Schouder pathologie Flashcards

1
Q

schouderklachten

A
  1. algemeen
    - 3e frequenste MSS klacht
    - 16-26%
    - veel onderlinge associatie
  2. testen
    - geen enkele schouder test 100% specifiek of sensitief
    - belang anamnese
    - vaak proefinfiltratie
  3. articulaire bewegingsbeperkingen
    - frozen shoulder
    - rotator cuff atropathie = glenohumerale artrose
    - schouder-hand syndroom
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

frozen shoulder

A
  1. pathologie
    - progessieve verstijving schouder
    - verminderde QoL door pijn & stijfheid
    - self-limiting disease met lange duur = 2j
    - verdikking & hyperamie van lig. coracohumerale
  2. kapsel
    - inflammatie & inkrimping
    - normaal 15-35cc
    - frozen shoulder = 5-6cc
  3. prevalentie
    - 2-5% algemene populatie
    - vrouwen > mannen
    - 40-65j
    - meer aan dominante kant
  4. recidiveren
    - 20% krijgt ook heterolaterale binnen 5j
    –> minder erg & juiste verwachtingen
    - recidiveren op zelfde kant is zeldzaam
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

frozen shoulder oorzaken

A
  1. oorzaken
    - wordt eerder als ziekte dan letsel gezien = frozen shoulder disease
    - vaak ongekend
    - ideopathisch
  2. MSK
    - tendinopathie-scheur
    - schouder traumata
    - CPRS = schouder-hand syndroom
  3. systemisch
    - Dupuytren
    - diabetes = heel vaak!
    - schildklieraandoeningen
    - hartaandoeningen & post-cardio chirurgie
    - neurologische aandoeningen = hemiplegie & traumata
    - longpathologie
    - anti-epileptica
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

traditionele indeling van frozen schoulder

A
  1. painfull freezing phase = 2-9m
    - pijn bij beweging
    - nadien meer & spontane pijn
  2. frozen = adhesieve phase = 4-12m
    - ROM beperking actief & passief
    - kapsulair patroon = eerst exorotatie
    - compensaties thoracoscapulair
  3. thawing = resolutie faze = 5-12m
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

klinische indeling van frozen shoulder

A
  1. klinisch hoog acuteel = pijn > stijfheid
    - hoge irriteerbaarheid
    - pijn in rust
    - uitstraling tot onder elleboog
    - niet slapen zonder pijn
    - ernstige beperking in ADL
    - pijn voor weerstand tegen beweging
  2. klinisch laag actueel = stijfheid > pijn
    - geen pijn in rust
    - vooral bewegingen beperkt = actief & passief
    - pijn enkel bij overdruk = eindstandig beweging
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

klinische bevindingen frozen shoulder

A
  1. actief onderzoek
    - bewegingsbeperking alle richtingen
    - scapulaire compensaties
  2. passief onderzoek
    - bewegingsbeperking alle richtingen
    - vooral exorotatie, endorotatie & abductie
    - beperkte glenohumerale abductie 45-50° = fixatie scapula
  3. toegevoegd
    - vaak niet nodig
    - zeker indien hoge irriteerbaarheid
    - eventueel joint-play testen indien stijfheid > pijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

therapie van frozen shoulder

A
  1. communicatie
    - prognose realistisch stellen = tot 1j
    - voorkomen van negatieve emoties door lange prognose
    - onderhoudende vs te vermijden bewegingen = geleid door pijn
  2. belang therapie
    - goed voor ROM, kracht & pijn
    - niet versnellen prognose
    - residuele ROM beperking voorkomen
  3. studie
    - lagere self efficacy
    - hogere pain catastrophings
    - meer chronische pijn
  4. therapie
    - PC = geen schrik van pijn
    - SE = zelfstandigheid & positiviteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

therapie van hoge irriteerbaarheid frozen shoulder

A
  1. doelen
    - pijndemping = analgetica & NSAID
    - aanpassing activiteiten
    - ADL-educatie
  2. therapie
    - secundaire beperkingen opheffen
    - gobale bewegingstechnieken
    - actieve houdingscorrectie = pijn ≈ protractie
    - myofasciaal ontspannen = subscapularis, supra- & infraspinatus
    - CWZ
    - scapulair = alles uitvoeren in rustpositie = lichte elevatie in scapulare vlak
  3. oefentherapie = pijndempend
    - geassisteerd mobiliserend
    - isometrische contracties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

therapie van lage irriteerbaarheid frozen shoulder

A
  1. doelen
    - ROM toename
    - verbetering ADL-functie
    - krachttoename
  2. oefentherapie
    - scapulaire training met focus op retractie = neiging naar protractie herstellen
    - activatie van musculatuur
    - oefenkeuze op basis van ROM
  3. mobilisatie
    - alle richtingen
    - niet meer dan 4-5/10
    - craniaal & anterior gepositioneerde schouder
    - dorsale & caudale translatie = kinematica corrigeren
    –> rol-glij regels niet volgen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

orthopedisch: frozen shoulder

A
  1. orthopedische evaluatie
    - letsel = kan alles zijn & is niet goed geweten
    - natuurlijk herstel = niet nodig
    - chirurgie = indien aanhoudend
  2. chirurgie
    - techniek = capulectomie
    - toegangsweg = artroscopisch
    - herstel = resectie
  3. andere technieken
    - wisselende technieken
    - manipulatie onder narscose
    - n. suprascapularis blok
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

rotatorcuff artropathie

A
  1. pathologie
    - artrose
    - degeneratieve rotatorcuff scheur
    - vooral 65j+
    - ROM actief & passief progressief verliezen
  2. onderzoek
    - alle bewegingen beperkt
    - actief & passief
    - weerstand = pijnlijk & beperkt abductie & exorotatie
    - toegevoegd onderzoek niet nodig = enkel medische beeldvorming
  3. therapie = symptomatisch
    - pijndempend in beperkte ROM
    - vergelijkbaar met hoge irriteerbaarheid frozen shoulder
    - gevolg = omgekeerde schouderprothese
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

schouder-hand syndroom

A
  1. pathologie
    - volledige lidmaat betrokken
    - verlies van pijn, kracht & functie
    - wijzigingen trofiek = huid & nagels
    - predisponerende gebeurtenis = val of operatief
    - naast klinische bevindingen geen toegevoegd klinisch onderzoek nodig
  2. specifieke persoonlijkheidskenmerken
    - depressie & angst
    - narcistisch & hypochondrisch
    - pijn catastroferen
    - egocentrisch
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

klinische bevindingen schouder-hand syndroom

A
  1. hypertrofisch = warme fase
    - brandende pijnen met zwelling
    - gewijzigde pijnsensatie
    - semi-inflammatoir beeld
    - temperatuursveranderingen = zweten & glimmende huid
    - versterkte nagel & haargroei
  2. dystrofisch = koude fase
    - pijn & zwelling blijft
    - trofiek daalt
    - broze nagels
    - verlies beharing
    - blauwe huidskleur
    - toenemende klachten ROM & kracht
  3. stabiliseringsfase = atrofisch
    - onomkeerbare trofische veranderingen
    - verstijving gewrichten en atrofie
    - kan leiden tot amputatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

therapie van schouder-hand syndroom

A
  1. preventie & vroege detectie
    - pijn catastroferen vermijderen
    - patiënt blijven bewegen = fear avoidance vermijden
  2. therapie
    - geen consensus
    - pijncontrole met TENS
    - behoud ROM
    - circulatie met activopassieve oefeningen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

SAPS

A
  1. subacromiaal pijn syndroom
    - functionele diagnose
    - pijn en dysfunctie
    - subacromiaal conflict
    - uiteenlopende oorzaken
    - probeer naam “syndroom” vermijden = wegens catastroferen
  2. mogelijke oorzaken
    - bursitis subacromiodeltoidea
    - RC-verzwakking = tendinopathie of scheur
    - instabiliteit
    - bicepsdysfunctie
    - scapulairedysfunctie
    - GIRD = endorotatie beperking
    - thoracale kyfose & protractie
  3. oude naam = impigment
    - wijst op structureel probleem
    - acromion te lang & zal pees ontsteken
    - is niet het geval
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

kliniek van subacromiale klachten

A
  1. pijnlijke bewegingen
    - pijn en beperking actieve anteflexie & abductie
    - pijn bij elevatie boven schouder hoogte
    - painfull arc tijden midrange elevatie
  2. pijn kracht
    - pijn bij geforceerde bewegingen = duwen, schroef draaien, …
    - pijnlijke weerstandstesten = vooral abductie & exorotatie
    - pijn in deltoideus regio
  3. SAPS-testen
    - positief indien 3/5
    - aanwezigheid painfull arc
    - pijn bij exorotatie weerstand
    - pijn bij elevatie in endorotatie weerstand
    - pijn bij passieve endorotatie op 90 anteflexie
    - pij bij passieve flexie in endorotatie
  4. verder onderzoek nodig voor differentiaal diagnose
17
Q

therapie van subacromiale klachten

A
  1. causale therapie
  2. SAPS technieken
    - subacromiale ruimte groter maken
    - pijndemping
    - weinig wetenschappelijke evidentie
    - vooral gebaseerd op biomechanica
18
Q

verschillende SAPS technieken

A
  1. translatie naar caudaal
    - niet perse graad 3 of 4
    - ritmisch graad 2 is vaak voldoende
    - in houding die pijnlijk is = painfull arc positie
    –> meestal 90° abductie
  2. isometrische contractie naar exorotatie
    - ellebogen iets breder dan schouders = LPP 60-90°
    - afstand tussen humerus & acromion wordt groter
  3. office worker exercise
    - exorotatie
    - thoracale extensie = kleinere subacromiale ruimte bij kyfose
    - elleboog in bank duwen = subacromiale ruimte wordt groter
    - activatie depressoren humeruskop = latissmus dorsi & pectoralis major
    –> indien deze spieren verkort zijn = niet mogen doen want uitlokking klachten
    - 5sec contractie & 5 sec rust
19
Q

bursitis subacromiodeltoidea

A
  1. bursa
    - tussen deltoideus/acromion
    - O/I tuberculum majus & IS/SS spier
    - centraal verbonden acromion & lig. coracoacromiale
    - minimaliseren frictie onderling
    - afname glijcapaciteit = meer klachten
  2. subacromiodeltoidea
    - komt niet vaak voor
    - een van de enige keren dat schouder gezwollen staat
    - acuut = direct trauma op schouder
    - chronisch = door subacromiale conflicten
    –> viceuze cirkel
20
Q

kliniek bursitis

A
  1. bevindingen
    - SAPS-klachten
    - weerstandstesten pijnlijk vooral naar abductie = druk verhoging door contractie deltoideus
  2. toegevoegd onderzoek
    - acuut = geen door pijn
    - SAPS-testen positief
    - AHD acromio-humerale afstand-test is positief
    - onderzoek naar oorzaak chronische bursitis = andere oorzaken SAPS klachten
21
Q

ADH-test

A
  1. algemeen
    - acromio-humerale afstand
    - initieële test is pijnlijk maar deze pijn verdwijnt
  2. weerstandsabductie
    - pijnlijk
    - drukken van deltoid op bursa
  3. tractie op humerus + weerstandsabductie
    - subacromiale ruimte is groter gemaakt
    - niet pijnlijk of minder pijn
22
Q

acute bursitis

A
  1. oorzaken
    - trauma
    - reumatisch = RA
    - septische bursitis
    - jicht
    - ongekend
  2. kliniek
    - inflammatoire pijn
    - ook nachtelijke pijn
    - vals positieve testen door pijn
    - echo = vocht & calcificatie = DD
  3. therapie
    - geen therapie = aan bursa zelf kunnen we niks doen
    - enkele weken afwachten
    - vermijden van chronisch worden
    - ijs, NSAID & infiltratie
23
Q

chronische bursitis

A
  1. oorzaken = geassocieerd met andere pahtologie
    - rotatorcuff pathologie
    - caput longum pathologie
    - AC-letsel
    - instabiliteit
    - onregelmatigheden acromion
  2. kliniek
    - wisselend = associatie pathologie
    - therapie = onderliggende dysfunctie
    - SAPS-technieken
    - technieken acute burstitis
24
Q

bursitis calcarea

A
  1. algemeen
    - associatie calcifiërende tendinopathie
    - doorprikken van calcificatie
  2. symptomen
    - acute & hevige pijn
    - pseudoparalytische schouder
  3. therapie
    - diagnose = echo
    - anti-finllamtoir
    - combinatie technieken acute bursitis & calcifiërende tendinopathie
25
Q

scapulothoracale dysfunctie

A
  1. functioneel
    - optreden bij repitieve vermoeiing
    - uitlokken bij terugkeer anteflexie
  2. symmetrie
    - tot 14j = symmetrie
    - nadien = afh van houding & activiteiten
    - assymetrie door unilaterale sporten
26
Q

types 1 scapulaire dysfunctie

A
  1. algemeen
    - angulus inferior zichtbaar
    - teveel anterior tilt
    - bovenshandse sporten & beeldschermwerkers
  2. oorzaken
    - hypertonie pectoralis minor & GIRD
    - verstijving posterior kapsel = door Fz naar anterior tilt
    - dysfunctie LT & SA = koppel voorantwoordelijk voor posterior tilt
27
Q

types 2 scapulaire dysfunctie

A
  1. algemeen
    - volledige margo inferior zichtbaar
    - teveel interne rotatie
    - scapula alata
  2. oorzaken houdingsafwijkingen
    - overmatige protractie
    - kyfose
    - endorotatie van schouders = latissimus dorsi & GIRD
    - forward head posture
  3. dysfunctie
    - krachtenkoppel externe rotatie
    - SA & 3 trapezius bundels
28
Q

types 3 scapulaire dysfunctie

A
  1. algemeen
    - supero-mediale hoek zichtbaar
    - teveel neerwaarste rotatie & depressie
  2. bewegingen
    - plotse knik vooral bij terug vallen
    - multidirectionele instabiliteit door teveel neeraarste rotatie
  3. oorzaken
    - hypertonie levator scapulae
    - dysfunctie krachtenkoppen opwaarste rotatie = UT & SA
  4. voorkomen
    - AMBRI
    - n. thoracicus longus pathologie = SA
    - n. accessorius pathologie = trapezius
29
Q

kliniek van scapulaire dysfunctie

A
  1. inspectie
    - observatie beweging
    - ook observatie rust = levator scapulae & pectoralis minor
  2. bevindingen
    - SAPS-klachten
    - zichtbare afwijkingen in ritme tijden observatie
    - geen passieve beperkingen
    - geen pijn maar wel afwijkende positie tijdens weerstand
  3. toegevoegd onderzoek
    - kracht & lengte testen
    - SAPS-testen vaak positief
  4. symptoomreducerende testen voor scapula
    - SAT scapular assistance test = scapulaire coördiantie
    –> helpen van scapula is pijndempend voor pijnlijke beweging
    - SRT scapular retraction test = scapulaire stabiliteit
30
Q

therapie van scapulaire dysfunctie

A
  1. setting & houding
    - optimalisieren scpaulaire positie in rust
    - scapular orientation exercise
    - externe feedback = schouder op kapstok proberen plaatsen
  2. oefentherapie
    - musculaire evenwicht herstellen
    - verzwakte spieren trainen
    - hypertone spieren optrainen = pectoralis minor & levator scapula
  3. voorbeeld oefeningen
    - exorotatie
    - boogschiet oefning = bilaterale retractie
    - hoge elevatie
31
Q

therapie van type 1 scapulaire dysfunctie

A
  1. doelen
    - versterking lower trap
    - inhibitie pectoralis minor
  2. richtlijnen
    - exorotatie uitvoeren voor acitivatie lower trap en inhibitie pectoralis/upper trap
    - thoracale extensie = bevordering posterior tilt
    - vermijden gesloten keten oefening = pectoralis minor activatie
  3. voorbeelden
    - W-V oefening
    - office worker exercise
    - horizontale abductie met exorotatie
32
Q

therapie van type 2 scapulaire dysfunctie

A
  1. doel
    - promotie van externe rotatie scapula
    - activatie van alle scapulaire spieren
  2. richtlijnen
    - retractie met armen in 90° elevatie
    - romprotatie = bevordering externe rotatie
    - gesloten keten = focus op serratus anterior
  3. voorbeeld
    - boogschietersoefening
    - from prone to side bridging
    –> toevoeging van exorotatie weerstand mogelijk
33
Q

therapie van type 3 scapulaire dysfunctie

A
  1. doel
    - promoten opwaartse rotatie
    - activatie serratus anterior & upper trap
    - inhibitie levator scapulae
  2. richtlijnen
    - hoge elevatie
    - gesloten keten indien levator scapulae hypertoon is
    - voeg lateroflexie toe aan oefening
  3. voorbeelden
    - overhead shrugging
    - overhead retraction
    - wall slide
    - prone elevation
34
Q

gerefereerde pijn

A
  1. locatie
    - galblaas = rechter schouder
    - hart, aortha & diafragma = linker schouder
  2. DD = negatief onderzoek