Week 1A: inleiding Flashcards

Non-profit, marktfalen en NPM

1
Q

Wat zijn de verschillen tussen een non-profit en de publieke sector?

A
  1. Doel van publieke sector is het dienen van het algemeen belang, het doel van een non-profit is het behalen van specifieke maatschappelijke doelen.
  2. De publieke sector financiert activiteiten dmv belastingopbrengsten, een non-profit financiert activiteiten dmv donaties en subsidies.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn de verschillen tussen een markt en de publieke sector?

A
  1. Een markt maakt deel uit van de private sector.
  2. Opbrengsten van een markt bestaat uit inkomsten van verkoop, opbrengsten van de publieke sector bestaat uit belastinginkomsten.
  3. Het doel van een markt is winst maken, het doel van de publieke sector is het dienen van het algemeen belang.
  4. Het mechanisme van de markt is vraag en aanbod, die van de publieke sector is overheidsbeleid.
  5. Belanghebbenden van de markt zijn klanten en aandeelhouders, belanghebbenden van de publieke sector zijn burgers en democratische instellingen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat kan een markt inefficiënt maken?

A
  1. Marktfalen.
  2. Macro-economie.
  3. Verdeling/rechtvaardigheid.
  4. Paternalisme.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke 4 soorten marktfalen zijn er? Wat houden ze in?

A
  1. Marktmacht –> wanneer een bedrijf of kleine groep bedrijven zoveel controle hebben over de markt dat de normale werking van vraag en aanbod verstoord wordt. Dit leidt tot hogere prijzen, beperkte productie, welvaartsverlies en minder concurrentie.
  2. Collectieve goederen –> wanneer markten niet in staat zijn om deze goederen efficiënt te leveren, vanwege de kenmerken van collectieve goederen. Omdat ze niet-uitsluitbaar zijn, leidt het tot het freeriderprobleem. Daardoor is er geen prikkel om deze goederen aan te bieden.
  3. Externe effecten –> positieve of negatieve effecten ervaren door derde partijen. Denk aan luchtvervuiling door overproductie, omwonenden betalen gemiddeld meer aan zorgkosten. Maar effecten kunnen ook ervaard worden door onderproductie. Maar: de samenleving als geheel ervaart minder welvaart.
  4. Asymmetrische informatie –> wanneer 1 partij in een transactie meer informatie heeft dan de andere partij(en). Dit kan op zijn beurt weer leiden tot Adverse Selection (slechte kwaliteit domineert de markt) en Moral Hazard (verzekerde neemt meer risico vanwege verzekerd zijn). Dit leidt tot lagere kwaliteit voor consumenten, minder keuze, verstoring prijsvorming en inefficiëntie.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe kan de overheid bij marktfalen ingrijpen?

A
  1. Regelgeving over prijzen, kwaliteit, samenwerking, transparantie en meer.
  2. Zelf gaan produceren.
  3. Uitbesteden.
  4. Financiële prikkels zoals belastingvoordelen of boetes.
  5. Overdrachten van bedragen.
  6. Faciliteren van overleg tussen partijen en/of overheid.
  7. Overreding: het gebruiken van communicatie om het gedrag van consumenten en producenten te beïnvloeden, zonder dat hiervoor directe regelgeving of belastingen/subsidies ingezet hoeft te worden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn non-market failures?

A

Dit zijn budgetimperfecties, oftewel falen van de overheid zelf. Dit kan op verschillende manieren:
1. Output slecht gedefinieerd en moeilijk meetbaar: wat valt nou onder prestaties en hoe moet je iets meten als het gaat om bvb dijken?
2. Kwaliteit moeilijk vast te stellen: verschillende partijen hebben verschillende definities van kwaliteit.
3. Geen concurrentie: als er geen concurrentie is, zijn er ook geen prikkels om te innoveren of goedkoper te produceren.
4. Geen criteria voor stopzetten van beleid: soms is er niet duidelijk vastgesteld of en wanneer beleid moet stoppen. Dit leidt ertoe dat bepaald beleid doorgaat, terwijl er eigenlijk geen goede reden of noodzaak voor is.
5. Beloning voor het formuleren van het probleem en ontwerpen van oplossingen: dit heeft nog tot niks in de praktijk geleid.
6. Politieke conjunctuur: de invloed van politieke besluitvorming op de economische stand.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is het principaal-agent probleem en hoe is dat op te lossen?

A

In het principaal-agentprobleem zijn er twee partijen die van elkaar afhankelijk kunnen zijn, waardoor er sprake is van een conflict van belangen. De principaal is degene die de opdracht geeft, en de agent is degene die deze opdracht moet uitvoeren. Hier zijn 3 problemen die plaats kunnen vinden:
1. Informatieasymmetrie: de agent heeft vaak meer informatie over de taak of situatie, waardoor de principaal moeilijker kan controleren of de agent handelt in het belang van de principaal.
2. Belangenconflict: de agent kan belangen hebben die niet (helemaal) overeenkomt met de principaal en daardoor tot problemen leiden in onderhandelingen of overeenkomsten maken.
3. Moeilijkheid tot controleren: de principaal heeft vaak niet de middelen/mogelijkheden om (het gedrag van) de agent te monitoren, wat kan leiden tot suboptimaal gedrag van de agent.

Er zijn ook een aantal oplossingen voor dit probleem:
1. Contracten: duidelijke doelstellingen en voorwaarden om de belangen van de principaal en de agent beter op elkaar af te stemmen. Dit is lastig, omdat grote projecten complex zijn, en de economische stand altijd onzeker blijft. Ook kan het in het geval van situaties die buiten het contract vallen leiden tot Residual Power.
2. Begrotingsinstituties: wordt gezien als een alternatief voor contracten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is het Common Pool probleem en hoe is dat op te lossen?

A

Dit is wanneer geld uit algemene middelen wordt besteed aan afzonderlijke groepen. Voorbeeld: alle inwoners betalen belasting, maar een deel van deze belastingopbrengsten wordt uitgegeven aan alleen een bepaalde demografische groep. Deze groep heeft hoge netto baten, maar relatief lage netto kosten. Een gevolg hiervan is dat er teveel wordt uitgegeven.

Er zijn een aantal oplossingen voor dit probleem:
1. Het centraliseren van het begrotingsproces. In een éenpartijregering wordt delegatie gegeven aan een fiscale entrepreneur. In een coalitie wordt er onderhandeld tot een akkoord (contract).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn begrotingsinstituties?

A

Dit zijn de formele regels, processen en organisaties die een rol spelen in het opstellen, goedkeuren, uitvoeren en controleren van een begroting. Ze worden als oplossing gezien voor contracten, omdat zij helpen bij de onzekerheid en complexiteit ervan. Het verbetert de verantwoording en maakt concurrentie intenser.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe kun je als overheid de financiën zo efficiënt mogelijk beheren?

A

Er zijn er heel veel:
1. Heb geen verborgen uitgaven/fondsen.
2. Beperk zo veel mogelijk open-einderegelingen.
3. Beperk zo veel mogelijk regelgeving die automatisch leiden tot uitgaven.
4. Beperk zo veel mogelijk Contingent Liabilities, zoals garanties (expliciet én impliciet).
5. Zet alle posten op de balans in vergelijkbare maatstaf.
6. Niet (te) optimistisch ramen.
7. Niet ‘creatief’ gaan boekhouden.
8. Gebruik de uitgaven alleen voor hun officiële doel en niet aan iets anders.
9. Wees transparant in procedures.
10. Maak gebruik van begrotingsnormen.
11. Maak gebruik van onafhankelijke informatie van bvb het CPB, SCP, PBL, CBS.
12. Centraliseer zo veel mogelijk het begrotingsproces.
13. Maak de spelregels zo duidelijk mogelijk.
14. In een éenpartijregering moet er een ‘financieel zwaargewicht’ benoemd worden.
15. In een coalitie moeten onderhandelingen leiden tot een contract (regeerakkoord).
16. Druk van buitenaf/bovenaf: externe druk zorgt ervoor dat overheden zich houden aan de begrotingsregels en transparant te zijn erover.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn de 4 fasen van het begrotingsproces?

A
  1. Planning: hierin worden besluiten genomen.
  2. Beheersing: hierin wordt het plan uitgevoerd en het proces gemanaged/gecontroleerd.
  3. Verslaggeving: hierin wordt gerapporteerd over het proces.
  4. Controle en verantwoording: hierin wordt het proces geëvalueerd, gecontroleerd en kunnen betrokkenen ter verantwoording geroepen worden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is New Public Management?

A

Dit is een bepaalde benadering van het besturen en managen van de publieke sector. Er wordt vaak gezegd: ‘‘Running the government like a business’’. Dit komt door de volgende kenmerken:

  1. Resultaatgericht: focus op prestaties en resultaten ipv input en proces. Er wordt gebruik gemaakt van meetbare doelstellingen.
  2. Privatisering: sommige overheidsdiensten worden uitbesteed naar de private sector om efficiëntie te vergroten.
  3. Kostenbewustzijn: meer efficiëntie dmv budgettering en kosten-batenanalyse.
  4. Decentralisatie: overdragen van verantwoordelijkheden naar lagere overheden voor meer efficiëntie.
  5. Flexibiliteit en innovatie: stimulatie van flexibiliteit en aanmoediging van innovatie in dienstverlening.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn de gevolgen van New Public Management?

A
  1. De focus kwam te liggen op efficiëntie.
  2. Er wordt gebruik gemaakt van planning- en budgetteringstechnieken uit de private sector.
  3. Er wordt meer gestuurd op prestaties.
  4. Er is meer concurrentie.
  5. Er wordt gebruik gemaakt van managementstijlen uit de private sector.
  6. Er wordt gebruik gemaakt van contracten.
  7. De privatisering is toegenomen.
  8. Terminologie die gebruikt wordt in de private sector wordt overgenomen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke nieuwe problemen zijn ontstaan door New Public Management?

A
  1. Meer autonomie kan leiden tot minder democratische controle.
  2. Bureaucratisering van processen - meer red tape?
  3. Fragmentatie van beleid en uitvoering - de twee lijken verder van elkaar te dwalen.
  4. De informatie wordt steeds complexer.
  5. Een overdreven vertrouwen in managementtechnieken als dé oplossing voor organisatieproblemen (managementcultus).
  6. Bovenstaande heeft geleid tot crisis, schandalen en minder goed presteren, terwijl het doel van NPM juist beter presteren was.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly