Unit Ten Flashcards
mijn/m’n(myne/mun)
my|Mijn fiets staat daar. (My bike is over there)
jouw/je(yow/yuh)
your informal|Waar is jouw sleutel? (Where is your key?)
zijn(zyne)
his|Zijn auto is blauw. (His car is blue)
haar(haar)
her|Haar huis is groot. (Her house is big)
ons(ons)
our (for het-words)|Ons kind gaat naar school. (Our child goes to school)
onze(on-zuh)
our (for de-words)|Onze buren zijn aardig. (Our neighbors are nice)
jullie(yull-lee)
your plural|Is dit jullie appartement? (Is this your apartment?)
hun(hun)
their|Hun kinderen spelen buiten. (Their children are playing outside)
uw(ew)
your formal|Mag ik uw paspoort zien? (May I see your passport?)
m’n(mun)
my informal|M’n fiets is gestolen. (My bike was stolen)
z’n(zun)
his informal|Z’n Nederlands is heel goed. (His Dutch is very good)
d’r(dur)
her informal|D’r tas ligt daar. (Her bag is over there)
van mij(van may)
mine|Die fiets is van mij. (That bike is mine)
van jou(van yow)
yours|Is deze jas van jou? (Is this coat yours?)
van ons(van ons)
ours|Dit is van ons allemaal. (This is all of ours)
bij ons(bay ons)
at our place/in our country|Bij ons in Nederland fietst iedereen. (In our country
[name] z’n(zun)
someone’s (masculine)|Erik z’n huis staat te koop. (Erik’s house is for sale)
[name] d’r(dur)
someone’s (feminine)|Sanne d’r fiets is gestolen. (Sanne’s bike was stolen)
op mijn werk(op myne werk)
at my work|Op mijn werk spreken we Engels. (At my work we speak English)
in jouw geval(in yow guh-val)
in your case|In jouw geval zou ik dat niet doen. (In your case
aan je kant(ahn yuh kant)
on your side|Het geluk staat aan je kant. (Luck is on your side)
ons team(ons teem)
our team|Ons team werkt hybride. (Our team works hybrid)
onze afdeling(on-zuh af-day-ling)
our department|Onze afdeling zit op de tweede verdieping. (Our department is on the second floor)
jullie bestelling(yull-lee buh-stell-ing)
your order|Is dit jullie bestelling? (Is this your order?)
mijn account(myne uh-kownt)
my account|Mijn account werkt niet. (My account isn’t working)
mijn huisbaas(myne hoys-bahs)
my landlord|Mijn huisbaas komt morgen langs. (My landlord is coming by tomorrow)
onze verhuizing(on-zuh ver-how-zing)
our move|Onze verhuizing is volgende maand. (Our move is next month)
huwelijksfeest(hay-luks-fayst)
wedding anniversary|Hun huwelijksfeest was mooi. (Their wedding anniversary was beautiful)
klasgenoten(klas-khuh-no-tun)
classmates|Hij zit met zijn klasgenoten in de klas. (He’s in class with his classmates)
klasseleraar(klas-uh-lay-rar)
class teacher|Onze klasseleraar is streng. (Our class teacher is strict)
volleybalwedstrijd(vol-lee-bal-wed-stryt)
volleyball match|De volleybalwedstrijd was spannend. (The volleyball match was exciting)
mooi
hè?(mooy hay)
eindexamen(eynd-ex-ah-men)
final exam|Haar eindexamen is in mei. (Her final exam is in May)
cijfers(say-fers)
grades|Zijn cijfers zijn goed. (His grades are good)
yogalessen(yo-kha-less-en)
yoga classes|Ze gaat naar haar yogalessen. (She goes to her yoga classes)
grasmaaier(khras-my-er)
lawnmower|De grasmaaier is kapot. (The lawnmower is broken)
kapot(kah-pot)
broken|Mijn fiets is kapot. (My bike is broken)
overhemd(oh-ver-hempt)
dress shirt|Je overhemd moet gestreken worden. (Your dress shirt needs ironing)
nachtjapon(nacht-yah-pon)
nightgown|Mijn nachtjapon ligt op het bed. (My nightgown is on the bed)
lakens(lah-kuns)
sheets|De lakens moeten in de was. (The sheets need to be washed)
beddegoed(bed-duh-khoot)
bedding|Waar is het schone beddegoed? (Where is the clean bedding?)
verschonen(fer-skho-nun)
to change linens|Ik ga de bedden verschonen. (I’m going to change the beds)
was(vas)
laundry|De was moet in de machine. (The laundry needs to go in the machine)
beste vriendin(bes-tuh vreen-din)
best friend|Zij is mijn beste vriendin. (She is my best friend)
huishoudelijke artikelen(huys-how-duh-luk-kuh ar-tee-kuh-lun)
household items|Ze verkopen huishoudelijke artikelen. (They sell household items)
winkelcentrum(win-kul-sen-trum)
shopping center|Het nieuwe winkelcentrum is groot. (The new shopping center is big)
gaaf(khahf)
cool|Hij is echt gaaf! (He is really cool!)
achterop(ach-ter-op)
on the back|Ik zit achterop de scooter. (I’m sitting on the back of the scooter)
verliefd(fer-leeft)
in love|Ik ben niet verliefd! (I’m not in love!)
menukaart(men-new-kart)
menu|Mag ik de menukaart zien? (May I see the menu?)
rekening(ray-kun-ing)
bill|De rekening alstublieft. (The bill please)
bestellen(buh-stel-lun)
to order|Wilt u bestellen? (Would you like to order?)
momentje(mo-ment-yuh)
just a moment|Een momentje alstublieft. (Just a moment please)
eraan komen(er-ahn ko-mun)
coming up|Uw bestelling komt eraan. (Your order is coming up)
even pakken(ay-fun pak-kun)
to quickly grab|Kun je dat even pakken? (Can you quickly grab that?)
echt gaaf(echt khahf)
really cool|Die film was echt gaaf! (That movie was really cool!)
hoor!(hoar)
you know!/mind you!|Ik meen het hoor! (I mean it
Komt eraan!(komt er-ahn)
Coming right up!|Je koffie komt eraan! (Your coffee is coming right up!)
Geen probleem(khayn pro-blaym)
no problem|Geen probleem
waar (vahr)
where|Waar woon je? (Where do you live?) Asking about location
wanneer (van-nehr)
when|Wanneer begint de film? (When does the movie start?) Asking about time
hoe (hoo)
how|Hoe gaat het met je? (How are you?) Asking about manner
waarom (vahr-om)
why|Waarom leer je Nederlands? (Why are you learning Dutch?) Asking about reason
hoeveel (hoo-fayl)
how much/many|Hoeveel kost dat? (How much does that cost?) Asking about quantity
welke (vel-kuh)
which|Welke trui vind je het mooist? (Which sweater do you like the most?) Asking about selection
broer (broor)
brother|Mijn broer is drie jaar ouder dan ik. (My brother is three years older than me.) Male sibling
zus (zus)
sister|Haar zus woont in Rotterdam. (Her sister lives in Rotterdam.) Female sibling
grootouders (groht-oh-ders)
grandparents|Mijn grootouders wonen in Friesland. (My grandparents live in Friesland.) Parents of parents
anderen (an-de-ren)
others|Sommigen houden van koffie
iedereen (ee-der-ayn)
everyone|Iedereen was op het feest. (Everyone was at the party.) All people inclusive
niemand (nee-mant)
nobody|Er was niemand thuis. (Nobody was at home.) No person
iemand (ee-mant)
someone|Is er iemand die mij kan helpen? (Is there someone who can help me?) Some person
klasgenoot (klas-ge-noht)
classmate|Mijn klasgenoot helpt me met wiskunde. (My classmate helps me with math.) Person in same class
collega (ko-lay-gah)
colleague|Mijn collega’s zijn erg vriendelijk. (My colleagues are very friendly.) Person at same workplace
buurman/buurvrouw (boor-man/boor-vrow)
male neighbor/female neighbor|Onze buurman heeft een nieuwe auto. (Our neighbor has a new car.) Person living nearby
klassenleraar (klas-sen-lay-rahr)
class teacher|Onze klassenleraar is streng maar rechtvaardig. (Our class teacher is strict but fair.) Main teacher for a class
huiswerk (huys-verk)
homework|Ik moet vanavond mijn huiswerk maken. (I have to do my homework tonight.) Work assigned to do at home
proefwerk (proof-verk)
test|Morgen hebben we een proefwerk Nederlands. (Tomorrow we have a Dutch test.) Smaller test
examen (eks-ah-men)
exam|Het eindexamen is in juni. (The final exam is in June.) Major formal test
schoolvak (skohl-vak)
school subject|Mijn favoriete schoolvak is geschiedenis. (My favorite school subject is history.) Academic subject
pauze (pow-zuh)
break|Tijdens de pauze ga ik altijd naar buiten. (During the break I always go outside.) Rest period between classes
cijfer (sei-fer)
grade|Ik heb een goed cijfer voor mijn werkstuk gekregen. (I got a good grade for my paper.) Numeric evaluation
scooter (skoh-ter)
scooter|Hij rijdt op een nieuwe scooter. (He rides a new scooter.) Small motorized vehicle
fiets (feets)
bicycle|In Nederland heeft bijna iedereen een fiets. (In the Netherlands almost everyone has a bicycle.) Most common transport
winkel (vin-kel)
shop/store|De winkel is open tot acht uur. (The shop is open until eight.) Commercial establishment
winkelcentrum (vin-kel-sen-trum)
shopping center|Het nieuwe winkelcentrum heeft veel leuke winkels. (The new shopping center has many nice shops.) Mall or plaza with shops
huishoudelijke artikelen (huys-how-de-lij-ke ar-tie-ke-len)
household items|Ze verkopen huishoudelijke artikelen in die winkel. (They sell household items in that shop.) Things for home use
kleren (klay-ren)
clothes|Ik heb nieuwe kleren gekocht. (I bought new clothes.) General term for clothing
echt gaaf (echt gahf)
really cool|Die nieuwe film was echt gaaf! (That new film was really cool!) Positive slang expression
leuk vinden (luk fin-den)
to like|Ik vind Nederlands een leuke taal. (I find Dutch a nice language.) General appreciation
hoor (hohr)
you know/okay|Ik ben niet boos
de vraag is of (de vrahg is of)
the question is whether|De vraag is of hij morgen komt. (The question is whether he’s coming tomorrow.) Introduces uncertainty
op tijd (op teit)
on time|Ik ben altijd op tijd voor mijn afspraken. (I’m always on time for my appointments.) Punctuality
te koop (tuh kohp)
for sale|Ons huis staat te koop. (Our house is for sale.) Available to purchase
achterop zitten (ach-ter-op zit-ten)
to sit on the back|Zij zit altijd achterop zijn fiets. (She always sits on the back of his bicycle.) Passenger position
wie (vee)
who|Wie is die nieuwe leraar? (Who is that new teacher?) Asking about a person
wat (vat)
what|Wat eet je voor ontbijt? (What do you eat for breakfast?) Asking about a thing
het gaat om (het gaht ohm)
it’s about/what matters is|Het gaat om de kwaliteit
het draait om (het drahyt ohm)
it revolves around|Het draait om samenwerking in dit project. (It revolves around collaboration in this project.) Slightly more emphatic than “het gaat om”
waar gaat het om (vahr gaht het ohm)
what is it about|Waar gaat het precies om in deze situatie? (What exactly is this about in this situation?) Useful in clarifying conversations
het gaat erom dat (het gaht ehr-ohm dat)
the point is that|Het gaat erom dat we op tijd klaar zijn. (The point is that we finish on time.) Used when emphasizing the main objective
om lachen (om lah-chen)
to laugh about something|We kunnen er wel om lachen. (We can laugh about it.) *Not mocking
uitlachen (uyt-lah-chen)
to laugh at (mockingly)|Je moet mensen niet uitlachen. (You shouldn’t laugh at people.) Has a negative connotation
lachen om (lah-chen om)
to laugh at/about|We lachen altijd om zijn grappen. (We always laugh at his jokes.) More neutral than uitlachen
in lachen uitbarsten (in lah-chen uyt-bar-sten)
to burst out laughing|Ze barstte in lachen uit toen ze het verhaal hoorde. (She burst out laughing when she heard the story.) Sudden laughter
zich slap lachen (zich slap lah-chen)
to laugh oneself silly|We hebben ons slap gelachen om die film. (We laughed ourselves silly about that movie.) Intense laughter
weten (vay-ten)
to know (facts/information)|Ik weet waar hij woont. (I know where he lives.) *For factual knowledge
weet je (vayt yuh)
do you know|Weet je hoe laat de trein vertrekt? (Do you know what time the train leaves?) Common question starter
wist je (vist yuh)
did you know|Wist je dat hij in Amsterdam woont? (Did you know that he lives in Amsterdam?) Past tense
weet je wie (vayt yuh vee)
do you know who|Weet je wie die nieuwe collega is? (Do you know who that new colleague is?) For asking about people
weet je waar (vayt yuh vahr)
do you know where|Weet je waar ik mijn sleutels heb gelaten? (Do you know where I left my keys?) For asking about location
weet je wanneer (vayt yuh va-nehr)
do you know when|Weet je wanneer de winkel sluit? (Do you know when the store closes?) For asking about time
weet je hoe (vayt yuh hoo)
do you know how|Weet je hoe je daar moet komen? (Do you know how to get there?) For asking about method
verliefd zijn (fer-leeft zein)
to be in love|Ik ben verliefd op mijn buurman. (I’m in love with my neighbor.) Romantic feeling
verliefd zijn op (fer-leeft zein op)
to be in love with|Ze is verliefd op haar leraar. (She is in love with her teacher.) Specifies the object of affection
verliefd worden (fer-leeft vor-den)
to fall in love|Ze werden verliefd tijdens hun vakantie. (They fell in love during their vacation.) Process of falling in love
verliefd raken (fer-leeft rah-ken)
to fall in love (suddenly)|Hij raakte verliefd op het eerste gezicht. (He fell in love at first sight.) Often more sudden than “worden”
iemand leuk vinden (ee-mant luyk fin-den)
to like someone|Ze vindt hem leuk. (She likes him.) Can be romantic or friendly
op iemand vallen (op ee-mant fah-len)
to be attracted to|Ik val meer op blonde mannen. (I’m more attracted to blond men.) Physical or general attraction
van iemand houden (van ee-mant how-den)
to love someone|Ik hou van je. (I love you.) Deeper than “leuk vinden”
dochter (dogh-ter)
daughter|Mijn dochter studeert geneeskunde. (My daughter studies medicine.) Female child
zoon (zohn)
son|Zijn zoon speelt voetbal. (His son plays soccer.) Male child
ouders (oh-ders)
parents|Haar ouders komen uit Turkije. (Her parents come from Turkey.) Mother and father together
moeder/mama (moo-der/mah-mah)
mother/mom|Mijn moeder werkt als lerares. (My mother works as a teacher.) Female parent
vader/papa (vah-der/pah-pah)
father/dad|Zijn vader is advocaat. (His father is a lawyer.) Male parent