H 4-5-6 Flashcards
Genegenheid
L’affetto
Liefdevol, hartelijk
Affetuoso/a
Hartelijke groeten
Affetuosi saluti
Besparen
Evitare
Onverwacht, plotseling
Improvviso/a
Het hart op de juiste plaats hebben
Essere di animo buono
Laat de moed niet zakken
Non perderti d’animo!
Gemoedstoestand
Lo stato d’animo
De genegenheid
La simpatia
Beleefd, voorkomend
Garbato
Waardering voelen voor
Simpatizzare
Hartelijkheid, warmte; het enthousiasme
Il calore
Genieten
Godere
Smachten
Spasimare
Hoogachtend
Con la massima stima
Schijn, uiterlijk
L’apparenza
Lijken, blijken
Apparire
Bemind, geliefd
Benvisto
Verachten/ minachten
Disprezzare qc/qu
Zijn hart luchten, zich uitleven
Sfogarsi
Ongenmanierdheid, onbeleefdheid
Lo sgarbo
Haten
Odiare
Afgunst, jaloezie
L’invidia
Jaloers, afgunstig
Invidioso/a
Afkeer, hekel
L’antipatia
Wrok, rancune
Il risentimento
Weerzin, walging
Lo schifo
Weerzinwekkend; vies; lelijk
Schifoso
Afschuw, afgrijnzen
L’orrore
Afschuwelijk, verschrikkelijk
Orrendo/a
Klap om de oren (geven)
Lo schiaffo -> schiaffeggiare
Iem kwaad maken
Fare arrabiare
Boos, kwaad
Arrabiato/a
WOedend, razend
Furioso/a
Kwaad worden
Incavolarsi
Kwaad, nijdig
Incavolato
Gewaarwording, (innerlijk) gevoel
La sensazione
Opzienbarend, ongelooflijk
Sensazionale
Voelen
Provare
Heimwee
La nostalgia
De zin, het verlangen
La voglia
Lusteloos, met tegenzin
Svogliato
Instinctief, impulsief
Istintivo
(Op)wekken, veroorzaken
Suscitare
Provocerend
PRovocatorio
Ontroeren, aangrijpen
Commuovere
Ontroerd, aangedaan
Commosso
De Dankbaarheid
LA gratitudine
Schaamte, schande
La vergogna
Wroeging, berouw, spijt
Il rimorso
Wat naargeestig
Che tristezza
Verlegenheid, onbehagen
L’imbarazzo
Pijnlijk, genant
Imbarazzante
Het minderwaardigheidscomplex
Il complesso d’inferiorità
Ontroering, bewogenheid
La commozione
Verwachting
L’aspettativa
Teleurstelling
La delusione
CHaos, drukte, verwarring,
La confusione
Peinzend, in gedachten verzonken
Pensoso/a
Gedachte
Il pensiero
In de war sturen, brengen
Sconvolgere
Begrijpen, vatten
Afferrare
Begrijpend, vol begrip
Comprensivo
Begrijpelijk, duidelijk
Comprensibile
Het is zeer onwaarschijnlijk dat
È Molto difficile che
Complexiteit, ingewikkeldheid
La complicatezza
HeT hoofd bieden, aanpakken
Affrontare
Ongerust, bezorgd
Preoccupato
Wijsheid
La sapienza
Veronderstellen, aannnemen
Suppore
Denkbeeldig, fictief
IMmaginario
Waarschijnlijk
Probabilmente
Zich een beeld maken
Figurarsi
Bezorgdheid, de zorg
La preoccupazione
Betekenis, de zin
Il senso
Credo in Dio
Ik geloof in God
Ik geloof hem niet
Non gli credo
Ik geloof dat verhaal niet
Non credo a questa storia
Nou, dat wil ik wel geloven!
Eh, lo credo!
We achtten hem tot alles in staat
Lo credevamo capace di tutto
in overeenstemming zijn; tot stand brengen
combinare
vergeten
dimenticare
vergeten te
dimenticarsi di
redeneren, logisch denken, nadenken
ragionare
redelijk, verstandig
ragionevole
dom, onwetend
ignorante
uit de hoogte doen, negeren, neerkijken op
snobbare
de lomperik
il cafone, la cafona
plannen, ontwerpen
progettare
nalaten, weglaten
omettere
weglaten, verzuimen
tralasciare
planning
la programmazione
nadenken, overwegen
riflettere
een sterke persoonlijkheid hebben
avere una personalità forte
ongeïnteresseerd, ongemotiveerd
svogliato/a
de eerzucht
l’ambizione
de slechte gewoonte, ondeugd
il vizio
slecht, verdorven; verkeerd
vizioso
de slimmerik uithangen
fare il furbo
opscheppen; trots zijn
vantarsi
de vaardigheid, bekwaamheid
la bravura
Dit boek is heel goed
Questo libro è ottimo
Deze pasta is heerlijk
Questa pasta è buonissima
fijn, verfijnd, scherp
fine
(de) trouw (subst en adj)
fedele, la fedeltà
loyaal, trouw
leale
(de) trots
orgoglioso, l’orgoglio
stommiteit, de flater
la stronzata
een stommiteit begaan
combinare una stronzata
iemand slaan
picchiare qu
streng, hard, koppig
duro
de strengheid
la durezza
een man van weinig woorden
un uomo avaro di parole
iemand onhoffelijk bejegenen
fare uno sgarbo a qu
laf
vigliacco/a
lafheid
la vigliaccheria
pietluttig
pignolo/a
bescheiden
modesto/a
eerlijk, oprecht
sincero/a
liegen tegen
mentire a
de leugen
la bugia
leugenachtig
bugiardo/a
plat, grof, ordinair
volgare
verlegen
timido/a
fascinerend, boeiend
affascinante
aantrekkingskracht, charme
il fascino
rust, kalmte
la tranquillità
rustig, kalm
tranquillo/a
aan de gang zijn
essere in atto
grap
la burla
grap, mop
lo scherzo
grappen maken, gekscheren
scherzare
Dat meen je toch niet?
Tu stai scherzando,spero!
poets, streek, spot
la beffa
bezwering; bijgelovigheid
la scaramanzia
het bezwerend gebaar
il gesto scaramantico
het boze oog
il malocchio
de ongeluksbrenger
lo iettatore, la iettatrice
op iemand lette
fare attenzione a qu
openhartig
aperto, aperta
Let goed op wat ik je nu zeg
Stai attento a quello che ti dico!
Pas op voor de auto’s!
Attento alle macchine!
Geestig, gevat
spiritoso/a
lollig doen
fare lo spiritoso
koketteren
fare la civetta
het vertrouwen
la fiducia
vertrouwen op
fidarsi di
naïef
ingenuo/a
stom; idioot
cretino/a
dom
fesso/a
de dommerik uithangen
fare il fesso/la fessa
ongemanierd, lomp
villano/a
onzinnig
sballato/a
wantrouwend, achterdochtig
diffidente
iemand wantrouwen
diffidare di qu
het wantrouwen
la sfiducia
besluiteloos, onzeker
indeciso/a
rusteloos, bezorgd, ongerust
inquito/a
bedoeling, plan
l’intenzione
iets van plan zijn
avere l’intenzione di / essere intenzionato/a
van plan, voornemens
intenzionato/a
Luca heeft het goed met Giovanni voor
Luca è bene intenzionato verso Gio.
zwichten, toegeven, afstand doen
cedere
omstandigheid, gelegenheid
la circonstanza
Men kan niet voorzichtig genoeg zijn!
La prudenza non è mai troppa!
doorgaan, aandringen
insistere
vasthoudendheid
l’insistenza
zich terugtrekken, zich afsluiten
chiudersi
Wees flink!
Sii forte!
het gemak
l’agio
ik voel me op mijn gemak
mi sento a mio agio
overkomen, gebeuren
capitare
Ons zijn de gekste dingen overkomen
ce ne capitano di tutti i colori
het vooroordeel
il pregiudizio
ijverig, vlijtig
diligente
stiptheid, nauwkeurigheid
la puntualità
onbevooroordeeld, ruimdenkend
spregiudicato/a
vlot, nonchalant, spontaan
disinvolto/a
vlotheid, nonchalance
la disinvoltura
afstandelijk, gereserveerd
distaccato/a
afstandelijkheid, gereserveerdheid
il distacco
reageren op
reagire a
zuchten, verzuchten
sospirare
snikken, de hik hebben
singhiozzare
opluchting
il sollievo
een zucht van verlichting
un sospiro di sollievo
opgelucht
sollevato/a
de onverwachte verrassing
l’improvvisata
direct, onmiddelijk
immediato/a
gek worden van de pijn
impazzire dal dolore
onnozel, verstrooid
balordo/a
domoor, sukkel, sufferd
il balordo/a
expres, opzettelijk
apposta
bereidwillig, ijverig
volenteroso/a
het initiatief
l’iniziativa
de poging; proef
la prova
ongelijk, fout, onrecht
il torto
op gang brengen
attivare
vastberaden
deciso/a
energiek, doortastend
energico/a
hard, koppig
tosto/a
aansporing
l’incitamento
dwingen, verplichten
costringere
vervreemdend
alienante
iem respecteren
rispettare qu
vol respect, eerbiedig
rispettoso/a
Wat een tranen!
Ma quante lacrime!
melancholie,weemoed
la malinconia
waan, obsessie
la mania
het beven, trillen
il tremore
de poging
il tentativo
handig, bekwaam
abile
een man met veel capaciteiten
un uomo di grandi capacità
mislukking
il fallimento
mislukkeling(e)
il fallito/ la fallita
deskundigheid, bevoegdheid
la competenza
toepassen, aanbrengen
applicare
voltooien, afmaken, aanvullen
completare
pogen om, proberen om
tentare di, cercare di, provare a
het eens proberen
provarci
proberen, proeven
assaggiare qc
iemand in de verleiding brengen
tentare qu
in de verleiding zijn om, neigen om
essere tentato di
verleiding
la tentazione
zich meester maken van, meester worden
impadronirsi di
hanteren, omgaan met
maneggiare qc
verrichten, doen, afmaken
compiere
uiting, vertoon, bewijs
la dimostrazione
ondernemend
intraprendente
zich op iets concentreren
concentrarsi su qc
herhalen, doorvertellen, kritiek hebben
ridire
zorgen voor, voorzien in
provvedere a
de maatregel
il provvedimento
goed kennen, verstand hebben van
essere pratico di
slagen
riuscire
plotseling optreden als, even doorgaan voor
improvvisarsi
de leugen
la bugia
gek, dwaas, maf
matto
humeur, de stemming
l’umore
de bougie
la candela
mat (flauwtjes)
fiacco
mat (lusteloos)
spento
mat (ondoorzichtig)
opaco
de mat
il tappeto
de humor
l’umorismo
hongerig
affamato/a
voedingsmiddelen, levensmiddelen
i generi alimentari/ gli alimentari
onmisbaar, absoluut noodzakelijk
indispensabile
voeding
la nutrizione
ondervoeding
la denutrizione
licht (verteerbaar)
leggero/a
meel
la farina
bruin brood
il pane nero
volkorenpasta
la pasta integrale
de (zoete) croissant
il cornetto
De tas is licht
La borsa è leggera
De koffer is zwaar
Il baule è pesante
dunne/luchtige kleren
abiti leggeri
dikke/warme kleren
abiti pesanti
Gisteren hebben we iets lichts gegeten
Ieri abbiamo mangiato leggero
een erg machtig gerecht
un piatto molto pesante
de bakker(swinkel) (2)
il panetteria/ il panificio
banketbakkerij
la pasticceria
taartje, gebakje
la pasta
schnitzel; kotelet
la cotoletta
kalfslapje
la scaloppina
mals; zacht
tenero/a
rundvlees
la carne di manzo
slager
il macellaio/a
de worst
il salame
braadworst, saucijs
la salsiccia
de ham
il prosciutto
gekookt, gaar rauw
cotto/a crudo/a
gesneden vleeswaren
gli affettati
visboer/visvrouw
il pescivendolo/a
tonijn
il tonno
forel
la trota
de tong
la sogliola
goudbrasem, dorade
l’orata
zeebaars (2)
il branzino/ la spigola
kreef (2) , langoest
l’aragosta/l’astice
de olijf
l’oliva
paprika
il peperone
Spaanse peper; chilipeper
il peperoncino
courgettes
le zucchine
aubergine
la melanza
spinazie
gli spinaci
doperwtjes
i piselli
de bonen
i fagioli
de selderij
il sedano
venkel
il finocchio
snijbiet
la bietola
komkommer
il cetriolo
de savooikool
la verza
zuurkool
i crauti
fruit van het seizoen
la frutta di stagione
nectarine
la pescanoce
fruitsalade
la macedonia (di frutta)
de vijg
il fico
watermeloen e
il cocomero
clementine (2)
la clementina/ la mandarancio
limoen
la limetta
framboos
il lampone
het verse ei
l’uovo di giornata
zachtgekookt
alla coque
pudding
il budino
chocolaatje, bonbon
il cioccolatino
snoepje, zuurtje
la caramella
doos, blik, bus
la scatola
horens, het gewei
le corna
de hoorns
i corni
lauw
tiepido/a
ijskoud, bevroren
ghiacciato/a
de drank; het drankje (2); de frisdrank
la bevanda/ la bibita
alcoholvrij
analcolico/a
de (peper)munt
la menta
eersteklas wijn
il vino pregiato
laten liggen; bewaren
stagionare
kurkentrekker
il cavatappi
mousserend
frizzante
van de tap
alla spina
flesopener
l’apribottiglie
proost!
cin cin!
(maag)bitter; kruidenbitter
l’amaro
wijnkelder, proeflokaal
l’enoteca
kroeg; bierbrouwerij
la birreria
diepvriesproducten
i surgelati
de pot, het potje, het blik(je)
il barattolo
de conserven; het inmaken
la conserva
de consumptie, het gebruik
il consumo
(kunnen) koken
cucinare
koken, bakken, braden, klaarmaken
cuocere
gaar laten worden
far cuocere
de (braad)pan
il tegame
koekenpan
la padella
deksel
il coperchio
het vergiet
lo scolapasta
raspen
gratuggiare
mengen; mixen; roeren
mescolare
aanbranden
bruciarsi
stoven, smoren, laten sudderen
stufare
proeven, proberen
assaggiare
kruiden, aanmaken, op smaak brengen
condire
de kruiden, de dressing
il condimento
scherp, pittig
piccante
de ui
la cipolla
bieslook
l’erba cipollina
bieslook
il prezzemolo
de salie
la salvia
de rozemarijn
il rosmarino
in het zuur
sott’aceto
il olie
sott’olio
mosterd
la senape
de saus (2); jus
il sugo; la salsa
nodig zijn
occorrere
gekookt
lesso/a
gerookt
affumicato/a
gebakken; gefrituurd
fritto/a
gevuld
ripieno
gegrild, geroosterd
alla griglia
snackbar, cafetaria
la tavola calda
de traiteur
la rosticceria
slap (2)
lungo/alto
sterk
corto
zeer sterk (2)
ristretto/ basso
gerste-, mout-
d’orzo
oplos-
solubile
kleine restaurant, eethuis
la trattoria
zeer eenvoudige eethuis
l’osteria
de eetgelegenheid
il locale
bestellen
ordinare
fooi
la mancia
couvert
il coperto
tafelkleed
la tovaglia
(papieren) servet
il tovagliolo (di carta)
tandenstoker
lo stuzzicadenti
het vieruurtje, tussendoortje
la merenda
de beschuit
la fetta biscottata
de sandwich
il tramezzino
plat brood op een stenen plaat gebakken
la piadina
vruchtensap
il succo (di frutta)
zuur; wrang
acido/a
koffiekopje
una tazza da caffè
een gebloemd kopje
una tazza a fiorellini
roosteren
tostare
het versgeperste (vruchten)sap
la spremuta (di frutta)
de (menu)kaart (2)
la lista / la carta
de drankenkaart
la lista delle bevande
het gerecht, het eten
la vivanda
dienblad
il vassoio
gang; gerecht
la portata
gemengd
misto/a
de zeevruchten
i frutti di mare
beste gerecht
il piatto forte
dagschotel
il piatto del giorno
de soep met vulling van rijst of pasta
la minestra
de gevulde groentensoep
il minestrone
de soep
la zuppa
de bouillon
il brodo
gloeien, gloeiend heet zijn
scottare
gegrild
ai ferri
gebraden; geroosterd
arrosto
de smaak
il sapore
verschillende soorten gekookt vlees
il bollito misto
pasteitje
il vol-au-vent
lamsvlees
l’agnello
huisgemaakt, traditioneel
alla casalinga
te gaar, te lang gekoot
scotto/a
saignant, rood
al sangue
bijgerecht
il contorno
sperziebonen
i fagiolini
de haas, de biefstuk
il filetto
langoustines
gli scampi
venusschelpen
le vongole
mosselen
le cozze
inktvis (2)
la seppia / il calamaro
de (wal)noot
la noce
de pijn(boom)pit
il pinolo
kraken (noten); fijnstampen
schiacciare
notenkraker
lo schiaccianoci
de slok
il sorso
zich uitkleden
spogliarsi
zich omkleden
cambiarsi
kleding, garderobe
il vestiario
ondergoed
la biancheria
hemd
la maglia
pyjama
il pigiama
kous, sok
la calza
de panty
il collant
bh
il reggiseno
onderjurk
la sottoveste
de zelfophoudende kousen
le calze autoreggenti
nachthemd
la camicia da notte
badpak, zwembroek
il costume da bagno
overhemd; bloes
la camicia/ la camicetta
mouw
la manica
trui, pullover (2)
il maglione / il pullover
trui; vest
il golf
twinset
i gemelli
geruit
a scacchi
de streep -> gestreept
la riga -> a righe
jurk; kleding ; pak, kostuum
l’abito
(winter)jas
il cappotto
de (over)jas
il soprabito
regenjas
l’impermeabile
doek, lap, kledingstuk
il panno
kleren, het wasgoed
i panni
van een bekend merk
griffato/a
in de mode zijn
essere di moda
het leer (2)
la pelle / il cuoio
leerwinkel
la pelletteria
laars
lo stivale
sandaal
il sandalo
de seizoenuitverkoop
i saldi di fine stagione
kleermaker; naasiter; modeontwerper
il sarto/ la sarta
de snit
il taglio
de maten
le misure
aantrekken, aandoen, dragen
indossare / mettere addosso
het linnen
il lino
vezel
la fibra
verven, kleuren
tingere
ribfluweel
il velluto a coste
de vlek
la macchia
vies, vuil
sporco/a
het vuil, de viezigheid
lo sporco
een vlek maken
macchiare
de wasserij, de stomerij
la lavanderia
de wasmachine
la lavatrice
stomen; chemisch reinigen
lavare a secco
het wasmiddel (2)
il detersivo / il sapone da bucato
de was
il bucato
naaien
cucire
het naaien
la cucitura
naald en draad
l’ago e il filo
de naaimachine
la macchina da cucire
breien
lavorare a maglia
breinaald
il ferro da maglia
haaknaald
l’uncinetto
een gat maken
bucare
scheuren
strappare
de scheur, winkelhaak
lo strappo
slecht zittend, slecht gemaakt
difettoso/a
afborstelen
spazzolare
strijkijzer
il ferro da stiro
sieraad, juweel
il gioiello
ring
l’anello
ketting
la catena
juwelier
il gioielliere
trouwring
la fede
sierspeld, broche
la spilla
edelsteen
la pietra preziosa
de oorbel
l’orecchino
armband
il braccialetto
de accessoires
gli accessori
hoofddoek
il fazzoletto da testa
de wandelstok
il bastone
ritssluiting
la cerniera
vlinderdasje
la farfalla
de kleur, tint
la tinta
sjaal
lo scialle
handschoen
il guanto
de zak (in kledingstuk)
la tasca
in je zak stoppen, aannnemen
intascare
de (veiligheids)speld
lo spillo di sicurezza
boodschappen doen
fare la spesa
winkelen
fare spese
de aankopen
le spese
de inkopen
gli acquisti
de zuinigheid
l’economicità
Zegt u ‘t maar!
Mi dica!
de portefeuille/ portemonnee (2)
il portafolio; il portamonete
kleingeld, muntgeld
gli spiccioli
de cheque
l’assegno
bonnetje, kassabon
lo scontrino
uitstallen, etaleren
esporre
de etalage
la vetrina
zakje, draagtas
il sacchetto
plastic/ papieren draagtasje
un sacchetto di plastica/ di carta
de kleding
l’abbigliamento
paskamer (2)
il camerino / la cabina di prova
verkoper/verkoopster
il commesso / la commessa
niet te koop zijn
non avere prezzo
de afbetalingstermijn
la rata
op afbetaling
a rate
opwaarderen
valorizzare
berekenen; waarderen
valutare
de BTW
l’IVA (l’imposta sul valore aggiunto)
goedkoop (2)
economico/ a buon mercato
uitverkoop, opruiming
la svendita
de (schoen)maat
il numero
kledingmaat
la taglia
het (kleding)stuk
il capo
passen
provare
ruilen
cambiare
strak; krap wijd
stretto/a largo/a
kort lang
corto lungo
deze broek zit te strak
questi pantaloni mi stanno stretti
watermeloen
il cocomero
de bakker
il fornaio
kijken (naar)
guardare
de citroenlimonade
la limonata
de citroen
il limone
de peulvruchten
i legumi
de doek, lap
il panno
de slagroom
la panna
de stof
la stoffa
de veter
la stringa
de snit
il taglio
de dop, kurk
il tappo
de komkommer
il cetriolo
het fornuis
il fornello
bewaren
conservare, mettere da parte
priklimonade
la gassosa
de aanmaaklimonade
lo sciroppo di frutta
de limoen
il lime, la limetta
de groente
la verdura
de pan
la pentola
de panne
il guasto
het stof
la polvere
de string
la tanga
de taille
la vita
de maat
la misura, la taglia
(van de) tap
(alla) spina
bij opbod verkopen
vendere all’asta
huis te koop
vendesi casa
op zoek naar
alla ricerca di
de advertentie
l’inserzione
opnemen (in), plaatsen (in)
inserire
opname, toevoeging
l’inserimento
voor/bij het huis
sotto casa
bouwvergunning
il permesso (di costruzione)
de bouw, het bouwwezen
l’edilizia
bouwrijp, te bebouwen
fabbricabile
stuk bouwgrond
il terreno fabbricabile
de bouwplaats, het bouwterrein
il cantiere
vreemd, onbevoegd
estraneo/a
plattegrond/plan
la pianta
de fundering
le fondamenta
het glas
il vetro
het gewapend beton
il cemento armato
fiberglas
la vetroresina
polystyreen
il polistirolo
de metselaar
il muratore
baksteen
il mattone
pleisterkalk
intonaco
het behangselpapier
la carta da parati
opnieuw opbouwen
ricostruire
restauratie
il restauro
wegens restauratie gesloten
chiuso per restauri
opknappen, renoveren
ristrutturare
verbouwing, renovatie
la ristrutturazione
afbreken ; omverhalen
sfondare
scheiden
separare
dak
il tetto
dakpan
la tegola
uitkijken op ; uitkomen op, grenzen aan
dare su
hard dichtslaan
sbattere
drempel
la soglia
knop, kruk, klink
la maniglia
het slot
la serratura
op slot doen afsluiten
chiudere a chiave
het luik
la persiana
rolluik (2)
la persiana avvolgibile/ la saracinesca
de leuning, balustrade
la ringhiera
trap, ladder
la scala
de wenteltrap
la scala a chiocciola
traptrede; opstapje
lo scalino
buurman/vrouw
il vicino/a
de bel
il campanello
intercom; huistelefoon
il citofono
de portiersloga
la portineria
huismeester; concierge
il portinaio/a
de huishoudhulp
la colf (la collaboratrice familiare)
comfortabel
confortevole
poort; grote deur
il portone
de verwarming
il riscaldamento
open haar; de schouw; schoorsteen
il camino
kachel, haard
la stufa
radiator; verwarming
il termosifone
stopcontact
la presa
de stekker
la spina
de schakelaar; lichtknop
l’interrutore
kortsluiting
il cortocircuito
stroom
la corrente
werking, het functioneren
il funzionamento
de kabel
il cavo
de vloer
il pavimento
plafond
il soffitto
de wand, muur
il parete
gang
il corridoio
logeerkamer
la camera degli ospiti
de salon; eetkamer, woonkamer (2)
la sala/ il salotto
het bidet
il bidè
het bad
la vasca da bagno
toilet, wc (2)
il gabinetto/ la toilette
pijp, buis
il tubo
lekken
perdere
rijtjeshuis
la casa a schiera
kleine huis met tuin
la villetta
eensgezinswoning
la casa unifamiliare
studio, eenkamerappartement
il monolocale
tweekamerappartement
il bilocale
boerderijtje; schuur
il rustico
onderdak; de woning
l’alloggio
zich vestigen, gaan wonen
stabilirsi
benedenverdieping, begane grond
il pianterreno
ongemak
disagio
verhuizen ; overbrengen (2)
cambiare casa/ traslocare
gebouw in gemeenschappelijk bezit
il condominio
(bijkomende) onkosten
le spese (supplementari)
het onderhoud
la manutenzione
onderhoudswerkzaamheden
lavori di manutenzione
alles inbegrepen
chiavi in mano
eigenaar/ eigenares (2)
il proprietario/a // il padrone/a (di casa)
huur
l’affitto
huurovereenkomst
il contratto d’affitto
huurder/huurster
l’inquilino/a
huren (onroerend goed)
affitare
huren (roerend goed)
noleggiare
contract verlengen
rinnovare il contratto
verlegen
prolungare
opzeggen, afzeggen
disdire
overeenkomen
prendere un accordo
leegruimen; ontruimen
sgombrare
gemeulibeerd
ammobiliato/a
gezocht/ gevraagd
cercasi
te huur
affittasi
onroerend goed
l’immobile
makelaarskantoor
l’agenzia immobiliare
de makelaar
l’agente immobiliare
de verkoop
la vendita
huis te koop
casa in vendita
de provisie
la proviggione
huis te koop
casa in vendita
termijn
il termine
binnenhuisarchitect
l’arredatore/trice
(neer)leggen
stendere
gaan liggen; zich uitstrekken
stendersi
de bloembak
la fioriera
inrichting ; meubilair
l’arredamento
inrichten, meubileren (2)
arredare/ ammobiliare
het (boeken)rek; de stelling
lo scaffale
het schrijftafeltje
il tavolino
de lade
il cassetto
de commode, de ladekast
il cassettone
het bureau
la scrivania
fauteuil; leunstoel
la poltrona
verplaatsen, verzetten
spostare
de gloeilamp
la lampadina
gordijn
la tenda
het tapijt, vloerkleed
il tappeto
matras
il materasso
zacht
morbido/a
het (hoofd)kussen
il guanciale
zachter zetten; lager zetten
abbassare
harder zetten; hoger zetten
alzare
huisvrouw
la casalinga
huishoudelijk werk
il lavoro di casa
wanorde, rommel , troep
il disordine
te werk gaan, voortgaan
procedere
rustig te werk gaan
procedere con calma
afhandelen, doen
sbrigare
schoonmaak
la pulizia
opruimen, schoonmaken
fare le pulizie
stofzuigen
passare l’aspirapolvere
wasmachine
la lavatrice
de was ophangen
stendere il bucato
de droger
l’asciugatrice
wrijven, boenen
strofinare
schoonvegen
spazzare
de bezem
la scopa
afstoffen, stof afnemen
spolverare
de prullenbak; het mandje
il cestino
vuilnisbak
la pattumiera
de tafel dekken
apparecchiare la tavola
het bestek
lo posata
een handje helpen
dare una mano a
de tafel afruimen
sparecchiare la tavola
de voorraad
la provista
neerleggen, neerzetten
posare
afwassen, de afwas doen
lavare i piatti
droog
asciutto/a
kooktoestel, fornuis , oven
il forno/ il fornello
magnetron
il forno a microonde
aan, ingeschakeld
acceso/a
huishoudelijke artikelen
i casalinghi
voor huishoudelijk gebruik
per uso domestico
koffiezetapparaat
la macchina da/del caffè
ruim, groot, breed, wijd
ampio/a
de ovenschaal
la teglia
de zeef
il setaccio
zeven
setacciare
de gehaktmolen
il tritacarne
badkamer, toilet
il bagno
de kamer
la camera
de kelder
la cantina
de lade
il cassetto
kabel, leiding
il cavo
verdieping
il piano
de dakpan
la tegola
het bad
la vasca da bagno
de camera
la macchina fotografica
de kantine
la mensa
de cassette
la cassetta
de kelder
la cantina
de grot
la grotta
de piano
il pianoforte
de tegel
la mattonella (vloer)/ la piastrella (muur)