Week 7 Flashcards
de enkel
la cheville
zijn enkel verzwikken
se fouler la cheville
de haren afscheren
raser les poils
een haar
un poil
naakt zijn
être à poil
ik wil er naakt goed uitzien
je veux être beau à poil
een grote boezem
une grosse poitrine
kringen onder de ogen
la cernes
een gerimpeld gezicht
un visage ridé
de kin
le menton
het voorhoofd
le front
de hals
le cou
de knie
le genou
de elleboog
le coude
de pols
le poignet
de onderarm
l’avant-bras
de wenkbrauw
le sourcil
de wimper
le cil
de navel
le nombril
de billen
les fesses
het gezicht
le visage
het bovenbeen
la cuisse
de kuit
le mollet
de hiel
le talon
het haar (één)
le poil
bovenlichaam/borst (van een man)
le torso
de borstkas/boezem (vrouw)
la poitrine
de borsten
les seins
de beha (familier)
le soutif
de huid
le peau
de nagel
le ongle
de handpalm
la paume
de adamsappel
la pomme d’adam
de moedervlek
la grain de beauté
de sproet
la tâche de rousseur
de duim
le pouce
de kringen onder de ogen
la cernes
de rimpels
les rides
de tenen
les orteils
de achterkant van de nek
la nuque
de heup
la hanche
de tepel
le téton
de achillespees
le tendon d’Achille
de pees
le tendon
plotseling
soudain
plotseling wist ik niets meer
soudain, je savais rien
Ik laat je iets weten/ik hou je op de hoogte
Je te tiens au courant
een vonk
une étincelle
een geniale inval hebben
avoir une étincelle de génie
de meter
la marraine
de peter
le parain
het petekind (twee opties)
le filleul
la filleule
opsluiten
séquestrer
tegenspreken
contredire
het vasten/de hongerkuur
le jeûne
absurd/zwakzinnig
aberrante
hypochonder (iemand die denkt dat hij alle ziektes heeft)
hypocondriaque
wegdoen/afraken van iemand/iets
se débarrasser de quelqu’un/quelque chose
Dit is de beste manier om van haar af te komen.
C’est le meilleur moyen de se débarrasser d’elle.
de zonsopgang
l’aube
dwingend vragen/protesteren
réclamer
Hij vraagt dringend om een factuur.
Il réclame une facture.
een uitdaging
un défi
het onheil/het kwaad
le méfait
pleiten voor/aandringen
prôner
herstellen/beteren/helen/leven verbeteren
rétablir
het beenmerg
la moelle
een lekker ding
een mooie jongen/meisje
un canon
knap zijn
être canon
de gezonde mensen
les bien-portants
genezen
guérir
naarvoren brengen/opschieten met
avancer
een hypothese naarvoren brengen
avancer une hypothèse
opschieten met een werk
avancer un travail
verbazingwekkend/verwonderlijk/buitengewoon
prodigieux/prodigieuse
ontgiften
détoxifier
zuiveren
purifier
aanbevelen/aanraden
préconiser
de schade
le dégât
De storm heeft schade veroorzaakt.
La tempête a causé des dégâts
de geluidshinder
la nuissance sonore (v)
orgaanvlees
les abats
vasten/niet eten
jeûner
topsporters
des sportifs de haut niveau
een atleet
un(e) athlète
de genezing
la guérison
uitgesloten/geen optie!!
hors de question
de pijn/verdriet
la douleur
zijn verdriet te boven komen
surmonter sa douleur
inslikken
avaler
zich verslikken
avaler de travers
zwijgen
avaler sa langue
door de zure appel heen bijten
avaler la pilule
kauwen
mâcher
de namaak
le toc
een pijnstiller
un anti-douleur
un analgésique
onbewust
inconsciemment
geloofwaardig/logisch/aannemelijk
crédile
de verzadiging
la satiété
afvallen
perdre du poids
ik wil afvallen
je veux perdre du poids
verminderde eetlust hebben
avoir moins d’appétit
veel honger hebben
avoir beaucoup d’appétit
slikken
avaler
kauwen
mâcher
de namaak
le toc
een OCD (obsessieve-compulsieve stoornis) een dwangneurose
un TOC (Trouble obsessionnel compulsif)
de afkorting
l’abréviation
Gewoon een film aan het kijken.
Juste en train de regarder un film.
ik ben naar een film aan het kijken.
Je suis au milieu d’un film.
Ja, dat zullen we nog wel zien.
Oui, c’est ce qu’on verra.
Oke, ik zal erover nadenken.
OK, je vais y penser/réfléchir
Kinderachtig/onvolwassen
puérile
Opvullen/overstelpen/bevredigen
Combler
een tekort aanvullen
combler un manque
iemand overstelpen met cadeaus
combler ··· de cadeaux
iemands wensen vervullen
combler les désirs
Een vrouw behagen
Combler une femme
je zal de mijne worden.
tu seras à moi.
je zal de mijne worden.
tu seras à moi.
Droomzacht
Faites de beaux rêves
Slim
Malin/Maligne
Dat kan niet waar zijn
Ça ne peut pas être vrai
C’est impossible
Het is moeilijk te geloven dat
J’ai du mal à croire que
verspillen/verknoeien
gâcher
zijn geld verspillen
gâcher son argent
zijn kansen verknoeien
gâcher ses chances
Door het slechte weer is het feest in het water gevallen.
Le mauvais temps a gâché la fête.
door een rood licht rijden
brûler un feu rouge
Het ruikt hier verbrand
Ça sent le brûlé
Je hangt me de keel uit met je gevraag!
Tu me gonfles avec tes questions !
een buil op zijn voorhoofd hebben
avoir une bosse au front
smerig
dégueulasse
wat hij gezegd heeft, is smerig
Ce qu’il t’a dit est dégueulasse
een tekst uit het hoofd kennen
connaître un texte par coeur
een blauwe plek
un blue
Hoelang is het geleden?
ça fait combien de temps?
krabben
griffer
De kat heeft hem gekrabd.
Le chat l’a griffé.
omgeven/omringen
s’entourer
de tactiek
le stratagème
een medicijn
un médicament
zijn welzijn
son bien-être
beperken/indijken/limiteren
endiguer
blind
aveugle
ik heb een tafel laten maken
je fais faire un table
krabben
griffer
transplanteren
greffer
de angst
l’angoisse
angstig zijn
être angoissé(e)
terugwerkende kracht
effet rétroactif
terugwerkend
rétroactif/rétroactive
Hij is bang voor zijn baas.
Il redoute son chef.
Ik vrees te moeten vertrekken.
Je redoute de devoir partir.
vrezen/niet kunnen verdragen
craindre
Wees nergens bang voor.
Ne craignez rien.
Deze plant kan niet tegen kou.
Cette plante craint le froid.
een diepvriesgerecht
un plat surgelé
ingevroren
surgelé
Zijn scheiding heeft hem ertoe gebracht te verhuizen.
Son divorce l’a amené à déménager.
Hij maakt me dol!
Il m’exaspère!
verhelpen
remédier
een slaapmiddel
le somnifère
heel gespannen zijn/snel geïrriteerd
avoir les nerfs à fleur de peau
uitgeput/doodmoe zijn(fam)
être crevé
een klopje hebben(fam)
avoir un coup de barre
dik/weldoorvoed
bien en chair
het kippenvel
la chair de poule
slaapproblemen hebben
avoir des insomnies
een vaste/lichte slaap
un sommeil lourd/léger
een diepe slaap
un sommeil profond
het minste geluid
le moindre bruit
gaan slapen
aller dans les bras de Morphée
een kruidenthee
une tisane/une infusion
een muntthee
un thé à la menthe
een kalmeringsmiddel
un sédatif léger
verbieden/bannen
proscrire
men moet pepmiddelen in de avond bannen
on doit proscrire les excitants en soirée
melk (adj)
lacté
een melkproduct
un produit lacté
een internetgebruiker
l’internaute
de pepmiddelen
les excitants
hij snuit zijn neus
il se mouche
de koorts/grip hebben
avoir la fièvre/la grippe
hoesten
tousser
een verstopte neus
le nez bouché
de keel die pikt
la gorge qui pique
een snotneus hebben
avoir le nez qui coule
kleed je warm aan/bedek je goed
couvrez-vous bien
moeite hebben met ademen
avoir des difficultés à respirer
hoofdpijn hebben (twee opties)
avoir mal à la tête
avoir mal au crâne (fam)
een zware verkoudheid hebben (twee opties)
avoir un gros rhume
avoir la crève (fam)
leiden aan slaaploosheid/krampen
souffre d’insomnies
souffre de crampes
spijsverterings-/ademhalingsproblemen hebben
avoir des problèmes de digestion/respiration
zich verzwakt/koortsachtig voelen
se sentir affaibli/fièvreux
ik voel me zwak
je me sens faible
het brand
ça me brûle
Pak vast, mijn handen verbranden
Tiens, comme ça me brûle les mains
mijn ogen gaan er van branden.
ça me pique les yeux
ik heb een stekende pijn in mijn kuit
ça me lance dans le mollet
de kramp
la crampe
kramp in je buik hebben
avoir des crampes à l’estomac
het jeukt verschrikkelijk
ça me démange beaucoup
de krampaanval
la attaque de crampes
het is opgezwollen
c’est enflé
het is opgezwollen/opgeblazen (erger dan enflé)
c’est gonflé
het is geïnfecteerd
c’est infecté
jeuk hebben
avoir une démangeaison
je hebt opgezwollen ogen
tu as des yeux enflés
een ballon oppompen
gonfler un ballon
een opgezwollen buik
un ventre gonflé
een bobbel/bult hebben
avoir une boule
verdikking/knobbeltje/ gezwel
avoir une grosseur
rode huidvlekken hebben
avoir des rougeurs de la peau
het blozen
la rougeur
een buil/een bochel/hobbel
une bosse
de bulten van een kameel
les bosses du chameau
de hobbels op de weg vermijden
éviter les bosses sur la route
ik ween bij de minste tegenwind
je pleure à la moindre contrariété
wispelturig (kind)
un enfant capricieux
de grootte van een vrucht
la grosseur d’un fruit
een bevlieging/driftbui
un caprice
een kwaadaardig gezwel in je darmen
une tumeur maligne des intestins
angsten/ slaapproblemen hebben
avoir des angoisses/des insomnies
opvliegingen hebben
avoir des bouffées de chaleur
hartkloppingen hebben
avoir des palpitations
zich misselijk voelen
avoir la nausée
puistjes hebben
avoir des boutons
overgeven (drie mogelijkheden)
vomir
dégueuler (fam)
gerber (fam)
misselijk zijn
avoir mal au coeur
pijn hebben aan het hart
avoir des douleurs cardiaques
u kunt beter
vous feriez mieux de + inf
het zou beter zijn dat
il vaudrait mieux que
laten we
vous n’avez qu’à
on n’a qu’à
je moet/het is absoluut noodzakelijk
il est impératif
rust nemen
prendre du repos
belang hebben bij
avoir intérêt à
het zou de moeite waard zijn
cela vaudrait la peine de/que
de moeite waard
valoir la peine
Het is de moeite waard
ça vaut la peine
teveel pijn hebben
avoir trop de peine
de behandeling volgen
suivre ce traitement
een recept (wat je afgeeft in de apotheek)
une ordonnance
een geneeskundige verklaring (afwezigheid voor school/sport)
un certificat médical
een arbeidsverzuim (document van dokter dat je niet kan werken)
un arrêt de travail
naar spoedgevallen gaan
aller aux urgences
verzachten
atténuer (la force)
zeuren
râler
zachte heelmeester, stinkende wonden (je pest iemand omdat je om haar geeft)
qui aime bien, châtie bien
opwindend
excitant(e)
de doping
le dopage
doping gebruiken
se doper
de valsspelerij
la tricherie
ertoe brengen om iets te doen
amener à faire quelque chose
de beproeving/tentamen
l’épreuve
Oké, laten we maar bestellen.
OK, on n’a qu’à commander.
Oké, dus laten we Claudia gewoon bellen en…
OK, on n’a qu’à appeler Claudia et…
concurreren
rivaliser
afschrikkend
dissuasif
gebrek aan bewijs
faute de preuve
een implantaat
un implant
het me het strot uit als/ het irriteert me
ça m’exaspère
verheugen/lachen uit leedvermaak
jubiler
slank/dun
mince
het doet me plezier
ça me fait plaisir
het begint irritant te worden/ik word er gek van
ça m’agacé
gekwetst zijn (heel vaak gebruikt)
être vexé(e)
het is onbegrijpelijk/ondenkbaar
c’est inconcevable
de eigenwaarde/zelfrespect
l’amour-propre(m.)
fierheid
amour propre
opgelucht zijn
être soulagé(e)
op kop liggen
être en tête de
dik/ zwaar zijn (twee mogelijkheden)
être corpulent(e)
être épaisse
zo dun als een sprietje
c’est un fil de fer
knokig/skeletachtig zijn
être squelettique
een beetje gezet/zwaarlijvig zijn
avoir un peu d’embonpoint
vel over been zijn
n’avoir que la peau sur les os
overgewicht hebben (heel dik)
être en surpoids
mooie love handles hebben
avoir de belles poignées d’amour
een dikke buik hebben
avoir du ventre
vlezig/rondborstig zijn (sexy)
être pulpeuse
de zool
la semelle
de buikspieren
les abdominaux
hij krijgt een buik
il prend du ventre
dat zijn 2 handen op een buik
ce sont deux têtes sous un bonnet
er de buik vol van hebben
en avoir ras le bol
(plat) op de buik liggen
être à plat ventre
de oogarts
l’ophtalmo(logiste)
de neuroloog
la neurologue
de longen
les poumons
de nieren
les reins(m)
de cardioloog
le cardiologue
de dermatoloog
la dermato(logue)
de orthodontist
l’orthophoniste
de tandarts
le dentiste
de gewrichten
les articulations
uit deze studie naar voorkomen
se dégager (de cette étude)
tendensen/trends
des tendances
de oprechtheid/eerlijkheid
le sincérité
voorzien zijn van
être muni de
een bloedtransfusie
une transfusion sanguine
bloed (adj)
sanguin(e)
Misschien/er is een kans dat
Il se peut que
Maar misschien krijg ik een nieuwe baan.
Mais il se peut que j’obtienne un nouveau job.
Maar ik ga misschien eerder naar huis, als ik weer misselijk word.
Mais il se peut que je parte plus tôt si les nausées reviennent.
pijnloos (zijn)
(être) indolore
een pijnloze prik
une piqûre indolore
pijn doen
faire mal
dat doet geen pijn
ça ne fait pas mal
waar heb je pijn?
où est-ce que vous avez mal?
zich pijn doen aan
se faire mal à
Hoe heb je jou pijn gedaan
comment est-ce que vous vous faites mal?
comment est-ce que tu te fais mal?
Nee ik heb me geen pijn gedaan
non, je ne me suis pas fait mal
pijnlijk (adj)
douloureux/douloureuse
een pijnlijke knie
un genou douloureux
een pijnlijke val
une chute douloureuse
het (menselijk) lijden/het leed
la souffrance (humaine)
groot leed ondervinden
éprouver une grande souffrance
dat laat me koud
cela me laisse froid
het is verschrikkelijk koud
il fait un froid de loup
een felle/hevige/harde pijn
une douleur aiguë
een uitstralende/verspreide pijn
une douleur diffus
vallen (twee mogelijkheden)
tomber
faire une chute
hij is van zijn paard gevallen (twee mogelijkheden)
il a fait une chute de cheval
il est tombé de cheval
botsen/stoten
se cogner
op de deur kloppen
cogner à la porte
ze heeft haar arm gestoten en nu heeft ze blauwplekken op haar arm
Elle s’est cogné le bras et maintenant elle a des bleus au bras
een kneuzing
une contusion
de hersenschudding
la commotion cérébrale
zijn enkel verzwikken/verstuiken
se tordre la cheville
se faire une entorse à la cheville
iets breken
se casser quelque chose
een gebroken been hebben
avoir une fracture de la jambe
een gips hebben
avoir un plâtre
Ze heeft haar been gebroken tijdens het skiën.
Elle s’est cassé la jambe en faisant du ski.
Het bord is in tweeën gebroken.
L’assiette s’est cassée en deux.
zich snijden
se couper
een snede hebben
avoir une coupure
een verband aanbrengen bij iemand
faire un pansement à ···
gestoken worden door een mug
se faire piquer par un moustique
in een appel bijten
mordre dans une pomme
gebeten worden door een hond
se faire mordre par un chien
dat klein meisje is gebeten door een hond
la petite fille s’est fait mordre par un chien
ongedeerd zijn
être indemne
ongedeerd zijn na een ongeluk
sortir indemne d’un accident
zich verwonden
se blesser
een blessure/wond
une blessure
gewond zijn
être blessé(e)
niet slapen
être insomniaque
een slapeloze nacht doormaken
passer une nuit blanche
een nachtmerrie hebben
faire un cauchemar
ziek worden
tomber malade
kou vatten
attraper froid
verkouden worden/kou vatten
attraper un rhume
de hoest (heeft haar verhinderd om te slapen)
la toux (l’a empêché de dormir)
moeite hebben om te ademen
avoir du mal à respirer
een nies
un éternuement
ze heeft 39 graden koorts
elle a de 39 degrés de fièvre
een flinke koorts (heel erg)
une fièvre de cheval
zeeziek zijn
avoir le mal de mer
slecht verteren
mal digéré
Ik verteer sommige voedingsmiddelen slecht.
verteren
Je digère mal certains aliments.
digérer
ziek zijn als een hond
avoir malade comme un chien
ze is zo ziek geweest als een hond
elle a été malade comme un chien
slecht verteerd hebben
avoir mal digéré
een zenuwinzinking hebben
faire une crise de nerfs
sterven aan een hartaanval (twee mogelijkheden)
mourir d’une crise cardiaque
mourir d’un infarctus
duizelig zijn
avoir des vertiges
hoogtevrees hebben
avoir le vertige
het bewustzijnverliezen
perdre connaissance
een duizeling/een zwijmel
un vertige
flauwvallen (twee mogelijkheden)
s’évanouir
tomber dans les pommes
een baby krijgen
attendre un bébé
de zwangerschap
la grossesse
de borst geven (twee mogelijkheden)
allaiter
nourrir au sein
voeden met de fles
nourrir au biberon
Hij geeft zijn zoon de fles.
Il donne le biberon à son fils.
de consultatie
la consultation
een zieke ausculteren
ausculter un malade
iemand de pols voelen
prendre le pouls
de bloeddruk nemen
prendre la tension
een diagnose doen
faire un diagnostic
medicijnen voorschrijven
présérie des médicaments
een bloedafname
une prise du sang
een longfoto maken
een röntgenfoto
faire une radio des poumons
une radio
het voorschrift
le prescription
de voorschriften van de dokter volgen
suivre les prescriptions du médecin
iemand een spuit geven
faire une piqûre à
de patiënt in behandeling
le patient sous le traitement
zich laten opereren door een chirurg
se faire opérer par un chirurgien
een operatie ondergaan
subir une opération
opgenomen in het ziekenhuis
être hospitalisé
een gaatje (in de tand)
une carrie
een zilveren/gouden kroon laten zetten op een tand
mettre une couronne en argent/or usur une dent
een tand uittrekken/wegnemen
arracher/enlever une dent
een siroop
un sirop
een hoestpastille
une pastille contre la toux
een antibiotica
un antibiotique
een anti-inflammatoir/een ontstekingsremmende
un anti-inflammatoire
anti-depressiva
un antidépresseur
oogdruppels
un collyre
een crème
une pommade
een aspirine
un comprimé d’aspirine
een capsule/een pil
une gélule/un cachet
een zetpil
un suppositoire
een tape
du sparadrap
een condoom
un préservatif
een (injectie)spuit
une seringue
een pleister
un pansement
verpakking (van een pleister)
un sachet
de watten
de l’ouate
du coton
de alcohol van 90graden
de l’alcool à 90degrés
een ontstekingsremmende zalf
une pommade anti-inflammatoire
het gaat om, er is sprake van
Il s’agit de
Zich schuldig voelen dat
Culpabiliser de
Se sentir coupable
Het Schuld gevoel
La culpabilité
Zich zelf de schuld geven
Se culpabiliser
Op stang jagen/kwaad maken
Emmerder
Ze doet dit enkel om me kwaad te maken.
Elle fait ça pour m’emmerder.
de kinderen
des mômes
In diepe slaap gedompeld zijn
être plongé dans le sommeil
Dat is onzin
ça ne tient pas debout
gesloten zijn
Être clos/close
Dit gedeelte van het debat is gesloten.
Cette partie du débat est close.
Aan u de eer, mijn vriend
À toi l’honneur, mon ami.