das personalpronomen (het persoonlijk voornaamwoord) Flashcards
1
Q
ich
A
ik
2
Q
du
A
jij
3
Q
er
A
hij
4
Q
sie
A
zij
5
Q
es
A
het
6
Q
wir
A
wij
7
Q
ihr
A
jullie
8
Q
sie
A
zij
9
Q
Sie
A
u
10
Q
ik
A
ich
11
Q
jij
A
du
12
Q
hij
A
er
13
Q
zij (enkelvoud)
A
sie
14
Q
het
A
es
15
Q
wij
A
wir
16
Q
jullie
A
ihr
17
Q
zij (meervoud)
A
sie
18
Q
u
A
Sie
19
Q
let op!
A
bij derde persoon is word er onderscheid gemaakt tussen mannelijk vrouwelijk of onzijdig
20
Q
p 20
A