Chapter 12 Flashcards
To send (to)
Sturen naar/aan
To hope for
Hopen op
The result
Het resultaat
To long for
Verlangen naar
To enjoy
Genieten van
Very much
Ontzettend
To be afraid of
Bang zijn voor
To be in love with
Verliefd zijn op
The thunderstorm
Het onweer
The same
Het zelfde
To be happy with
Blij zijn met
Scary
Eng
To doubt about
Twijfelen over
To taste like
Smaken naar
To speak to
Spreken tegen
The football team
Het elftal
To be startled by
Schrikken van
To surprise
Verrassen
The moon
De maan
To treat
Trakteren
Congrats
Van harte gefeliciteerd
To come in
Binnenkomen
To unpack
Uitpakken
- The cuddly toy 2. The hug
De knuffel
The form
De vorm
The cup
Het kopje
As
Zoals
Come on!
Kom op!
To dare
Durven
To sell
Verkopen
To earn
Verdienen
The circus act
De circusact
To participate in
Meedoen met
The adult
De volwassene
Forbidden
Verboden
To warn of
Waarschuwen voor
To think
Nadenken
To close
Dichtgaan
To open
Opengaan
The line, queue
De rij
To arrive in time
Op tijd komen
Awake
Wakker
To wake someone up
Wakker maken
The national holiday
De nationale feestdag
To invite
Uitnodigen
The flea market
De vrijmarkt
The carriage
De koets
The silence
De stilte
Toast with sprinkles
Beschuit met muisjes
The birth
De geboorte
Easter
Pasen
Commemoration Day
Dodenherdenking
Christmas
Kerstmis
New Year’s Eve
Oud en Nieuw