1.1 Flashcards
1
Q
account
A
verslag
2
Q
additional
A
nog eens, extra
3
Q
approximately
A
ongeveer
4
Q
be sentenced (to)
A
veroordeeld worden
5
Q
be stored (to)
A
opgeborgen zijn
6
Q
bend down (to) – bent – bent
A
bukken
7
Q
crash (to)
A
neerstorten
8
Q
explode (to)
A
ontploffen
9
Q
height
A
hoogte
10
Q
hide (to) – hid – hidden
A
verbergen, verstoppen
11
Q
impact
A
klap
12
Q
narrowly
A
op het nippertje
13
Q
ripple
A
(doen) rimpelen, golven of deinen
14
Q
section
A
deel
15
Q
slam into (to)
A
met een harde klap ergens tegenaan
botsen
16
Q
smash through
A
dwars ergens doorheen vliegen
17
Q
speak of (to) – spoke – spoken
A
spreken van
18
Q
stroll (to)
A
wandelen, slenteren
19
Q
suddenly
A
plotseling
20
Q
tremendous
A
ontzettend
21
Q
tumble (to)
A
vallen, tuimelen
22
Q
unbearable
A
ondraaglijk
23
Q
unsure
A
niet goed wetend
24
Q
wreckage
A
brokstukken