Hoofdstuk 17 Flashcards
Meedoen (aan)
To participate in
De fietsenmaker
The bicycle repairman
Geloven
To believe
Geloven
To believe
Bereiken
To reach
Controleren
To reach
De bingo
The bingo
De buurvrouw
The female neighbor
De reden
The reason
Het meertje
The (small) lake
De expat
The expatriate
De radio
The radio
Het afspraakje
The date
Iemand leuk vinden
To like someone
Liever
Rather, preferably
Vooruit
Forward
Oké, vooruit
Ok, let’s do it
Tekenen
To draw
To sign
Het hartje
The heart
Blozen
To blush
Voorbijkomen
To pass by
Inmiddels
In the meanwhile
Voorkomen (inseparable)
To prevent
Bedenken
To think up
Het smoesje
The excuse
Alvast
In advance
Zelfs
Even
De verkering
The love relationship
Verkering hebben
To go steady
Niet eens
Not even
Kussen
To kiss
Praten (over)
To talk about
Ervaring hebben met
To have experience with
Opnieuw
One more time
Zich afvragen
To wonder
Troosten
To comfort
De liefde
The love
De date
The date
De ware (liefde)
The true love
De serieuze relatie
The serious relationship
Iemand veroveren
To win a persons heart
De eerste stap zetten
To make the first move
Wil je met me uit?
Do you want to go out with me?
Ik vind je leuk
I like you
Ik heb een oogje op je
I have an eye on you
Ik hou van jou
I love you
Liefdesverdriet hebben
To be brokenhearted
De tranen
The tears
Huilen
To cry
Uitmaken
To break up
Dumpen
To dump
Het verdriet
The sadness
Ik heb iemand anders
I have someone else
Ik ben (al) bezet
I have already someone
Vaarwel
Farewell