Perfectum-Imperfectum -3 Flashcards
E, UI
helpen
hielp-hielpen
hebben geholpen
sterven (to die)
stierf-stierven
zijn gestorven
werpen (to throw)
wierp-wierpen
geworpen
dragen (to carry)
droeg-droegen
hebben gedragen
slaan (to hit, to beat, to strike)
sloeg-sloegen
hebben geslagen
varen (to sail)
voer-voeren
hebben gevaren
gaan
ging-gingen
zijn gegaan
hangen
hing-hingen
hebben gehangen
bewegen
bewoog-bewogen
hebben bewogen
scheren
schoor-schoren
hebben geschoren
wegen (to weigh)
woog-wogen
hebben gewogen
worden
werd-werden
zijn geworden
buigen
boog-bogen
hebben gebogen
fluiten (to whistle)
floot-floten
hebben gefloten
kruipen (to crawl)
kroop-kropen
hebben gekropen
ruiken (to smell)
rook-roken
hebben geroken
schuiven (to slide)
schoof-schoven
hebben geschoven
sluiten (to close)
sloot-sloten
hebben gesloten