Week 6A: (De)centralisatie Flashcards

1
Q

Welke taken zijn verdeeld tussen publieke instellingen?

A
  1. Keuzes maken.
  2. Verantwoordelijkheid.
  3. Voorziening (wie voert uit).
  4. Bekostiging (wie betaalt).
  5. Financiële verhoudingen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat houdt fiscaal federalisme in?

A

Dit is een economische en politieke theorie die gaat over het verdelen van financiële verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen verschillende overheidsniveaus.

Behoort tot de ‘first generation of theories’.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe is fiscaal federalisme gekoppeld aan bekostiging?

A

Prijs: lokale overheden kunnen misschien goedkoper activiteiten uitvoeren.

Belasting: lokale overheden kunnen hun eigen belastingen heffen, waardoor de centrale overheid minder belasting naar de lokale overheden hoeft te sturen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat houdt het Theorema van Oates in?

A

Deze houdt in dat:
- Decentralisatie van publieke goederen/diensten efficiënter is wanneer de voorkeuren en behoeften van burgers verschillen tussen regio’s.
- Centralisatie is alleen voordeliger als er schaalvoordelen zijn.

Je hebt dus ook die grafiek, die laat zien dat de ene partij meer kan produceren dan de andere voor dezelfde prijs.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat voor conclusie kun je trekken uit het Theorema van Oates?

A

Er is een aansluiting tussen de voorkeuren en kosten: optimale welvaart. Dit betekent dat voorziening zo decentraal mogelijk moeten zijn. Maar: hou wel rekening met de optimale omvang van het voorzieningsgebied.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat bepaalt wat een optimaal voorzieningsgebied is?

A
  1. Ruimtelijk bereik: het gebied moet groot genoeg zijn om iedereen in een bepaald gebied te kunnen bereiken. Een supermarkt moet bvb goed te bereiken zijn.
  2. Schaalvoordelen/-nadelen: het gebied moet groot genoeg zijn om schaalvoordelen te genieten, bvb lagere kosten per eenheid. Of: het gebied moet groot genoeg zijn om schaalnadelen te voorkomen.
  3. Externe effecten/spill-overs: het gebied moet zo bepaald worden dat negatieve en positieve externe effecten meegenomen worden in besluitvorming.
    - Negatief als in afvaldumping: leidt tot vervuiling in omliggende gebieden. Bij besluitvorming over afvaldumping moeten deze gebieden dus meegenomen worden in besluitvorming.
    - Positief: Openbaar vervoer, als hier veel in wordt geïnvesteerd, leidt dat tot betere bereikbaarheid vanuit buiten de regio.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de aanbevelingen watbetreft het aanbieden van voorzieningen?

A
  • Maak de voorziening zo decentraal mogelijk.
  • Dit is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
  • Als de voorziening zo decentraal mogelijk is, kan dit concurrentie tussen aanbieders vergroten.
    * Kleine aanbieders hebben meer kans om lokaal te opereren.
  • Maar: meer concurrentie op lokaal niveau kan ook het verschil tussen regio’s vergroten. Dit leidt tot ‘voting with the feet’.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat houdt het subsidiariteitsbeginsel in?

A

Dit beginsel stelt dat beslissingen en verantwoordelijkheden zo dicht mogelijk bij de burger genomen moeten worden. Hogere overheidsniveaus moeten alleen ingrijpen wanneer lagere overheidsniveaus niet in staat zijn om een bepaalde taak effectief/efficiënt uit te voeren.

Kernideeën:
1. Zo veel mogelijk decentralisatie.
2. Hogere niveaus als vangnet.
3. Het bevordert efficiëntie en democratie (burgers hebben meer invloed op besluitvorming).

Voordelen:
1. Flexibiliteit: lokale overheden kunnen zich beter aanpassen aan specifieke behoeften van hun regio.
2. Democratie: burgers hebben meer directe invloed op lokaal beleid.
3. Efficiëntie: middelen worden doelmatiger ingezet.

Nadelen:
1. Ongelijkheid tussen regio’s.
2. Gebrek aan capaciteit op lokaal niveau.
3. Coördinatieproblemen bij grensoverschrijdende taken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat betekent ‘voting with the feet’?

A

Dit heeft te maken met decentralisatie. Bij decentralisatie kan op lokaal niveau meer concurrentie komen. Dit kan op zijn beurt weer leiden tot regionale verschillen.
In deze context betekent voting with the feet dat mensen hun voorkeuren voor publieke goederen/diensten laten zien door te verhuizen naar het gebied dat beter aansluit bij hun behoeften.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe duidelijk kun je zien wat het ruimtelijk bereik is?

A

Duidelijk:
1. Europees: monetair beleid, milieu, internationaal beleid.
2. Nationaal: verdelingsfunctie.
3. Regionaal: dijkbescherming.
4. Lokaal: groenvoorziening, straatverlichting.

Minder duidelijk:
1. Buitenlands beleid.
2. Begrotingsbeleid.
3. Defensie.
4. Ouderenzorg.
5. Brandweer.
6. Onderwijs.
7. Ziektebestrijding.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke niveaus van decentralisatie heb je?

A
  1. Uiterste: volledige (de)centralisatie.
  2. Veel tussenvormen obv:
    - Keuze.
    - Verantwoordelijkheid.
    - Voorziening.
    - Bekostiging.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn de aspiratieniveaus van Goedhart en welke zijn dat?

A
  1. Eerste: compensatie voor grootste verschillen in belastingcapaciteit.
  2. Tweede: compensatie voor verschillen in objectieve behoeften.
  3. Derde: volledige egalisatie voorzieningencapaciteit.
  4. Vierde: gelijke voorzieningen.

In Nederland wordt officieel het derde niveau nagestreefd, maar in de praktijk is dat het vierde niveau.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn de ‘eerste generatie theorieën’?

A

De basis voor het begrijpen van publieke economie. Fundamentele concepten zoals publieke goederen, externe effecten en meer werden geïntroduceerd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de ‘tweede generatie theorieën’? (3 dingen)

A

Theorieën die de conclusies uit de eerste generatie kunnen matigen of zelfs omslaan.

  1. Political Economy: het gedrag van politieke deelnemers heeft invloed op het besluitvormingsproces.
  2. Behavioural Economics: niet-rationeel gedrag.
  3. Agency Theory en Transaction Costs: verschillende belangen, bijkomende kosten informatie, samenwerking, toezicht, etc.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarom heeft ‘political economy’ invloed op de keuze tot (de)centralisatie?

A
  • Omdat bij politieke besluitvorming deelnemers vaak eigen belangen hebben.
  • Deze belangen kunnen vervormd worden door lobbyen, persoonlijke belangen of corruptie.
  • Elk voorstel voor (de)centralisatie wordt daarom hierop beoordeeld en is er soms meer (de)centralisatie dan gedacht.

Voorbeeld:
- Stel er is een duidelijke theoretische voorkeur voor decentrale voorziening van een goed.
- Maar: op lokaal niveau is er veel gelobby en corruptie.
- Dan is het misschien toch beter om dit op centraal niveau te doen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom heeft ‘behavioral economics’ invloed op de keuze tot (de)centralisatie?

A
  • Hierbij gaat het om gedragseconomie.
  • Mensen handelen niet altijd rationeel, dat komt door:
    - Het overschatten van het heden.
    - Verliesaversie: willen niets ‘verliezen’.
    - Geldillusie: mensen richten zich op nominale waarde ipv werkelijke waarde.
    - Overdadig optimisme.
    - Framing.
  • Ook hier is er soms meer (de)centralisatie dan verwacht.

Voorbeelden:
- Bijstand: we vinden het belangrijk dat gemeenten geen eigen verdelingsbeleid voeren, daarom regelen we het centraal.
- Lokale cultuur en identiteit: als lokale cultuur en identiteit belangrijk wordt gevonden wordt het toch decentraal gedaan, terwijl het eigenlijk doelmatiger is om het centraal te doen.

17
Q

Waarom heeft ‘agency theory/transactiekosten’ invloed op de keuze tot (de)centralisatie?

A

Dit heeft te maken met het principaal-agentprobleem, waarin het Rijk de principaal is en de lagere overheid de agent. Het Rijk kan sturen via transactiekosten:
- Informatie.
- Contracten.
- Toezicht.
- Controle.

Voorbeelden:
- Complexe en onzekere projecten moet je eerder op centraal niveau doen.
- Maar hoe groter de organisatie van dat project, hoe eerder je de controle verliest. Dan is het beter om te decentraliseren.

18
Q

Wat zijn de criteria voor optimale bekostiging?

A
  1. Allocatie (efficiëntie).
  2. Verdeling (equity).
  3. Stabilisatie/groei.
  4. Transparantie/accountability.
  5. Administratieve lasten.
  6. En ook second generation theories.
19
Q

Wat is optimale allocatie van bekostiging?

A

Een optimale allocatie betekent maximale welvaart en bij productie minimale kosten. Consumptie vindt plaats bij p=mk. Maar: dit geldt alleen voor ‘normale’ voorziening van goederen/diensten, en dus niet bij collectieve goederen, externe effecten, marktmacht, verdeling.

20
Q

Wat houdt verdeling van bekostiging in?

A

Je hebt verschillende inkomstenbronnen om projecten mee te bekostigen. De voorkeur voor manier van bekostiging is zo verdeeld:
1. Prijzen en tarieven.
2. Belastingen.
3. Vrij besteedbare overdrachten van andere overheden.
4. Gebonden overdrachten van andere overheden.
5. Leningen.

21
Q

Wat is het profijtbeginsel?

A

Degene die profiteert van een bepaalde overheidsvoorziening, moet ook bijdragen aan de financiering ervan.

22
Q

Wat heeft het profijtbeginsel met prijzen en tarieven te maken en waarom kan een optimale prijs tot verlies leiden?

A

Het profijtbeginsel werkt goed voor gewone goederen/diensten omdat het exclusief voor betalende gebruikers toegankelijk is. Daar geldt dat de optimale prijs p=mk is. Maar voor publieke goederen is dit anders. Omdat iedereen recht heeft op publieke goederen is de prijs meestal lager of zelfs 0. Als je de optimale prijs p=mk dan gaat hanteren, wil niemand er voor betalen en dan lijdt je verlies.

23
Q

Wat is de Theory of Second Best?

A

Deze theorie werd gepresenteerd door Lipsey en Lancaster en houdt in dat wanneer een ideale situatie (de eerste beste) niet haalbaar is vanwege marktfalen, dan moet je gaan voor de tweede beste ipv proberen om toch voor de eerste beste te gaan.

Stel dat er bij marktmacht p>mk geldt, dan is het optimaal om voor de overheid ook p>mk te hanteren. Maar: dit kun je niet toepassen op collectieve goederen en alles wat met rechtvaardigheid/verdeling te maken heeft, want dan gaat het tegen het hele idee van collectieve goederen in. De tweede beste optie is dan toch een lagere prijs hanteren.

24
Q

Wat zijn de richtlijnen voor belastingen?

A
  • Grondslag: zo inelastisch mogelijk, om de economie zo min mogelijk te verstoren.
  • Grondslag: zo breed mogelijk; hef belasting over een breed scala aan goederen, diensten of inkomsten.
25
Q

Wat zijn voordelen van belastingen als manier van bekostigen?

A
  1. Het heeft (enige) relatie met de (totale) uitgaven. Hoe meer belastinginkomsten, hoe meer je kan uitgeven.
  2. Als lagere overheid ben je dan minder afhankelijk van hogere overheid.
26
Q

Wat zijn nadelen van belastingen als manier van bekostigen?

A
  1. Het heeft geen directe relatie met profijt. Je kan wel belastinggeld investeren maar dat zal niet automatisch leiden tot profijt.
  2. Vaak leidt belasting tot schade aan de welvaart.
  3. Concurrentie maar dan met belastingen (race to the bottom): als bedrijf ga je natuurlijk naar het gebied met de laagste belastingtarieven.
  4. Rijke overheden steeds rijker, arme steeds armer.
27
Q

Wat is het verschil tussen vrij besteedbare overdrachten en gebonden overdrachten?

A

Als het vrij besteedbaar is, dan kan de lagere overheid zelf weten waaraan het besteed wordt. Maar is het gebonden, dan kan het alleen besteed worden aan een bepaald doel.

28
Q

Waarom zou de overheid kiezen voor gebonden overdrachten?

A

Zodat je invloed hebt op de activiteiten van lagere overheden. Dit is een voorbeeld van paternalisme.

29
Q

Wat is paternalisme?

A

Dit is wanneer de overheid beslissingen neemt voor anderen, met de gedachte dat het in hun eigen belang is, ook al kunnen deze beslissingen ingaan tegen hun eigen wensen of autonomie van betrokkenen.

30
Q

Wat is het flypaper effect en wat heeft het te maken met gebonden overdrachten?

A

Wanneer de hogere overheid een gebonden overdracht doet aan een lagere overheid, zou je verwachten dat dit tot lagere belastinguitgaven voor lokale inwoners. Maar: in de praktijk wordt een groot deel van de ontvangen middelen gebruikt voor extra overheidsuitgaven, en blijft dus ‘plakken’ bij de overheid als een vlieg aan een flypaper.

31
Q

Waarom leiden gebonden overdrachten tot welvaartsverlies?

A
  1. Gebonden overdrachten dwingen een specifieke besteding af, en die is meestal niet de meest efficiënte besteding. Het had efficiënter/goedkoper gekund en daarom wordt het gezien als verlies
  2. Verlies van keuzevrijheid kan resulteren in uitgaven die niet aansluiten bij lokale behoeften/voorkeuren en dat leidt tot een lagere maatschappelijke welvaart.
32
Q

Waarom staan gebonden overdrachten helemaal onderaan de voorkeursvolgorde van bekostigen?

A

Vanwege drie dingen:
1. Paternalisme.
2. Flypaper effect.
3. Verlies van welvaart.

33
Q

Wie zijn de decentrale overheden in Nederland?

A
  • Nationaal niveau: het Rijk.
  • Decentraal: gemeenten, provincies, waterschappen.
  • Middenveld.
  • Supranationaal: de EU.
34
Q

Wat is het Huis van Thorbecke?

A

Thorbecke heeft geleid tot een Grondwetsherziening in 1848. Hij is de basis voor de verdeling van ons nieuw Staatsbestel.

Hij kwam met het Huis van Thorbecke. Het is namelijk een metafoor, en stelt het bestuurlijk systeem voor als een huis met drie verdiepingen:
1. Bovenste verdieping: het Rijk (landelijk niveau).
2. Middelste verdieping: de provincies (regionaal).
3. Onderste verdieping: de gemeenten (lokaal).

Niet alleen werd het bestuurlijk systeem in lagen opgedeeld, maar de lagere overheden kregen tot zekere hoogte ook autonomie en bevoegdheden om zelf dingen te regelen.

35
Q

Hoeveel geven gemeenten uit van het BBP en waaraan precies?

A

De gemeenten geven zo’n 30% van de totale uitgaven van de overheid uit. Dit aandeel blijft maar toenemen door de WMO, WAJONG en de jeugdzorg.

Gemeentelijke uitgaven omvatten:
- Sociale voorzieningen en maatschappelijke dienstverlening.
- Ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.
- Volksgezondheid.
- Cultuur en recreatie.
- Verkeer en vervoer.
- Onderwijs.
- Overige uitgaven.

36
Q

Hoeveel geven provincies uit en waaraan precies?

A

Ze hebben relatief weinig taken en daardoor ook geringe uitgaven. Deze zijn trouwens ook minder geworden omdat de jeugdzorg naar gemeenten is gegaan.

Provinciale uitgaven omvatten:
- Verkeer en vervoer.
- Natuur en milieu.
- Regionale economie.
- Cultuur en maatschappij.
- Overige uitgaven.

37
Q

Welke middelen hebben provincies om te besteden?

A
  • Provinciefonds.
  • Specifieke uitkeringen.
  • Belastingen.
  • Overig; o.a. uit deelnemingen.
38
Q

Wat zijn de waterschappen?

A

Dit is een van de oudste vormen van overheid. Het is typisch Nederlands en heeft vastgelegde taken. Denk hierbij aan:
- Waterkering (dijken).
- Waterkwantiteitsbeheer (waterpeil).
- Waterkwaliteitsbeheer.
- Soms: de wegen.

39
Q

Welke middelen hebben waterschappen om te besteden?

A
  • 1 specifieke uitkering: primaire wateruitkeringen.
  • Verder uitsluitend eigen ontvangsten. Vooral heffingen.
    * Daardoor komen er regionale verschillen.