1.1 - 1.3 Zelftoetsing Flashcards

1
Q

Wat is het verschil tussen Type I en Type II spiervezels?

A

Type I (slow-twitch): Langzaam samentrekkende vezels, hoge aerobe capaciteit, lage krachtproductie, goed voor duursporten.
Type II (fast-twitch): Snelle samentrekking, meer krachtproductie, minder uithoudingsvermogen, goed voor explosieve sporten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hoe beïnvloedt training de energieproductie in spieren?

A

Aerobe training verhoogt het aantal mitochondriën en verbetert de zuurstofopname.
Anaerobe training verhoogt de efficiëntie van glycolyse en lactaatbuffering.
Krachttraining verhoogt spiermassa en ATP-CP opslag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke contractievormen bestaan er en geef een voorbeeld van elke vorm?

A

Isometrisch: Spierlengte blijft gelijk (bijv. plankhouding).
Concentrisch: Spier verkort (bijv. optrekken bij biceps curl).
Excentrisch: Spier verlengt (bijv. laten zakken van een halter).
Isokinetisch: Constante snelheid (bijv. beweging op een speciale machine).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat gebeurt er bij de Sliding Filament Theorie?

A

Actine- en myosinefilamenten schuiven in elkaar tijdens spiercontractie.
Calcium bindt aan troponine, waardoor myosine zich kan binden aan actine.
ATP zorgt ervoor dat myosinekoppen buigen en de filamenten verschuiven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is de rol van calcium bij spiercontractie?

A

Calcium bindt aan troponine, waardoor tropomyosine wegschuift en myosine zich kan binden aan actine.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is het verschil tussen ATP-CP systeem en anaerobe glycolyse?

A

ATP-CP systeem: Snelste energieproductie, gebruikt creatinefosfaat, geschikt voor korte explosieve inspanningen (0-10 sec).
Anaerobe glycolyse: Gebruikt glucose zonder zuurstof, produceert melkzuur en levert energie voor 30 sec – 2 min inspanning.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom is aerobe ATP-productie efficiënter dan anaerobe ATP-productie?

A

Aerobe dissimilatie levert 30-38 ATP per glucosemolecuul, terwijl anaerobe glycolyse slechts 2 ATP oplevert.
Vindt plaats in de mitochondriën en gebruikt zuurstof voor maximale energieopbrengst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe past een krachtsporter zijn training aan om Type II spiervezels te ontwikkelen?

A

Korte, explosieve sets met zware gewichten.
Weinig herhalingen (4-8 reps) met maximale inspanning.
Plyometrische oefeningen zoals sprongen en sprinten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is de relatie tussen zuurstofopname en ATP-productie?

A

Hoe meer zuurstof een spier kan opnemen, hoe meer ATP er geproduceerd kan worden via de oxidatieve fosforylering.
VO2max bepaalt de maximale aerobe capaciteit van een persoon.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waarom hebben duursporters meer mitochondriën in hun spieren?

A

Mitochondriën zijn de energiefabrieken van de cel en zijn verantwoordelijk voor aerobe ATP-productie.
Meer mitochondriën zorgen voor een efficiëntere vet- en glucoseverbranding, wat uithoudingsvermogen verbetert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Voor welke 3 processen is ATP nodig tijdens spiercontractie (denk aan de sliding filament theorie)

A

Cross-bridge cycling (losmaken van myosine van actine).

Herstellen van de calciumgradiënt in het sarcoplasmatisch reticulum.

Handhaven van de ionenbalans (Na⁺/K⁺-pomp) voor actiepotentialen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn de kenmerken van een concentrische, excentrische en isometrische contractie?

A

Concentrisch: Spier verkort, kracht > weerstand.

Excentrisch: Spier verlengt, kracht < weerstand.

Isometrisch: Spierlengte blijft gelijk, kracht = weerstand.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de relatie tussen kracht (power) en capaciteit van een energiesysteem?

A

Kracht (power): Hoe snel een energiesysteem energie kan leveren.

Capaciteit: Hoeveel totale energie een systeem kan produceren.

Snelle systemen (bv. ATP-PCr) hebben hoge kracht, maar lage capaciteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke energiesystemen zijn alactisch anaeroob, lactisch anaeroob en aeroob?

A

Alactisch anaeroob: ATP-PCr-systeem.

Lactisch anaeroob: Glycolyse met lactaatvorming.

Aeroob: Oxidatieve fosforylering in mitochondriën.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn vijf kenmerken van type 1, type 2A en type 2B spiervezels?

A

Type 1 (slow-twitch): Hoge uithouding, veel mitochondriën, aerobe energie, lage kracht, langzaam samentrekken.

Type 2A (fast-twitch oxidatief-glycolytisch): Gemiddelde kracht en snelheid, zowel aeroob als anaeroob.

Type 2B (fast-twitch glycolytisch): Hoge kracht, snelle contractie, weinig mitochondriën, voornamelijk anaeroob.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is de relatie tussen spiervezeltype en het dominante energiesysteem?

A

Type 1: Aeroob (oxidatieve fosforylering, lange duur).

Type 2A: Gemengd (aeroob + anaeroob, middelmatige duur).

Type 2B: Anaeroob (ATP-PCr en glycolyse, korte krachtige inspanningen).