Unit One Flashcards
What does ‘ik’ mean in Dutch?
I
Example: Ik ben Peter. (I am Peter.)
What is the informal way to say ‘you’ in Dutch?
jij/je
Example: Jij woont in Amsterdam. (You live in Amsterdam.)
What is the formal way to say ‘you’ in Dutch?
u
Example: Wilt u koffie? (Would you like coffee?)
What does ‘hij’ mean in Dutch?
he
Example: Hij leest een boek. (He is reading a book.)
What does ‘zij/ze’ mean in Dutch?
she/they
Examples: Zij gaat naar school. (She goes to school.) / Ze wonen hier. (They live here.)
What does ‘het’ mean in Dutch?
it
Example: Het is koud vandaag. (It is cold today.)
What does ‘wij/we’ mean in Dutch?
we
Example: Wij studeren Nederlands. (We study Dutch.)
What does ‘jullie’ mean in Dutch?
you all
Example: Jullie maken huiswerk. (You all are doing homework.)
What does ‘familie’ mean in Dutch?
family
Example: Mijn familie woont in Utrecht. (My family lives in Utrecht.)
What does ‘vader’ mean in Dutch?
father
Example: Mijn vader is advocaat. (My father is a lawyer.)
What does ‘moeder’ mean in Dutch?
mother
Example: Haar moeder is lerares. (Her mother is a teacher.)
What does ‘broer’ mean in Dutch?
brother
Example: Ik heb een broer. (I have a brother.)
What does ‘zus’ mean in Dutch?
sister
Example: Mijn zus heet Karin. (My sister’s name is Karin.)
What does ‘opa’ mean in Dutch?
grandfather
Example: Opa leest de krant. (Grandpa reads the newspaper.)
What does ‘oma’ mean in Dutch?
grandmother
Example: Oma maakt koffie. (Grandma is making coffee.)
What does ‘tante’ mean in Dutch?
aunt
Example: Mijn tante woont in Rotterdam. (My aunt lives in Rotterdam.)
What does ‘oom’ mean in Dutch?
uncle
Example: Mijn oom komt op bezoek. (My uncle is visiting.)
What does ‘kinderen’ mean in Dutch?
children
Example: De kinderen spelen buiten. (The children are playing outside.)
What does ‘huiswerk’ mean in Dutch?
homework
Example: Ik maak mijn huiswerk. (I am doing my homework.)
What does ‘school’ mean in Dutch?
school
Example: De school is dichtbij. (The school is nearby.)
What does ‘klas’ mean in Dutch?
classroom
Example: We zitten in dezelfde klas. (We are in the same classroom.)
What does ‘leraar’ mean in Dutch?
teacher (male)
Example: De leraar geeft les in biologie. (The teacher teaches biology.)
What does ‘leraress’ mean in Dutch?
teacher (female)
Example: De lerares is vriendelijk. (The teacher is friendly.)
What does ‘kantine’ mean in Dutch?
canteen
Example: De studenten eten in de kantine. (The students eat in the canteen.)
What does ‘sportschool’ mean in Dutch?
gym
Example: Ik ga naar de sportschool. (I’m going to the gym.)
What does ‘krant’ mean in Dutch?
newspaper
Example: Waar is de krant? (Where is the newspaper?)
What does ‘pantoffels’ mean in Dutch?
slippers
Example: Mijn pantoffels staan onder het bed. (My slippers are under the bed.)
What does ‘tafel’ mean in Dutch?
table
Example: Het boek ligt op de tafel. (The book is on the table.)
What does ‘wc’ mean in Dutch?
restroom
Example: Ik ga naar de wc. (I’m going to the restroom.)
What does ‘bed’ mean in Dutch?
bed
Example: Ik slaap in mijn bed. (I sleep in my bed.)
What does ‘huis’ mean in Dutch?
house
Example: Wij wonen in een groot huis. (We live in a big house.)
What does ‘keuken’ mean in Dutch?
kitchen
Example: De koffie staat in de keuken. (The coffee is in the kitchen.)
What does ‘terras’ mean in Dutch?
terrace
Example: We drinken koffie op het terras. (We’re drinking coffee on the terrace.)
What does ‘museum’ mean in Dutch?
museum
Example: Ik bezoek het museum. (I am visiting the museum.)
What does ‘hebben’ mean in Dutch?
to have
Example: Ik heb een hond. (I have a dog.)
What does ‘zijn’ mean in Dutch?
to be
Example: Ik ben thuis. (I am home.)
What does ‘gaan’ mean in Dutch?
to go
Example: We gaan naar het strand. (We’re going to the beach.)
What does ‘eten’ mean in Dutch?
to eat
Example: Ik eet een pizza. (I am eating a pizza.)
What does ‘drinken’ mean in Dutch?
to drink
Example: Hij drinkt koffie. (He is drinking coffee.)
What does ‘kopen’ mean in Dutch?
to buy
Example: Koop je een souvenir? (Are you buying a souvenir?)
What does ‘passen’ mean in Dutch?
to fit/try on
Example: De broek past goed. (The pants fit well.)
What does ‘reizen’ mean in Dutch?
to travel
Example: Wij reizen naar Parijs. (We’re traveling to Paris.)
What does ‘vragen’ mean in Dutch?
to ask
Example: Hij vraagt de leraar een vraag. (He asks the teacher a question.)
What does ‘zeggen’ mean in Dutch?
to say
Example: Zeg je het nog een keer? (Can you say it again?)
What does ‘lopen’ mean in Dutch?
to walk
Example: Wij lopen naar het park. (We’re walking to the park.)
What does ‘zitten’ mean in Dutch?
to sit
Example: Ik zit in de klas. (I am sitting in the classroom.)
What does ‘laten’ mean in Dutch?
to let
Example: Laat het maar los. (Just let it go.)
What does ‘lezen’ mean in Dutch?
to read
Example: Ik lees een boek. (I am reading a book.)
What does ‘schrijven’ mean in Dutch?
to write
Example: Hij schrijft een brief. (He is writing a letter.)
What does ‘bezoeken’ mean in Dutch?
to visit
Example: Wij bezoeken opa en oma. (We are visiting Grandpa and Grandma.)
What does ‘waar’ mean in Dutch?
where
Example: Waar woon je? (Where do you live?)
What does ‘wat’ mean in Dutch?
what
Example: Wat eet je? (What are you eating?)
What does ‘hoe’ mean in Dutch?
how
Example: Hoe gaat het? (How are you?)
What does ‘wie’ mean in Dutch?
who
Example: Wie is dat? (Who is that?)
What does ‘wanneer’ mean in Dutch?
when
Example: Wanneer ga je? (When are you going?)
What does ‘ben je?’ mean in Dutch?
are you?
Example: Ben je klaar? (Are you ready?)
What does ‘heb je?’ mean in Dutch?
do you have?
Example: Heb je tijd? (Do you have time?)
What does ‘wil je?’ mean in Dutch?
do you want?
Example: Wil je water? (Do you want water?)
What does ‘ga je?’ mean in Dutch?
are you going?
Example: Ga je naar school? (Are you going to school?)
Wat is een verzekeringsbank?
Insurance bank
Mijn vader werkt bij een verzekeringsbank. (My father works at an insurance bank.)
Hoe vertaal je ‘dorp’?
Village
Wij wonen in een klein dorp. (We live in a small village.)
Wat betekent ‘vriendin’?
Female friend/girlfriend
Mijn beste vriendin heet Petra. (My best friend’s name is Petra.)
Wat is een ‘oefening’ in het Nederlands?
Exercise
We moeten oefening 8 maken. (We must do exercise 8.)
Wat zijn ‘proefwerken’?
Tests
De leraar heeft de proefwerken nagekeken. (The teacher has graded the tests.)
Wat betekent ‘anderen’?
Others
Waar zijn de anderen? (Where are the others?)
Wat zijn ‘pantoffels’?
Slippers
Mijn pantoffels staan onder het bed. (My slippers are under the bed.)
Wat is een ‘kopje’?
Cup (diminutive)
Ik drink een kopje koffie. (I am drinking a cup of coffee.)
Wat betekent ‘bezoek’?
Visit
We brengen een bezoek aan het museum. (We are visiting the museum.)
Hoe vertaal je ‘avond’?
Evening
We eten pizza ‘s avonds. (We eat pizza in the evening.)
Wat betekent ‘jaarlijkse’?
Annual
Dit is onze jaarlijkse reünie. (This is our annual reunion.)
Wat is de vertaling van ‘grote’?
Big/Large
Het is een grote familie. (It is a big family.)
Wat betekent ‘hele’?
Entire/Whole
De hele klas gaat mee. (The whole class is coming along.)
Wat is de vertaling van ‘vrijdag’?
Friday
Vrijdag is mijn favoriete dag. (Friday is my favorite day.)
Wat betekent ‘zaterdagavond’?
Saturday evening
We gaan uit op zaterdagavond. (We are going out on Saturday evening.)
Hoe vertaal je ‘vakantie’?
Holiday/Vacation
Ik ga op vakantie naar Spanje. (I’m going on holiday to Spain.)
Wat betekent ‘Spanje’?
Spain
We reizen naar Spanje. (We are traveling to Spain.)
Wat is de vertaling van ‘beroep’?
Profession
Wat is je beroep? (What is your profession?)
Wat betekent ‘markt’?
Market
De markt is heel druk vandaag. (The market is very busy today.)
Wat is een ‘kaasboer’?
Cheese vendor
Ik koop kaas bij de kaasboer. (I buy cheese from the cheese vendor.)
Wat betekent ‘kleingeld’?
Small change
Heeft u kleingeld? (Do you have small change?)
Wat is de vertaling van ‘verkoper’?
Seller/Vendor
De verkoper is heel aardig. (The vendor is very kind.)
Wat betekent ‘maar’?
But
Ik heb geen broers, maar wel een zus. (I don’t have brothers, but I do have a sister.)
Hoe vertaal je ‘nu’?
Now
We wonen nu in Leeuwarden. (We now live in Leeuwarden.)
Wat betekent ‘nog’?
Still/Yet
Zij zit nog op de basisschool. (She is still in primary school.)
Wat is de vertaling van ‘klaar’?
Ready
Het eten is klaar. (The food is ready.)
Wat betekent ‘nieuwe’?
New
Hoe is de nieuwe trainer? (How is the new trainer?)
Wat betekent ‘aardig’?
Kind/Nice
De leraar is heel aardig. (The teacher is very kind.)
Wat is de vertaling van ‘heel’?
Very/Really
Het is heel leuk hier. (It is very nice here.)
Wat betekent ‘voor’?
For/In front of
De bloemen staan voor het huis. (The flowers are in front of the house.)
Wat is de vertaling van ‘met’?
With
Ik ga met mijn vriendin naar de stad. (I’m going to the city with my friend.)
Wat betekent ‘om’?
At (time)
We eten om zes uur. (We eat at six o’clock.)
Wat betekent ‘uit’?
From/Out of
Ik kom uit Nederland. (I come from the Netherlands.)
Wat betekent ‘alles samen’?
Everything together
We doen alles samen. (We do everything together.)
Wat betekent ‘Wacht even’?
Wait a moment
Wacht even, ik kom zo. (Wait a moment, I’ll be right there.)
Wat betekent ‘ga je mee?’
Are you coming along?
Ik ga naar het park. Ga je mee? (I’m going to the park. Are you coming along?)
Wat betekent ‘Wat kosten?’
What do they cost?
Wat kosten de bloemen? (What do the flowers cost?)
Vul in: ‘Een stuk oude kaas, ______.’
Graag.
A piece of aged cheese, please.
Wat betekent ‘geven’?
To give
Conjugation: ik geef, jij geeft, hij geeft, wij geven
Conjugate ‘geven’ in de eerste persoon enkelvoud.
Ik geef
Geef je me een glas water? (Can you give me a glass of water?)
Wat betekent ‘wijzen’?
To point/show
Conjugation: ik wijs, jij wijst, hij wijst, wij wijzen
Conjugate ‘wijzen’ in de tweede persoon enkelvoud.
Jij wijst
Hij wijst naar de deur. (He is pointing at the door.)
Wat betekent ‘wegen’?
To weigh
Conjugation: ik weeg, jij weegt, hij weegt, wij wegen
Conjugate ‘wegen’ in de derde persoon enkelvoud.
Hij weegt
Weeg je de kaas, alstublieft? (Can you weigh the cheese, please?)
Wat betekent ‘snijden’?
To cut
Conjugation: ik snijd, jij snijdt, hij snijdt, wij snijden
Conjugate ‘snijden’ in de eerste persoon meervoud.
Wij snijden
Hij snijdt het brood. (He cuts the bread.)