Week 4B: Grote projecten Flashcards

1
Q

Hoe maak je in theorie een besluit over een groot project?

A
  1. Zet alle kosten en baten op een rij.
  2. Tel ze bij elkaar op.
  3. Is het saldo positief (genoeg)? Dan wel uitvoeren.
  4. Is het niet positief (genoeg)? Dan niet uitvoeren.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom is een besluit maken over een groot project in de praktijk lastiger?

A
  1. Welke besliscriterium moet je hanteren?
  2. Het is lastiger te bepalen wat precies kosten en baten zijn.
  3. Hoe om te gaan met tijd.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waarom is de tijd zo’n groot probleem bij projecten?

A

Omdat over tijd de waarde van geld kan veranderen. Daarnaast heb je ook te maken met rente. Ook dit is afhankelijk van de tijdsvoorkeur, de inflatie en het risico.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe los je het tijdsprobleem op bij projecten?

A

Dan moet je de contante waarde van het project berekenen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe bereken je de contante waarde van een project?

A

Stel, je hebt 100 euro en de rente r is 5%.
t0=100 euro.
t1= 100(1,05)=105 euro.
t2=105
(1,05)=110,25 euro.
t3=110,25*(1,05)=115,76 euro
En zo verder.
Je ziet dat ieder jaar je het voorgaande eindbedrag neemt.

Als de rente hetzelfde blijft, kun je ook op deze manier berekenen:
100*(1,05^3)=115,76 euro.

Weet je al het toekomstige bedrag, en wil je daar de contante waarde van berekenen? Dat doe je zo:
CW=t3/(r^3)

Opmerkingen:
- Hoe verder in de toekomst, hoe meer invloed rente heeft op de contante waarde.
- Hoe hoger de rente is, hoe meer invloed tijdsvoorkeur heeft op de contante waarde.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarom kan het rentepercentage soms een strategische keuze zijn?

A

Stel deze gegevens voor:
- Jaar 0: -1000
- Jaar 1: 0
- Jaar 2: 0
- Jaar 3: 1200

De contante waarde van jaar 3 bij 3% rente is 1098. De werkelijke netto baten zijn dus +98.
Doen we hetzelfde met 7% rente, dan komen we op 979, en de netto baten zijn dan -21.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke drie benaderingen voor de keuze van rentepercentage r zijn er?

A
  1. Simpelweg onderhandelingen.
  2. Rendement Private Sector.
  3. Social Discount Rate.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe werkt de benadering Rendement Private Sector?

A

Dit is wanneer de publieke sector geld leent uit de private sector. Het rentepercentage moet zo gekozen worden dat het rendement minstens even hoog is als in de private sector, anders lijdt het private bedrijf die geld uitleent verlies en ben je verder van huis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Hoe werkt de benadering Social Discount Rate?

A

Dit is het discontopercentage dat wordt gebruikt om de contante waarde van een project te berekenen. Het weerspiegelt de maatschappelijke voorkeuren voor de tijdswaarde en de afweging tussen huidige en toekomstige generaties. Het is van belang bij het beoordelen van langetermijnprojecten.
Een lage SDR legt nadruk op toekomstige baten en kosten, terwijl een hoge SDR nadruk legt op onmiddellijke effecten.

Het wordt vaak geassocieerd met paternalisme, omdat met deze benadering meer rekening gehouden kan worden met toekomstige baten/generaties. Voor deze reden is de SDR wat lager, zoals hierboven is uitgelegd.

Een andere reden waarom de SDR gehanteerd wordt is omdat de overheid vindt dat er te weinig rekening gehouden wordt met positieve externe effecten. De SDR is lager, omdat er dan nadruk gelegd wordt op de toekomstige generaties en een justificatie is voor grotere investeringen in mitigatie en adaptie voor klimaatverandering.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe bereken je de contante waarde van een project die meerdere jaren duurt en dus ook jaarlijkse netto baten heeft?

A

We nemen als voorbeeld een project dat 4 jaar lang duurt. De formule luidt als volgt:

CW=R0 + R1/(1+r) + R2/(1+r)^2 + R3/(1+r)^3
En zo verder. Je rekent in principe de contante waarde van ieder jaar uit. Je moet het voor elkaar apart berekenen, omdat ieder jaar een ander bedrag aan netto baten heeft. Daarnaast is er verschil in tijd: R3 is drie jaar verder, terwijl R1 al volgend jaar is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Op basis van welke verschillende criteria kun je kiezen welk project je het beste kan kiezen?

A
  1. Hoogste contante waarde.
  2. Internal Rate of Return (IRR).
  3. B-C Ratio (Benefit-Cost).
  4. Terugverdientijd.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hoe hanteer je de contante waarde als criterium voor het kiezen van welk project?

A
  1. Je rangschikt de projecten adhv de hoogste contante waarde.
  2. Je kan het project met de hoogste CW kiezen, maar ook:
  3. Het project met een CW die boven de grenswaarde valt.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Hoe werkt de Internal Rate of Return?

A

Ook wel bekend als de interne rentevoet. Dit is de rente waarbij de contante waarde 0 is. Je kan kiezen tussen de hoogste irr, of de irr boven de grenswaarde. Echter kunnen er mogelijke fouten zijn bij verschillen in schaalgrootte.

Voorbeeld:
- Project X: investering 100, irr=10%
- Project Y: investering 1000, irr=8%
Je zou dan project X moeten kiezen, omdat de irr hoger is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Hoe werkt de Benefit-Cost Ratio: B/C?

A

Hiervoor moet je de baten delen door de kosten. Daarna moet je kiezen tussen de hoogste b/c-ratio, of de b/c-ratio die boven de grenswaarde ligt. Deze manier is wel gevoelig voor de classificatie van baten en kosten. Dat zit zo:

We beginnen met:
- Project 1: B=250, C=100.
- B/C ratio=2,5
- Project 2: B=200, C=100.
- B/C ratio=2

Dan zou je project 1 kiezen.

Maar nu:
Er wordt schade in project 1 geleden van 40.
- B/C = 210/100=2,1 OF:
- B/C = 250/140=1,8

Dan maakt het niet meer zoveel uit en dan kun je allebei kiezen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe werkt de terugverdientijd als criterium?

A

Je kiest het project met de kortste terugverdientijd. De reden daarvoor is om risico’s te beperken. Maar: dit houdt geen rekening met de omvang van het project en ook niet met de totale netto baten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat leren we van het kritisch bekijken van criteria voor het kiezen van projecten?

A
  1. We moeten niet kijken naar de verhouding van B en C, maar naar hun verschil (B-C).
  2. Ook dit is niet het meest optimaal, dus de beste optie is toch wel de contante waarde.
17
Q

Waarom is het bepalen van kosten en baten in de publieke sector lastiger?

A
  • In de marktsector tellen alleen de bedrijfseconomische kosten en baten.
  • In de publieke sector tellen deze ook wel mee, maar hierbij wordt ook de gevolgen voor de maatschappelijke welvaart meegenomen. En dit maakt de keuze veel lastiger.
18
Q

Welke benaderingen zijn er voor het bepalen van kosten en baten?

A
  1. MB=MK.
  2. Macro (ditch-digging).
  3. Kosten-batenanalyse.
19
Q

Wat is ditch-digging?

A

Dit is wanneer iets kosten genereert maar de baten minimaal zijn of onduidelijk zijn.

20
Q

Hoe werkt de kosten-batenanalyse (KBA)?

A
  1. Inventariseer alle kosten en baten, en waardeer ze in geld.
  2. Tel alles bij elkaar op.
  3. Bereken de contante waarde ervan.
  4. Is de contante waarde positief (genoeg): dan doen.
  5. Zo niet, niet doen.
21
Q

Hoe moet je normaal gesproken alle kosten en baten in de KBA waarderen?

A
  • In principe gewoon tegen marktprijzen.
  • P=MK moet je doen.
  • Maar zo simpel is dat niet.
22
Q

Wat kan het waarderen van kosten en baten moeilijk maken in de KBA?

A
  1. Marktmacht: p staat niet altijd gelijk aan mk.
  2. Indirecte belastingen die de waarde beïnvloeden.
  3. Werkloosheid (hoe moet je dat waarderen?)
  4. Prijzen veranderen door project; daarmee ook consumenten- en producentensurplus.
  5. Externe effecten: telt dat als een kost?
  6. Nonrivaliteit
  7. Verschillende risico’s.
  8. Dingen die je simpelweg geen prijs kan geven.
  9. Tijd: hoe moet je tijd een prijs geven?