Unit Eight Flashcards

1
Q

mij/me (may/muh)

A

me|Voor mij een koffie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

hem (hem)

A

him/it|Ik zie hem elke dag op kantoor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

haar/d’r (har/dur)

A

her|Ik geef haar het boek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

ons (ons)

A

us|Hij heeft ons gisteren gebeld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

hun (huun)

A

them (indirect)|Ik geef hun de sleutels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

hen (hen)

A

them (formal)|Ik ga met hen naar de bioscoop

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

ze (zuh)

A

them (casual)|Ik zie ze morgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

uitnodigen (out-noh-dih-gun)

A

to invite|Ze hebben ons uitgenodigd voor het feest

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

opbellen (op-bell-un)

A

to call up|Ik moet haar even opbellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

geven (hay-fun)

A

to give|Kun je me dat even geven?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

zien (zeen)

A

to see|Ik zie hem vaak bij de supermarkt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

vinden (fin-dun)

A

to find/think|Ik vind hem aardig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Voor mij (fohr may)

A

for me|Voor mij graag een thee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Met hem (met hem)

A

with him|Ik ga met hem lunchen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Kun je me helpen? (kun yuh muh hel-pun)

A

Can you help me?|Vaak gebruikt in winkels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Geef het maar aan mij (gheef het mar ahn may)

A

Just give it to me|Handig bij het ontvangen van iets

17
Q

Mag ik je iets vragen? (mach ik yuh eets frah-ghun)

A

May I ask you something?|Veel gebruikt in dagelijkse gesprekken

18
Q

bij de supermarkt (bay duh super-markt)

A

at the supermarket|Ik zie haar vaak bij de supermarkt

19
Q

op kantoor (op kan-tohr)

A

at the office|Hij werkt op kantoor

20
Q

in de winkel (in duh vin-kul)

A

in the shop|Ik help je in de winkel

21
Q

naar huis (nar house)

A

to home|Ik breng haar naar huis

22
Q

even (ay-fun)

A

just/for a moment|Kun je me even helpen?

23
Q

alstublieft (al-stu-bleeft)

A

please (formal)|Geef het maar aan mij

24
Q

graag (ghraach)

A

please/gladly|Ik wil graag een kopje koffie

25
Q

natuurlijk (nah-tuur-luk)

A

of course|Natuurlijk help ik je

26
Q

dank je wel (dank yuh vel)

A

thank you|Dank je wel voor je hulp

27
Q

geen probleem (gheen pro-bleem)

A

no problem|Geen probleem