Unit 3 In Gang Flashcards
vieren(fee-run)
to celebrate|We vieren haar verjaardag in het café. (We’re celebrating her birthday at the café)
verjaardag(ver-yahr-dakh)
birthday|Gefeliciteerd met je verjaardag! (Happy birthday!)
samen(sah-mun)
together|Zullen we samen lunchen? (Shall we have lunch together?)
gefeliciteerd(khuh-fay-li-see-taird)
congratulations|Gefeliciteerd met je nieuwe baan! (Congratulations on your new job!)
prettig kennis te maken(preh-tikh keh-nis tuh mah-kun)
nice to meet you|Prettig kennis te maken
kennen(keh-nun)
to know (people)|Hoe kennen jullie elkaar? (How do you know each other?)
trakteren(trahk-tay-run)
to treat|Ik ben geslaagd
graag willen(khrahkh vil-lun)
would like|Ik wil graag een koffie bestellen. (I would like to order a coffee)
pilsje(pils-yuh)
beer (diminutive)|Een pilsje voor mij. (A beer for me)
nemen(nay-mun)
to take/have|Ik neem een thee. (I’ll have a tea)
roepen(roo-pun)
to call|Zal ik de ober roepen? (Shall I call the waiter?)
ober(oh-bur)
waiter|Pardon
mogen(moh-khun)
may/to be allowed|Mag ik bestellen? (May I order?)
bestellen(buh-steh-lun)
to order|Wil je iets bestellen? (Do you want to order something?)
alstublieft(als-too-bleeft)
please (formal)|De menukaart
poosje(poh-shuh)
little while|Een poosje later… (A little while later…)
zullen(zul-lun)
shall|Zullen we gaan? (Shall we go?)
nog een keer(nokh ayn kayr)
once more|Nog een keer hetzelfde? (The same again?)
rondje(ron-chuh)
round (of drinks)|Dit rondje is voor mij! (This round is on me!)
betalen(buh-tah-lun)
to pay|Wie gaat er betalen? (Who’s going to pay?)
afrekenen(af-ray-kuh-nun)
to settle the bill|Kunnen we afrekenen? (Can we get the bill?)
hetzelfde(het-zelf-duh)
the same|Voor mij hetzelfde. (The same for me)
eigenlijk(ay-khun-luk)
actually|Hoe gaat het eigenlijk met je? (How are you actually doing?)
daarom(dahr-om)
therefore/that’s why|Ik ben jarig
dank je wel(dank yuh vel)
thank you|Dank je wel voor het drankje! (Thank you for the drink!)
bedankt(buh-dankt)
thanks|Bedankt voor het rondje! (Thanks for the round!)
proost(prohst)
cheers|Proost! Op het nieuwe jaar! (Cheers! To the new year!)
doe maar(doo mahr)
just give me|Doe maar een cola. (Just give me a cola)
kun je(kün yuh)
can you|Kun je dat herhalen? (Can you repeat that?)
begrijpen(buh-khray-pun)
to understand|Kun je de dialoog begrijpen? (Can you understand the dialogue?)
feliciteren(fey-li-si-tey-run)
to congratulate|Kun je iemand feliciteren met zijn verjaardag? (Can you congratulate someone on their birthday?)
bestellen(buh-steh-lun)
to order|Kun je zelf bestellen in het Nederlands? (Can you order by yourself in Dutch?)
drankenkaart(dran-kun-kahrt)
drinks menu|Kun je de drankenkaart lezen? (Can you read the drinks menu?)
afrekenen(af-rey-kuh-nun)
to pay the bill|Kun je zelf afrekenen in een café? (Can you pay by yourself in a café?)
bedanken(buh-dan-kun)
to thank|Kun je iemand bedanken voor een cadeau? (Can you thank someone for a gift?)
reageren(rey-ah-khey-run)
to respond|Kun je reageren op een uitnodiging? (Can you respond to an invitation?)
maandag(mahn-dakh)
Monday|Op maandag ben ik altijd vroeg op kantoor. (On Monday I’m always early at the office)
dinsdag(dins-dakh)
Tuesday|Elke dinsdag heb ik Nederlandse les. (Every Tuesday I have Dutch lessons)
woensdag(woons-dakh)
Wednesday|Volgende week woensdag ben ik jarig. (Next week Wednesday is my birthday)
donderdag(don-der-dakh)
Thursday|Donderdag werk ik thuis. (Thursday I work from home)
vrijdag(fray-dakh)
Friday|Vrijdag ga ik meestal uit met vrienden. (Friday I usually go out with friends)
zaterdag(zah-ter-dakh)
Saturday|Op zaterdag ga ik naar de markt. (On Saturday I go to the market)
zondag(zon-dakh)
Sunday|Zondag is een rustdag. (Sunday is a rest day)
januari(yah-noo-ah-ree)
January|In januari is het vaak koud in Nederland. (In January it’s often cold in the Netherlands)
februari(fey-broo-ah-ree)
February|Februari is de kortste maand. (February is the shortest month)
maart(mahrt)
March|In maart begint de lente. (Spring starts in March)
april(ah-pril)
April|Het regent vaak in april. (It often rains in April)
mei(may)
May|In mei zijn er veel feestdagen. (In May there are many holidays)
juni(yuu-nee)
June|Juni is een mooie zomermaand. (June is a nice summer month)
juli(yuu-lee)
July|In juli heb ik vakantie. (In July I have vacation)
augustus(ow-khus-tus)
August|Augustus is meestal warm. (August is usually warm)
september(sep-tem-ber)
September|De scholen beginnen in september. (Schools start in September)
oktober(ok-toh-ber)
October|In oktober vallen de bladeren. (In October the leaves fall)
november(no-vem-ber)
November|November is vaak grijs en nat. (November is often grey and wet)
december(day-sem-ber)
December|In december vieren we Sinterklaas en Kerst. (In December we celebrate Sinterklaas and Christmas)
door de week(dohr duh vayk)
during the week|Door de week sta ik vroeg op. (During the week I get up early)
in het weekend(in het way-kent)
during the weekend|In het weekend slaap ik uit. (During the weekend I sleep in)
vorige maand(voh-ruh-khuh mahnt)
last month|Vorige maand was ik nog in Italië. (Last month I was still in Italy)
volgende week(vol-khun-duh vayk)
next week|Volgende week woensdag ben ik jarig. (Next week Wednesday is my birthday)
jarig zijn(yah-rikh zeyn)
to have one’s birthday|Ik ben volgende week jarig! (It’s my birthday next week!)
graag komen(khrahkh koh-mun)
would love to come|Ik kom graag naar je feestje! (I’d love to come to your party!)
helaas(hay-lahs)
unfortunately|Helaas kan ik niet komen. (Unfortunately
tot dan(tot dan)
see you then|Leuk
alvast(al-vast)
in advance|Alvast bedankt voor de uitnodiging! (Thanks in advance for the invitation!)
uitnodiging(əyt-noh-di-khing)
invitation|Bedankt voor je uitnodiging! (Thanks for your invitation!)
prettig met je kennis te maken(preh-tikh met yuh keh-nis tuh mah-kun)
nice to meet you|Prettig met je kennis te maken
hoe kennen jullie elkaar(hoo keh-nun yü-lee el-kahr)
how do you know each other|Hoe kennen jullie elkaar eigenlijk? (How do you actually know each other?)
van de cursus(van duh kur-sus)
from the course|Ik ken haar van de cursus Nederlands. (I know her from the Dutch course)
ik trakteer(ik trak-tayr)
it’s my treat|Ik ben geslaagd voor mijn examen
doe mij maar(doo may mar)
just give me/I’ll take|Doe mij maar een pilsje. (I’ll take a beer)
ik neem(ik naym)
I’ll have|Ik neem rode wijn. (I’ll have red wine)
zegt u het maar(zekht ü het mar)
what would you like (formal)|”Wat wilt u bestellen?” “Zegt u het maar.” (What would you like to order? Please go ahead)
ik weet het niet(ik vayt het neet)
I don’t know|Hm
dat is een goed idee(dat is un khoot ee-day)
that’s a good idea|Zullen we nog een rondje bestellen? Dat is een goed idee! (Shall we order another round? That’s a good idea!)
hetzelfde(het-zelf-duh)
the same|Willen jullie hetzelfde als vorige keer? (Would you like the same as last time?)
dit rondje(dit ron-chuh)
this round|Dit rondje betaal ik. (This round is on me)
mogen we afrekenen(moh-khun vuh af-ray-kuh-nun)
may we pay/get the bill|Ober
daarom(dahr-om)
that’s why|Ik ben jarig
op je verjaardag(op yuh ver-yar-dakh)
to your birthday|Proost! Op je verjaardag! (Cheers! To your birthday!)
roep de ober(roop duh oh-bur)
call the waiter|Ik roep even de ober. (I’ll call the waiter)
ik ben jarig
It’s my birthday