Unit 3 In Gang Flashcards

1
Q

vieren(fee-run)

A

to celebrate|We vieren haar verjaardag in het café. (We’re celebrating her birthday at the café)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

verjaardag(ver-yahr-dakh)

A

birthday|Gefeliciteerd met je verjaardag! (Happy birthday!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

samen(sah-mun)

A

together|Zullen we samen lunchen? (Shall we have lunch together?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

gefeliciteerd(khuh-fay-li-see-taird)

A

congratulations|Gefeliciteerd met je nieuwe baan! (Congratulations on your new job!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

prettig kennis te maken(preh-tikh keh-nis tuh mah-kun)

A

nice to meet you|Prettig kennis te maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

kennen(keh-nun)

A

to know (people)|Hoe kennen jullie elkaar? (How do you know each other?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

trakteren(trahk-tay-run)

A

to treat|Ik ben geslaagd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

graag willen(khrahkh vil-lun)

A

would like|Ik wil graag een koffie bestellen. (I would like to order a coffee)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

pilsje(pils-yuh)

A

beer (diminutive)|Een pilsje voor mij. (A beer for me)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

nemen(nay-mun)

A

to take/have|Ik neem een thee. (I’ll have a tea)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

roepen(roo-pun)

A

to call|Zal ik de ober roepen? (Shall I call the waiter?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

ober(oh-bur)

A

waiter|Pardon

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

mogen(moh-khun)

A

may/to be allowed|Mag ik bestellen? (May I order?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

bestellen(buh-steh-lun)

A

to order|Wil je iets bestellen? (Do you want to order something?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

alstublieft(als-too-bleeft)

A

please (formal)|De menukaart

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

poosje(poh-shuh)

A

little while|Een poosje later… (A little while later…)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

zullen(zul-lun)

A

shall|Zullen we gaan? (Shall we go?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

nog een keer(nokh ayn kayr)

A

once more|Nog een keer hetzelfde? (The same again?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

rondje(ron-chuh)

A

round (of drinks)|Dit rondje is voor mij! (This round is on me!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

betalen(buh-tah-lun)

A

to pay|Wie gaat er betalen? (Who’s going to pay?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

afrekenen(af-ray-kuh-nun)

A

to settle the bill|Kunnen we afrekenen? (Can we get the bill?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

hetzelfde(het-zelf-duh)

A

the same|Voor mij hetzelfde. (The same for me)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

eigenlijk(ay-khun-luk)

A

actually|Hoe gaat het eigenlijk met je? (How are you actually doing?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

daarom(dahr-om)

A

therefore/that’s why|Ik ben jarig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

dank je wel(dank yuh vel)

A

thank you|Dank je wel voor het drankje! (Thank you for the drink!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

bedankt(buh-dankt)

A

thanks|Bedankt voor het rondje! (Thanks for the round!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

proost(prohst)

A

cheers|Proost! Op het nieuwe jaar! (Cheers! To the new year!)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

doe maar(doo mahr)

A

just give me|Doe maar een cola. (Just give me a cola)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

kun je(kün yuh)

A

can you|Kun je dat herhalen? (Can you repeat that?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

begrijpen(buh-khray-pun)

A

to understand|Kun je de dialoog begrijpen? (Can you understand the dialogue?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

feliciteren(fey-li-si-tey-run)

A

to congratulate|Kun je iemand feliciteren met zijn verjaardag? (Can you congratulate someone on their birthday?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

bestellen(buh-steh-lun)

A

to order|Kun je zelf bestellen in het Nederlands? (Can you order by yourself in Dutch?)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

drankenkaart(dran-kun-kahrt)

A

drinks menu|Kun je de drankenkaart lezen? (Can you read the drinks menu?)

34
Q

afrekenen(af-rey-kuh-nun)

A

to pay the bill|Kun je zelf afrekenen in een café? (Can you pay by yourself in a café?)

35
Q

bedanken(buh-dan-kun)

A

to thank|Kun je iemand bedanken voor een cadeau? (Can you thank someone for a gift?)

36
Q

reageren(rey-ah-khey-run)

A

to respond|Kun je reageren op een uitnodiging? (Can you respond to an invitation?)

37
Q

maandag(mahn-dakh)

A

Monday|Op maandag ben ik altijd vroeg op kantoor. (On Monday I’m always early at the office)

38
Q

dinsdag(dins-dakh)

A

Tuesday|Elke dinsdag heb ik Nederlandse les. (Every Tuesday I have Dutch lessons)

39
Q

woensdag(woons-dakh)

A

Wednesday|Volgende week woensdag ben ik jarig. (Next week Wednesday is my birthday)

40
Q

donderdag(don-der-dakh)

A

Thursday|Donderdag werk ik thuis. (Thursday I work from home)

41
Q

vrijdag(fray-dakh)

A

Friday|Vrijdag ga ik meestal uit met vrienden. (Friday I usually go out with friends)

42
Q

zaterdag(zah-ter-dakh)

A

Saturday|Op zaterdag ga ik naar de markt. (On Saturday I go to the market)

43
Q

zondag(zon-dakh)

A

Sunday|Zondag is een rustdag. (Sunday is a rest day)

44
Q

januari(yah-noo-ah-ree)

A

January|In januari is het vaak koud in Nederland. (In January it’s often cold in the Netherlands)

45
Q

februari(fey-broo-ah-ree)

A

February|Februari is de kortste maand. (February is the shortest month)

46
Q

maart(mahrt)

A

March|In maart begint de lente. (Spring starts in March)

47
Q

april(ah-pril)

A

April|Het regent vaak in april. (It often rains in April)

48
Q

mei(may)

A

May|In mei zijn er veel feestdagen. (In May there are many holidays)

49
Q

juni(yuu-nee)

A

June|Juni is een mooie zomermaand. (June is a nice summer month)

50
Q

juli(yuu-lee)

A

July|In juli heb ik vakantie. (In July I have vacation)

51
Q

augustus(ow-khus-tus)

A

August|Augustus is meestal warm. (August is usually warm)

52
Q

september(sep-tem-ber)

A

September|De scholen beginnen in september. (Schools start in September)

53
Q

oktober(ok-toh-ber)

A

October|In oktober vallen de bladeren. (In October the leaves fall)

54
Q

november(no-vem-ber)

A

November|November is vaak grijs en nat. (November is often grey and wet)

55
Q

december(day-sem-ber)

A

December|In december vieren we Sinterklaas en Kerst. (In December we celebrate Sinterklaas and Christmas)

56
Q

door de week(dohr duh vayk)

A

during the week|Door de week sta ik vroeg op. (During the week I get up early)

57
Q

in het weekend(in het way-kent)

A

during the weekend|In het weekend slaap ik uit. (During the weekend I sleep in)

58
Q

vorige maand(voh-ruh-khuh mahnt)

A

last month|Vorige maand was ik nog in Italië. (Last month I was still in Italy)

59
Q

volgende week(vol-khun-duh vayk)

A

next week|Volgende week woensdag ben ik jarig. (Next week Wednesday is my birthday)

60
Q

jarig zijn(yah-rikh zeyn)

A

to have one’s birthday|Ik ben volgende week jarig! (It’s my birthday next week!)

61
Q

graag komen(khrahkh koh-mun)

A

would love to come|Ik kom graag naar je feestje! (I’d love to come to your party!)

62
Q

helaas(hay-lahs)

A

unfortunately|Helaas kan ik niet komen. (Unfortunately

63
Q

tot dan(tot dan)

A

see you then|Leuk

64
Q

alvast(al-vast)

A

in advance|Alvast bedankt voor de uitnodiging! (Thanks in advance for the invitation!)

65
Q

uitnodiging(əyt-noh-di-khing)

A

invitation|Bedankt voor je uitnodiging! (Thanks for your invitation!)

66
Q

prettig met je kennis te maken(preh-tikh met yuh keh-nis tuh mah-kun)

A

nice to meet you|Prettig met je kennis te maken

67
Q

hoe kennen jullie elkaar(hoo keh-nun yü-lee el-kahr)

A

how do you know each other|Hoe kennen jullie elkaar eigenlijk? (How do you actually know each other?)

68
Q

van de cursus(van duh kur-sus)

A

from the course|Ik ken haar van de cursus Nederlands. (I know her from the Dutch course)

69
Q

ik trakteer(ik trak-tayr)

A

it’s my treat|Ik ben geslaagd voor mijn examen

70
Q

doe mij maar(doo may mar)

A

just give me/I’ll take|Doe mij maar een pilsje. (I’ll take a beer)

71
Q

ik neem(ik naym)

A

I’ll have|Ik neem rode wijn. (I’ll have red wine)

72
Q

zegt u het maar(zekht ü het mar)

A

what would you like (formal)|”Wat wilt u bestellen?” “Zegt u het maar.” (What would you like to order? Please go ahead)

73
Q

ik weet het niet(ik vayt het neet)

A

I don’t know|Hm

74
Q

dat is een goed idee(dat is un khoot ee-day)

A

that’s a good idea|Zullen we nog een rondje bestellen? Dat is een goed idee! (Shall we order another round? That’s a good idea!)

75
Q

hetzelfde(het-zelf-duh)

A

the same|Willen jullie hetzelfde als vorige keer? (Would you like the same as last time?)

76
Q

dit rondje(dit ron-chuh)

A

this round|Dit rondje betaal ik. (This round is on me)

77
Q

mogen we afrekenen(moh-khun vuh af-ray-kuh-nun)

A

may we pay/get the bill|Ober

78
Q

daarom(dahr-om)

A

that’s why|Ik ben jarig

79
Q

op je verjaardag(op yuh ver-yar-dakh)

A

to your birthday|Proost! Op je verjaardag! (Cheers! To your birthday!)

80
Q

roep de ober(roop duh oh-bur)

A

call the waiter|Ik roep even de ober. (I’ll call the waiter)

81
Q

ik ben jarig

A

It’s my birthday