de rol van methionine in de gezondheid?

A

Ondersteunt de ontgifting in de lever en speelt een rol in de vorming van keratine.

51
Q

Wat is caseïne?

A

Een langzaam verteerbaar melkeiwit.

52
Q

Wat is wei-eiwit?

A

Een snel verteerbaar melkeiwit dat rijk is aan essentiële aminozuren.

53
Q

Waarom wordt insecteneiwit gebruikt in diervoeding?

A

Het is een duurzame en hypoallergene eiwitbron.

54
Q

Wat is spirulina?

A

Een eiwitrijke alg met antioxidanten en vitaminen.

55
Q

Waarom wordt eendeneiwit vaak gebruikt in hypoallergene voeding?

A

Het is een minder voorkomende eiwitbron en veroorzaakt minder snel allergieën.

56
Q

Waarom wordt lam vaak gebruikt in hypoallergeen voer?

A

Omdat veel dieren er nog niet eerder aan blootgesteld zijn.

57
Q

Wat is gehydrolyseerd kippeneiwit?

A

Eiwit dat in kleine stukjes is geknipt om allergieën te verminderen.

58
Q

Waarom is plantaardig eiwit niet altijd ideaal?

A

Het mist vaak bepaalde essentiële aminozuren.

59
Q

Wat is de rol van soja-eiwit in diervoeding?

A

Het is een veelgebruikt plantaardig alternatief voor dierlijk eiwit.

60
Q

Wat is de belangrijkste conclusie van dit hoofdstuk?

A

Eiwitten zijn essentieel voor groei, herstel en gezondheid en moeten van hoge kwaliteit zijn.