Blok 4 Week 4 Flashcards

1
Q

Waarom is je lichaam 37 graden

A

Optimale temperatuur voor enzymen, groei van veel potentiële pathogenen te remmen, stabiele temperatuur is cruciaal voor het lichaam, evolutionaire aanpassing (kinderen hoge temperatuur en ouderen lage temperatuur)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Het lichaam is in staat om meer warmte af te geven danwel de eigen warmte productie te verminderen door de volgende mechanismen

A

Verlaagd basaal metabolisme
Zweten (evaporatie)
Vasodilatatie perifeer (vergroten warmte afgifte radiatie, convectie en conductie)
Ontspannen van de arrector pili-spieren, waardoor haren plat op de huid liggen, waarmee de warmte afgifte door convectie meer wordt gefaciliteerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Het lichaam is in staat om meer warmte vast te houden danwel de eigen warmte productie te verhogen door de volgende mechanismen

A

Metabolisme verhoging:

Veroorzaakt door sympathische stimulatie en noradrenaline, adrenaline in de cellen
Veroorzaakt door chemische activiteit in de cellen
Veroorzaakt door schildklier hormoon, en in mindere mate door testosteron en groei hormoon in de cellen
Spier activiteit; bijv. rillen, klappertanden
Kippenvel: de kleine spieren aan de basis van elke haarfollikel, arrector pili-spieren, trekken samen. Dit maakt dat de haren rechtop gaan staan, een fenomeen dat bekend staat als piloerectie of “kippenvel”. Idee is dat hiermee de isolerende luchtlaag die door de haren wordt gevangen vergroot wordt, echter effect bij de mens hiervan is minimaal.
Verteren, absorberen van voedsel
Vasthouden van warmte:
Vasoconstrictie perifeer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn pyrogenen en welke soorten heb je

A

moleculen die koorts veroorzaken, exogeen: externe stoffen en endogeen: interne stoffen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn de stappen van koorts

A

Infectie of onsteking opgemerkt, vrijgave van pyrogenen, hypothalamische activatie, productie van Prostaglandine E2 (PGE2), aanpassing set-point temperatuur, onderhoud en beëindiging van koorts

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat doet hypothalamische activatie bij koorts

A

bevat temperatuurgevoelige neuronen. Cytokinen interageren met receptoren in de hypothalamus, wat leidt tot de productie van prostaglandine E2 (PGE2)-> zorgt voor temperatuurverhoging

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn logische verschijnselen als de koorts weer zakt

A

zweten, vasodialatie, lichte kleding willen aantrekken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

hyperthermie

A

lichaamstemperatuur ook verhoogd, maar is het setpoint onveranderd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Alarmsymptomen bij het kind met koorts

A

Klinisch zieke indruk/het ‘niet –pluis’- gevoel van de arts
Anders ziek dan ouders gewend zijn
Verlaagd bewustzijn/sufheid of verward gedrag
Bomberende fontanel
Veranderde huidskleur, m.n. cyanotisch/bleek/grauw zien
Kortademig of snelle ademhaling
Verminderde perifere circulatie
Petechiën of meningeale prikkeling
Focale neurologische uitval, status epilepticus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

symptomen bovenste luchtweg infectie

A

Hoesten
Keelpijn
Heesheid
Loopneus
Niezen
Oorpijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Is bronchiolitis een virale infectie

A

ja en niet vaak bij volwassenen, meest voorkomende is RS virus (binnekort vaccinatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

symptomen pneumonie

A

Koorts
Tachypneu
Hoesten
Dyspneu (intrekkingen, neusvleugelen, gebruik van hulpademhalingsspieren, zuurstof behoefte)
Kreunen (bij de ademhaling)
Buikpijn
Pijn op de borst
Braken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

risicofactoren bronchiolitis

A

prematuriteit, aangeboren hart en long ziekten, problemen met imuunsysteem, ook seizoensgebonden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

symptomen bronchiolitis

A

Neusverkoudheid
Lichte koorts (rond 38 graden)
Hoesten
Piepende ademhaling (vooral uitademing: wheezen)
Versnelde ademhaling (tachypneu) en oppervlakkige ademhaling
Intrekkingen bij de ademhaling
Slecht drinken
Apneu’s (soms stoppen met ademhalen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

veel voorkomende soorten bacteriële verwekkers pneumonie

A

Streptococcus pneumoniae
Haemophilus influenzae
Moraxella catarrhalis, ook kans op bacteriële superinfectie bij veroorzaking door influenza

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

verwekkers van een atypische pneumonie

A

Mycoplasma pneumoniae
Chlamydia pneumoniae
Chlamydia trachomatis
Legionella pneumophila
Bordetella pertussis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Meningitis

A

Symptomen zijn bijvoorbeeld:

Ernstige hoofdpijn
Pijn in de nek en rug
Hoge koorts
Nekstijfheid / luierpijn
Misselijkheid
Braken
Fotofobie en fonofobie (angst voor licht en geluid)
Epileptische aanvallen
Verwardheid of verminderd bewustzijn
Bij zuigelingen:

Minder drinken
Een volle/ bomberende fontanel)
Soms petechiën
Na een ziekteperiode met hersenvliesontsteking kunnen kinderen een levenslang restverschijnselen houden zoals: gehoorverlies, neurologische schade, motorische stoornissen, littekens en huidbeschadigingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Ook de verwekkers van meningitis zijn in te delen in:

Bacterieel
Viraal
Atypisch

A

Van de bacteriële verwekkers zijn de belangrijkste:

Neisseria meningitidis (meningococ)
Streptococcus pneumoniae (pneumococ)
Haemophilus Influenzae
De virale verwekkers:

Enterovirus
Herpes virus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is een ander ziektebeeld van meningococ

A

meningococcenziekte / meningococcensepsis, niet wegdrukbare bloedingkjes in de houd, grauw zien, slecht drinken, koorts, sufheid en/of convulsies. Ook koude rillingen, braken en diarree komen voor. Op alle leeftijden kan in de eerste uren een huiduitslag, lijkend op een viraal (rubella-achtig) exantheem optreden. Ernstig en moet snel geholpen worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Welke verwekkers zitten in het vaccinatieprogramma

A

Neisseria meningitidis, streptococcus pneumoniae, haemophilus influenzae, bordetella pertussis, rotavirus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Is koorts bij kinderen vaak bacterieel of viraal

A

viraal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat zijn 5 overige oorzaken van koorts bij kinderen

A

auto imuunziekte, auto inflammatie, maligniteit, trombose/longembolie, endocrien

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

hyperthyreoidie

A

te veel aan schildklierhormoon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Kawasaki

A

Aanhoudende koorts (minimaal 5 dagen)
Gecombineerd met ten minste 4 van de volgende criteria
Afwijkingen aan de extremiteiten
Acuut: erytheem handpalmen/voetzolen; oedemateuze handen/voeten
Subacuut (week 2/3): periunguaal vervellen van de vingers/tenen
Polymorf exantheem
Bilateraal bulbaire conjunctivale vaatinjectie zonder exsudaat
Afwijkingen tong en lippen: erytheem, aardbeien tong, gebarsten lippen, diffuse roodheid mond- en keelslijmvlies
Cervicale lymfadenopathie (>1,5 cm diameter), meestal unilateraal
Exclusie van andere ziekten met een zelfde presentatie. Verder geldt:

80% van de presentaties zijn kinderen onder de 5 jaar
Middelgrote vaten vasculitis beeld, waarbij de coronairen meedoen
Wanneer een Kawasaki onbehandeld blijft ontwikkeld 25% van de patienten coronair arterie aneurysmata.
Behandeling is gefocust op verminderen van inflammatie (IVIG/corticosteroiden) en voorkomen van trombose (ascal).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Waar let je op bij dehydratie bij een baby

A

actueel gewicht, turgor, mate van diurese, traanproductie, vochtigheid slijmvliezen, niveau fontanel, ingevallenheid van de ogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Severe combined immunodeficiency (SCID)

A

een ernstige, zeldzame aandoening van het immuunsysteem (afweersysteem). Bij SCID kunnen afweercellen zich niet goed ontwikkelen. Daardoor ontstaan infecties in bijvoorbeeld de longen, het maag-darmkanaal en de huid. Meestal beginnen de infecties in de eerste maanden na de geboorte. Infecties die normaal ongevaarlijk zijn, kunnen voor kinderen met SCID levensbedreigend zijn. Zonder behandeling kunnen kinderen met SCID al in het eerste levensjaar overlijden. Deze kinderen kunnen levend verzwakt vaccins zelf niet goed klaren. In het geval van rotavirus vaccin kan dit onder andere zorgen voor chronische diarree een daarbij failure-to-thrive (niet goed groeien). Is een contra- indicatie voor het rotavaccin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

HIV humaan immunodeficiëntie virus

A

opportunistische infectie, kan AIDS worden, 2 types en type 1 is meest voorkomend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Replicatiecyclus van HIV-1

A

Binding: aan CD4 receptor en CCR5 ofCXCR4 (co-reeptor), Reverse transciptase: van enkelstrengs RNA naar dubbelstrengs DNA, Integratie: viraal enzym intergreert in ons DNA, HIV RNA wordt gemaakt, Budding: nieuw HIV partikel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Therapie HIV en gevolgen

A

Geneesmiddelen tegen virale enxymen: reverse transciptase, protease, integrase. ART (antiretrovirale therapie) maar wel je hele leven blijven gebruiken, herstel CD4 getal (immuun reconstitutie) waardoor je een goede levensverwachting krijgt en het niet meer besmettelijk is,

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Wat doet CD4

A

CD4-cellen zijn witte bloedcellen die erg belangrijk zijn voor de afweer van ons lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Wanneer denk je aan een HIV-infectie

A

HIV-indicator aandoening (kans op onderliggende HIV infectie onder 0,1%), dus aandoeningen met laag aantal CD4 cellen,

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

HIV diagnostiek

A

combinatietest voor detectie antistoffen, 2-3 weken voordat je dingen kan zien, HIV PCR (kijken of de infectie weg gaat)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

CEREBRALE TOXOPLASMOSE

A

infectieziekte, hoofdpijn, verwardheid, lethargie, komt vaak voor bij HIV

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Moet je bij genitale wratten altijd een HIV test doen

A

Ja

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

risicogroepen HIV

A

Mannen die met mannen seks hebben, sekswerkers, wisselende partners, uit een hiv-endemisch land, intraveneus drugsgebruik, partner van iemand uit een risicogroep

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Voorbeelden HIV indicator aandoeningen

A

Cervixdysplasie, Condylomata accuminata, Candida oris en Seborroisch eczeem, Kaposi sarcoom, Herpes simplex ulcera, ernstig of therapieresistente Psoriasis, Soa’s en Herpes zoster, PJP, thrombocytopenie, redivicerende pneumonie, MS-like ziekte, onverklaarbare perifere polyneuropathie, Guillain barré syndroom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

definitie van aids en aids definiërende aandoeningen

A

Een CD4+ T-cel getal van 200 of minder of een aids-definiërende aandoening (ongeacht CD4+ T-cel getal) ten tijde van hiv-diagnose, Mycobacterium tuberculose, Pneumocystis jirovecci pnemonie (PJP), Candida oesofagitis , Kaposi sarcoom, Cervixcarcinoom, cerebrale toxoplasmose, lymfomen

37
Q

hiv late presenter verstaan we

A

Mensen met een CD4+ T-cel getal van 350 of minder of een aids-definiërende aandoening (ongeacht CD4+ T-cel getal) ten tijde van hiv-diagnose

38
Q

Klasse 1+ antigeen=CD8+ cel

A

klasse II + antigeen= CD4+ T-cel

39
Q

Twee verschillende HIV-1-stammen kunnen worden onderscheiden vanwege het verschillende co-receptorgebruik

A

R5-stammen binden aan CCR5 (figuur Ba)
X4-stammen binden aan CXCR4 (figuur Bb)

40
Q

HIV verspreiding:

A

Dendritische cellen (DC’s) zijn vaak de eerste cellen die in contact komen met HIV-1 op de plaats van infectie. Ze kunnen direct geïnfecteerd raken of HIV-1 internaliseren en overdragen naar doelcellen (stap A). Vervolgens migreren ze naar de lymfeklieren (stap B), waar ze CD4+-T-cellen activeren door HIV-1-peptiden te presenteren.

In de lymfeklier kunnen DC’s het virus intracellulair transporteren, waardoor geactiveerde CD4+-T-cellen geïnfecteerd raken (stap C). Deze geïnfecteerde T-cellen migreren vervolgens terug naar de infectieplaats (stap D). In het slijmvlies zijn macrofagen een primair doelwit van R5-virussen, omdat ze CD4 en CCR5 tot expressie brengen (stap E). Geïnfecteerde macrofagen kunnen op hun beurt CD4+-T-cellen infecteren (stap F).

Dit proces leidt tot een toename van geïnfecteerde cellen, verhoogde virale replicatie in de lymfeklieren en een stijgende virale lading in het perifere bloed.

41
Q

beperkte functie van de CD8+ T-cellen bij HIV

A

HIV-1-specifieke CD8+ T-cellen zijn niet kruisreactief op virale ontsnappingsmutaties
HIV-1-specifieke CD8+ T-cellen ontwikkelen zich niet tot langetermijn-effectorgeheugencellen, omdat hiervoor functionele CD4+ T-helpercellen nodig zijn
HIV-1-specifieke CD8+ T-cellen zijn uitgeput/disfunctioneel.

42
Q

B-cellen bij HIV

A

B-cellen produceren antilichamen die bijvoorbeeld virussen neutraliseren en zo transmissie voorkomen.

B-cellen hebben geen CD4 op hun oppervlak en kunnen daarom niet worden geïnfecteerd met HIV-1.

B-cel-effectorfuncties worden echter als te laag en te laat beschouwd bij een HIV-1-infectie. Bovendien ontwijkt HIV-1 vanwege de hoge mutatiesnelheid voortdurend de neutraliserende antilichamen.

B-celfuncties van PWH zijn aangetast, bijvoorbeeld abnormale B-celactivering door virale eiwitten kan optreden, wat kan leiden tot de kwaadaardige B-celtransformatie en AIDS-geassocieerde lymfomen die worden waargenomen bij PWH.

43
Q

T-celuitputting is een geleidelijk proces en wordt gekenmerkt door

A

Toegenomen expressie van remmende receptoren, zoals PD-1
Progressief verlies van effectorfuncties zoals cytokineproductie en het vermogen om cellen te doden
Progressief verlies van proliferatief vermogen
Toegenomen gevoeligheid voor apoptose
T-celuitputting leidt daarom tot verminderd vermogen van T-cellen om de verspreiding van HIV-1 te beheersen. T-celuitputting is een adaptief mechanisme dat weefselschade door chronische inflammatie en auto-immuniteit beperkt bij chronische antigeenstimulatie.

45
Q

latente infectie

A

geen symptomen meer

46
Q

HIV-1-latente reservoir

A

geïnfecteerde cellen waarin het HIV-1-genoom aanwezig is, maar niet actief wordt gerepliceerd. Dit reservoir is de grootste barrière voor de genezing van HIV, omdat het virus in een sluimerende (latente) staat blijft en niet wordt herkend of geëlimineerd door het immuunsysteem of antiretrovirale therapie (ART).

47
Q

waarom de afname van het aantal CD4+ T-cellen zulke schadelijke gevolgen heeft voor de aangeboren en adaptieve immuniteit van PWH

A

HIV-1 infecteert voornamelijk CD4+ T-cellen. Deze T-helpercellen spelen een centrale rol bij de ondersteuning van andere immuuncellen van zowel de adaptieve als de aangeboren respons.

De activering van de aangeboren immuniteit is verstoord. Activatie van bijvoorbeeld macrofagen is geremd, omdat minder stimulerende cytokinen worden geproduceerd. Naïeve CD4+ T-cellen nemen af in aantal, waardoor het immuunsysteem minder goed kan reageren op nieuwe pathogenen en op vaccins.

Tijdens een HIV-1-infectie is een aanzienlijk aantal geheugen-CD4+ T-cellen uitgeput. Daarom kunnen deze niet de nodige hulp bieden aan CD8+ T-cellen, bijvoorbeeld als de persoon geïnfecteerd is met een pathogeen dat hij of zij eerder heeft gezien.

T-cel-afhankelijke B-celreacties hebben ook de hulp van CD4+ T-cellen nodig en daarom is de functie van B-cellen ook verminderd bij een HIV-1-infectiePathogenen die het immuunsysteem goed kan bestrijden in een niet-gecompromitteerde gastheer, kunnen infecties veroorzaken bij mensen met een verzwakt immuunsysteem in de late stadia van HIV-1-infectie. Dan ontwikkelt zich het verworven immunodeficiëntiesyndroom (AIDS). Voorbeelden van dergelijke opportunistische infecties zijn: herpes simplex virus 1 (HSV-1), candidiasis, toxoplasmose, tuberculose. Ook de weerstand tegen bijzondere vormen van maligniteiten is afgenomen in deze fase.

48
Q

HIV-1-infectie kent verschillende progressiepatronen bij PWH (People With HIV) zonder cART, beïnvloed door gastheerfactoren, genetica, omgevingsfactoren en virale kenmerken.

A

HESN (Highly Exposed Seronegative Individuals): Blijven ondanks herhaalde blootstelling HIV-negatief, mogelijk door lage CD4+ activatie in slijmvlies of CCR5-∆32-deletie.
Normale progressoren: Ontwikkelen binnen 5-10 jaar AIDS door voortdurende virale replicatie.
Snelle progressoren: 10-15% ontwikkelt AIDS binnen 3-5 jaar, vaak door hoge HIV-1-RNA-niveaus, X4-virusinfectie en bepaalde HLA-allelen (HLA-B35).
LTNP (Long-Term Non-Progressors) & EC (Elite Controllers): LTNP (tot 9%) behoudt hoge CD4+ zonder cART; EC (<0,5%) houdt virale replicatie onder controle. Factoren: virusmutaties (bv. Nef-deletie) en gastheergenetica (bv. HLA-B57).

49
Q

Welke cellen produceren neutraliserende factoren

50
Q

(immuungerelateerde) kenmerken van HIV-1-infectie

A

Hyperactivatie van het immuunsysteem: Immuunhyperactivatie is een mechanisme dat leidt tot uitputting van CD4+ T-cellen, maar het leidt ook tot niet-HIV-1-ziekten zoals hart- en vaatziekten
Ontsnapping en uitputting: Ontsnappen: virus ontsnapt aan immuunreacties door mutaties; chronische HIV-1-specifieke antigeenstimulatie leidt tot uitputting van T-cellen.
Progressief verlies van CD4+ T-cellen in PWH bij afwezigheid van cART leidt tot verworven immuundeficiëntie.
HIV-1 integreert zich al heel vroeg in het gastheergenoom tijdens een acute HIV-1-infectie en vormt daarom een ​​latent viraal reservoir.

51
Q

Wat maakt HIV-1 zo schadelijk voor de mens?

A

HIV-1 infecteert de centrale helpercel van het aangeboren en adaptieve immuunsysteem, de CD4+ T-helpercellen.
HIV-1-infectie resulteert in chronische immuunactivatie, wat leidt tot cellulaire uitputting en schade door chronische inflammatie.
HIV-1 muteert heel snel, waardoor het adaptieve systeem er te weinig grip op krijgt.
HIV-1 verstopt zich als provirus, waardoor het niet geëlimineerd wordt.

52
Q

U=U

A

Undetectable = untransmisable

53
Q

Leg de 4 typen allergie uit

A

I: Type I: Directe (immediate) allergische reactie
Principe: Snelle reactie door IgE-gemedieerde activatie van mestcellen en basofielen.
Pathogenese:
Sensibilisatie: Bij eerste blootstelling aan een allergeen produceert het immuunsysteem IgE-antilichamen die zich aan mestcellen binden.
Effectfase: Bij hernieuwde blootstelling bindt het allergeen aan IgE op mestcellen, wat leidt tot histamine-afgifte en ontstekingsreacties.
Voorbeelden: Hooikoorts, astma, anafylaxie, voedselallergieën.
II: Type II: Cytotoxische reactie
Principe: IgG- of IgM-antilichamen richten zich tegen lichaamseigen cellen, leidend tot celbeschadiging.
Pathogenese:
Antilichamen binden aan celgebonden antigenen (bijv. op erytrocyten of weefselcellen).
Activatie van complementsysteem → celdood door complement-lysis of fagocytose.
Voorbeelden:
Hemolytische anemie door bloedtransfusie met verkeerde bloedgroep.
Ziekte van Graves (antilichamen tegen TSH-receptor).
III:Principe: Immuuncomplexen (antigeen-antilichaam) slaan neer in weefsels, wat ontstekingen veroorzaakt.
Pathogenese:
Circulerende immuuncomplexen slaan neer in bloedvaten, gewrichten of nieren.
Activatie van complement → aantrekken van neutrofielen → weefselschade door enzymen en ontsteking.
Voorbeelden:
SLE (lupus erythematodes).
Arthus-reactie (lokale immuuncomplexvorming na vaccinatie).
Serumziekte (reactie op dierlijke antistoffen, bijv. tegen slangengif).
VI:Type IV: Vertraagde (T-cel-gemedieerde) reactie
Principe: Geen antilichamen betrokken; T-lymfocyten (CD4+ en CD8+) veroorzaken ontsteking en weefselschade.
Pathogenese:
Sensibilisatie: Antigenen worden gepresenteerd aan T-helpercellen (Th1 en Th17).
Effectfase: T-cellen activeren macrofagen en cytotoxische T-cellen, wat leidt tot chronische ontsteking en weefselschade.
Voorbeelden:
Contactallergie (nikkel, latex, bepaalde planten).
Tuberculine-reactie (Mantoux-test).
Ziekte van Crohn (auto-immuunreactie in de darmen).

54
Q

hygiënehypothese

A

stelt dat een geringe blootstelling aan ziekteverwekkers, met name bacteriën en wormen, op jonge kinderleeftijd tot gevolg heeft dat het immuunsysteem zich minder goed ontwikkelt, Binnen de hygiënehypothese staat met name een verstoring in de balans tussen T helper-1 cellen en T-helper-2 cellen centraal. Er wordt hierbij veelal aangenomen dat een verminderd contact met pathogene bacteriën resulteert in een verminderde Th1 activiteit en een verhoogde Th2 activiteit. Verhoogde activiteit van Th2 cellen is sterk geassocieerd met de ontwikkeling van allergische ziekte (zie afbeelding hiernaast).

55
Q

‘Old friends’ hypothese

A

wij, als soort, evolutionair zijn ontwikkeld in co-evolutie met een gebalanceerd darm-microbioom, inclusief parasitaire helminthen (wormen). Dit zorgde voor een uitgebalanceerd immuunsysteem. Maar juist de parasitaire wormen zijn in de westerse wereld uitgebannen, en dat zou een mogelijke verklaring kunnen zijn voor het uit evenwicht raken van onze afweer.

56
Q

Wat doen Th1 en Th2 cellen

A

autoimuun; allergie

57
Q

Biodiversiteits-hypothese

A

stelt dat een uitgebalanceerd immuunsysteem direct samenhangt met een gebalanceerd, zo divers mogelijk microbioom op de locaties waar we met de buitenwereld in contact staan (huid, en slijmvliezen van ademhalingswegen en maag-darmstelsel)

58
Q

dysbiose

A

onbalans in microbioom

59
Q

epitheliale barrière theorie

A

Deze stelt dat blootstelling aan toxische stoffen in onze omgeving, die samenhangen met een moderne leefstijl, de integriteit van het beschermende epitheel van huid, luchtwegen en darm aantast, Epitheliale barrières van huid en slijmvliezen zijn essentieel om allergenen – dus stoffen die een allergie kunnen veroorzaken – buiten het lichaam te houden. Diverse allergenen van bv. planten of huisstofmijten zijn enzymen die kunnen bijdragen aan het instabieler maken van het epitheel. Hierdoor kunnen ze gemakkelijker doordringen in het onderliggende weefsel.

60
Q

3 cytokinen die een belangrijke rol spelen in de pathogenese van de type I allergische reactie

A

IL-4 – Stimuleert de differentiatie van naïeve T-helpercellen (Th0) naar Th2-cellen en bevordert de productie van IgE door B-cellen.
IL-5 – Belangrijk voor de activatie en overleving van eosinofielen, die betrokken zijn bij de late fase van de allergische reactie.
IL-13 – Werkt samen met IL-4 om IgE-productie te stimuleren en draagt bij aan mucosale hyperreactiviteit (bijv. bij astma).

61
Q

Drie celtypen en hun rol in de type I allergische reactie

A

Mestcellen: Vroege fase, Degranuleren bij contact met allergeen, waardoor histamine, tryptase en andere mediatoren vrijkomen → vasodilatatie, bronchoconstrictie, jeuk.
Eosinofielen: Late fase, Produceren toxische eiwitten (bijv. major basic protein, eosinophilic cationic protein) die weefselschade en ontsteking veroorzaken.
Th2-cellen: Late fase, Produceren cytokinen (IL-4, IL-5, IL-13) die IgE-productie stimuleren en eosinofielen activeren.

62
Q

Welk immunoglobuline isotype is essentieel voor het ontstaan van de type I allergische reactie

63
Q

Pathogenese van de Type I Allergische Reactie

A
  1. Sensibilisatiefase (eerste blootstelling aan het allergeen),
  2. effectfase (hernieuwde blootstelling aan het allergeen), 1️⃣ Sensibilisatie: Allergeen → IgE-productie → IgE bindt aan mestcellen.
    2️⃣ Vroege fase: Snelle degranulatie van mestcellen → Histamine → Allergische symptomen.
    3️⃣ Late fase: Eosinofielen en Th2-cellen veroorzaken langdurige ontsteking.
64
Q

paracetamol bij kinderen

A

zetpillen hebben tragere absorptie, snelle onder of overdosering door verkeerd meten en smaak, bij jonge kinderen veranderd de dosis snel, weinig water bij een pil bij kinderen

65
Q

Malaria

A

door plasmodium parasieten, parasitaire protezoa verschillende soorten, symptomen: koorts, en verder bijna alles, verschillende koortspatronen

66
Q

endemisch

A

is het continu voorkomen van een infectieziekte in een bepaald gebied zonder dat de patiënten de ziekte elders hebben opgelopen en waarbij het aantal besmettingen relatief constant is

67
Q

Plasmodium falciparum komt in verschillende stadia in het menselijk lichaam voor.

In welke volgorde ontstaan de onderstaande stadia in de mens na infectie

A

Sporozoïeten, leverschizont, merozoïet, trofozoïet, bloedschizont, gametocyt

68
Q

Wat maakt dat malaria tropica ernstiger kan verlopen dan malaria tertiana en malaria quartana

A

Malaria tropica is levensbedreigende infectieziekte. Een infectie met Plasmodium falciparum kan een fataal beloop hebben. Infecties met P. vivax, P. ovale en P. malariae hebben dat over het algemeen niet. Symptomen alleen bij malaria tropica: orgaanschade en cerebrale malaria, incubatietijd 1 week

69
Q

diagnostiek malaria

A

bloedtest (dikkedruppeltest), malaria antigeensneltest (minder betrouwbaar dus eerder resistentie), moleculaire malaria sneltesten. Afwijkingen in het bloed: Verhoogd lactaat, Trombocytopenie, Verlaagd hematocriet. LAMP

70
Q

criteria ernstige malaria

A

zie notion

71
Q

waar tegen beschermt malariaprofylaxe

A

niet tegen infectie maar wel tegen ziekte

72
Q

verschil advinitieit en affiniteit

A

Affiniteit is de bindingssterkte tussen één antilichaambindingsplaats en een epitoop, terwijl aviditeit de totale bindingssterkte is van een multivalent antilichaam aan een antigeen.

73
Q

De diagnostiek voor actieve tuberculose is uniek. Tuberculose heeft namelijk speciale kenmerken die andere infecties niet hebben:

A

Tuberculose omvat verschillende bacteriesoorten.
Tuberculose groeit langzaam.
Voor detectie is een speciale kleuring nodig

74
Q

omstandigheden die bijdragen aan de reactivatie van tuberculose

A

oudere leeftijd, HIV, immuunsuppressieve medicatie, ondervoeding, alcoholisme

75
Q

Wat zijn B-symptomen

A

koorts, nachtzweten en onverklaard gewichtsverlies (tuberculose, lymfoom, solide tumoren, chronische infecties)

76
Q

testen om tuberculose op te sporen

A

mantoux (TST) of IGRA, dit is bij een latente infectie anders doe je een PCR of kweek

77
Q

Tuberculose

A

door Mycobacterium tuberculosis bacterie

78
Q

wat doe je voor een screening voor tuberculose uit hoog-endemische landen en waarom

A

chest-X-ray, kunt actieve tuberculose zien en relatief goedkoop en snel, geen latente en vals-positief kan als iemand eerder heeft gehad

79
Q

atovaqon/proguanil

A

niet tegen hypnozoïten
= een soort slapende vorm, vetrijkvoedsel nodig om goed op te nemen, bijwerkingen zijn hoofdpijn en buikklachten maar ook nachtmerries en koorts en verminderde eetlust en angst en slapenloosheid en huilen, niet nemen bij verminderde nierfunctie, hoge dosering bij acute malaria, altijd innemen met voedsel, doorgaan tot 7 dagen na vertrek uit land, Begrijpen dat atovaquon het mitochondriale elektronentransport van Plasmodium remt, waardoor de energieproductie stopt.
✅ Weten dat proguanil wordt omgezet in cycloguanil, dat de dihydrofolaatreductase (DHFR) van de parasiet blokkeert en zo de DNA-synthese verhindert.
✅ Inzien dat de combinatie een synergetisch effect heeft en effectief is tegen Plasmodium falciparum.

80
Q

3 stappen bij infectie met virus

A

productie type I interferonen en andere cytokinen, activatie NK cellen leidt tot dontrole replicatie virus en doden geinfecteerde cel, antigen-specifieke cytotoxische T cellen doden de geïnfecteerde cellen

81
Q

Wat als een cel wordt geinfecteerd

A

gaat type 1 IFN maken-> diffunderen naar cellen in directe omgeving (paracrien effect)-> type 1 IFN bindt aan de interferon receptor, vrijwel alle cellen hebben IFNAR expressie-> IFN type 1 interfereert met de virus replicatie

82
Q

Wat zijn interferon gestimuleerde genen (ISG’s)

A

genen geinduceerd door type 1 interferon na binding van IFN-1 aan de IFNAR (vb. MxA en OAS1), coderen voor eiwitten die de virale replicatie en assemblage remmen, cytosol van RNA en DNA sensoren omhoog voor als de cel zelf ook geinfecteerd raakt

83
Q

Plasmacytoïde DC

A

professionele type 1 IFN producent, uniek, het induceert resistentie tegen virale replicatie en meer expressie van liganden voor receptoren op NK-cellen en activatie van NK cellen

84
Q

Nk-cellen

A

aangeboren lymfoïde cel (ILC), vroeg immuunrespons, activatie door type 1 IFN, granule met lytische stoffen en cytoplasma: granxyme en perfornine, ook voor immuniteit tegen andere intracellulaire pathogenen en tumoren

85
Q

binding type 1 IFN aan IFNAr leidt tot

A

muturatie DC’s en antigen presentatie, differentiatie van monocyten, activatie Th1 cellen, overleving CD8+ T cellen, sterkeren prolifiratie en differentiatie van B cellen

87
Q

Virussen worden herkend door patroonherkennende receptoren (PRR’s)

A

Toll-like receptors (TLR’s) en RIG-1-like receptors (RLR’s), na deze activatie worden signaalroutes geactiveerd

88
Q

Het Model van Epstein

A

beschrijft hoe sociale processen en omstandigheden bijdragen aan stigmatisering. Epstein benadrukt onder andere:

1️⃣ Wetenschappelijke onzekerheid & kennisproductie → In de vroege aidscrisis was er veel onduidelijkheid over transmissie en behandeling, wat leidde tot angst en stigma.
2️⃣ Sociale netwerken & belangenorganisaties → Activistengroepen (zoals ACT UP) speelden een belangrijke rol in het bestrijden van stigma en het versnellen van onderzoek.
3️⃣ Machtsstructuren & institutionele reacties → Overheden en gezondheidsinstanties bepaalden mede hoe de samenleving met hiv/aids omging. In sommige landen leidde dit tot repressieve maatregelen, terwijl anderen (zoals Nederland) kozen voor een inclusieve aanpak.

89
Q

Stigmatisering

A

het iemand of een groep van mensen voorzien van een negatief kenmerk

90
Q

Alles over Large Langauge Model (LLM)

A

kunstmatig intelligent model dat getraind is om menselijke taal te begrijpen en te genereren. deep learning, probabilistische voorspelling, grote hoeveelheden tekst, Een LLM doorloopt verschillende trainingsfasen:

✅ 1. Pre-training: Het model leert patronen uit grote hoeveelheden tekst (boeken, artikelen, websites).
✅ 2. Fine-tuning: Extra training op specifieke taken of domeinen, soms met menselijk toezicht.
✅ 3. Reinforcement Learning from Human Feedback (RLHF): Mensen beoordelen modeluitvoer om de kwaliteit en veiligheid te verbeteren.

91
Q

EUR-regels voor verantwoord gebruik van LLMs

A

✅ 1. Transparantie → Studenten moeten aangeven als ze een LLM hebben gebruikt.
✅ 2. Geen plagiaat → LLMs mogen niet gebruikt worden om teksten letterlijk over te nemen zonder bronvermelding.
✅ 3. Kritisch gebruik → Controleer output op fouten en bias.
✅ 4. Beperkte toepassing bij toetsing → LLMs mogen niet worden gebruikt bij examens of opdrachten waar eigen inzicht vereist is.
✅ 5. Privacy & data security → Geen vertrouwelijke of persoonlijke gegevens invoeren.