Klare taal plus 1. Flashcards
The book I bought is difficult to read.
Het boek dat ik gekocht heb, is moeilijk om te lezen.
When the calf is drowned, the well is filled. / A borjú megfulladásakor a kút megtelik.
Als het kalf verdronken is, dempt men de put.
When the need is greatest, salvation is at hand. / Amikor a legnagyobb a szükség, az üdvösség van kéznél.
Als de nood het hoogst is, is de redding nabij.
Whoever says a must also say b.
Wie a zegt, moet ook b zeggen.
A swallow does not make summer yet.
Een zwaluw maakt nog geen zomer.
single / egyedülálló
enkelvoudig
simple / egyszerű
eenvoudig
Anyone who does not honor the small is not worth the great.
Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. (=waard)
It is not all gold that glitters.
Het is niet alles goud wat er blinkt.
unfinished
onvoltooid
The book falls to the floor.
Het boek valt op de grond.
prepared
klaargemaakt
executed
uitgevoerd
happened
gebeurd
driven
gereden
collided / ütközött
gebotst
abbreviation / rövidítés
afkorting
one third of all parents
een derde van alle ouders
educator / pedagógus
opvoeder
attract / vonz
aantrekken
teach, give a good lesson
lesgeven
The verb is always separable with the following prefixes: (9)
Bij de volgende voorvoegsels is het werkwoord altijd scheidbaar: af, bij, binnen, mee, na, neer, op, tegen, terug
Walk on!
Loop toch eens dóór!
He has gone through the entire process.
Hij heeft het hele traject doorlópen.
At what time will the train arrive?
Hoe laat komt de trein aan?
How much have you gained this month?
Hoeveel ben jij deze maand áángekomen?
Such an accident is common, but it is almost impossible to prevent it.
Zo’n ongeluk komt vaak voor, maar je kunt het haast niet vookómen.
I’ve been running so fast.
Ik heb zo hard gelopen.
I walked home.
Ik ben naar huis gelopen.
weak / gyenge
zwak
to submit / benyújt (3-forms)
overleggen, legde over, hebben overgelegd
to consult / konzultál (3-forms)
overleggen, overlegde, overlegd