Unit Nine Flashcards
deze(DAY-zuh)
this/these (for de-words)|Deze fiets is te duur. (This bike is too expensive)
die(dee)
that/those (for de-words)|Die man spreekt goed Nederlands. (That man speaks good Dutch)
dit(dit)
this (for het-words)|Dit huis heeft een mooie tuin. (This house has a nice garden)
dat(dat)
that (for het-words)|Dat kind speelt buiten. (That child is playing outside)
deze huizen(DAY-zuh HOW-zen)
these houses|Deze huizen zijn nieuw gebouwd. (These houses are newly built)
die tafels(dee TAH-fels)
those tables|Die tafels zijn bezet. (Those tables are occupied)
Wat is dit?(vat is dit)
What is this?|”Wat is dit?” “Dit is je OV-chipkaart.” (What is this? This is your public transport card)
Welke wil je?(VEL-kuh vil yuh)
Which one do you want?|”Welke wil je?” “Deze graag.” (Which one do you want? This one please)
deze tas(DAY-zuh tas)
this bag|Ik wil deze tas kopen. (I want to buy this bag)
die schoenen(dee SCHOO-nen)
those shoes|Die schoenen zijn in de aanbieding. (Those shoes are on sale)
dit kantoor(dit kan-TOOR)
this office|Dit kantoor is pas gerenoveerd. (This office was recently renovated)
dat document(dat do-ku-MENT)
that document|Dat document moet je ondertekenen. (You need to sign that document)
deze kamer(DAY-zuh KAH-mer)
this room|Deze kamer is beschikbaar. (This room is available)
die buurt(dee boort)
that neighborhood|Die buurt is erg rustig. (That neighborhood is very quiet)
Dat klopt(dat klopt)
That’s correct|”Je woont in Amsterdam?” “Dat klopt.” (You live in Amsterdam? That’s correct)
Dit was het(dit vas het)
This was it|Dit was het voor vandaag. (This was it for today)
die daar(dee daar)
that person there|Die daar is mijn nieuwe collega. (That person there is my new colleague)
deze mensen(DAY-zuh MEN-sen)
these people|Deze mensen komen uit Iran. (These people come from Iran)
uitsmijter(OUT-smy-ter)
fried eggs on bread with ham|Een uitsmijter graag. (A fried egg sandwich please)
rekening(RAY-ke-ning)
bill/check|Mag ik de rekening alstublieft? (Can I have the bill please?)
tafel(TAH-fel)
table|Tafel 8 is nog vrij. (Table 8 is still free)
even(AY-ven)
just/for a moment|Kunt u even wachten? (Could you wait a moment?)
neem maar mee terug(neem mar may ter-ug)
take it back|Deze soep is koud
overhemd(OH-ver-hemt)
dress shirt|Dit overhemd moet gewassen worden. (This dress shirt needs to be washed)
spijkerbroek(SPYK-er-brook)
jeans|Die spijkerbroek is vies. (Those jeans are dirty)
sportkleren(SPORT-klay-ren)
sports clothes|Die sportkleren zitten in mijn tas. (Those sports clothes are in my bag)
ondergoed(ON-der-hoot)
underwear|Dat ondergoed moet in de was. (That underwear needs to be washed)
stinksokken(STINK-sok-ken)
smelly socks|Die stinksokken van Peter! (Those smelly socks of Peter!)
bank(bahnk)
couch/sofa|Deze bank is heel comfortabel. (This couch is very comfortable)
tafeltje(TAH-fel-che)
small table|Dat tafeltje kost €395. (That small table costs €395)
lampje(LAMP-ye)
small lamp|Dat lampje past er mooi bij. (That small lamp matches nicely)
kleur(klur)
color|Die kleur vind ik lelijk. (I find that color ugly)
gaat wel(haht vel)
it’s okay/so-so|Die bank? Hm
dat is waar(dat is vahr)
that’s true|Ja
wat duur!(vat door)
how expensive!|€395? Wat duur! (€395? How expensive!)
past echt bij jou(past echt bay yow)
really suits you|Die lamp past echt bij jou! (That lamp really suits you!)
bedoel je(be-DOOL ye)
do you mean|Bedoel je dit tafeltje? (Do you mean this little table?)
niks voor mij(niks for my)
not for me|Dit werk is niks voor mij! (This work is not for me!)
nog onder(nog ON-der)
still under|Die sokken liggen nog onder het bed. (Those socks are still under the bed)
pas één dag(pas ayn dach)
just one day|Dat heb ik pas één dag aan. (I’ve only worn that for one day)
maar wel(mar vel)
but/however|Ja