Redeneren: I. Cognitieve achtergrond Flashcards
drievuldig brein = triune brain
1) reptielachtige brein
2) limbische brein
3) neopalium
cognitieve capaciteiten
evolutionaire wortels
reptielachtige brein = basaal brein = R-complex
oudste laag van het drievuldige brein, meest basale structuren van het brein, rigide/obsessief/compulsief/paranoïde gedrag, leert niet van fouten uit het verleden, controleert spieren/evenwicht/autonome functies zoals ademhaling en hartslag, onderste deel van het brein dat steeds actief is
oude zoogdierenbrein = limbische brein
tweede laag van het drievuldige brein, alles wat te maken heeft met geur/drijfveren/motivatie/emoties/tijdsbesef/kennisverwerving/geheugen
recente zoogdierenbrein = neopalium =(neo)cortex
enkele bijzondere cognitieve functies waarover uitsluitend de mens beschikt: inventiviteit en abstract redeneervermogen, bij mens: 2/3 hersenmassa
verdeeld in:
1) linkerhersenhelft: controleert de rechterkant van het lichaam: lineair, rationeel, verbaal
2) rechterhersenhelft: controleert linkerkant van het lichaam: ruimtelijk, abstract, muzikaal, artistiek
bovenste deel van het brein
Humans
echte mensen
econs
zuiver rationele actoren
nudging
mensen aansporen om bepaalde dingen te doen zonder dat ze zich ervan bewust zijn
cognitieve capaciteiten
Bij het cognitieve vermogen gaat het over het vermogen van de hersenen iets te kunnen leren, maar ook om het te onthouden, te onderscheiden en kennis uit te wisselen met anderen.
kennisvloek = curse of knowledge
wanneer systeem 2 denken voor jou systeem 1 denken wordt, dus hoe meer automatisch en vanzelfsprekend een bepaalde gedachtegang voor iemand wordt, des te moeilijker is het voor die persoon om te beseffen dat anderen veel meer tijd, moeite en energie moeten investeren om die gedachtegang te kunnen volgen/begrijpen (voorbeeld: autorijden)
dual process-theorie
onze vertrouwdheid met de situatie zorgt ervoor dat het ons geen moeite kost om de relevante vragen te stellen en om de relevante kaarten om te draaien
lekenkennis
alledaagse, niet-gespecialiseerde kennis
hindsight bias
De neiging om te denken dat gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, wel moesten plaatsvinden
complottheorie
wanneer een gebeurtenis die als bedreigend wordt ervaren, wordt toegeschreven aan een samenzwering tussen individuen die hun doel via niet-legitieme weg trachten te bereiken
voorwaardelijk verband
een bepaalde zin of uitspraak vormt een voorwaarde voor een andere zin of uitspraak
Als de éne propositie waar is, dan geldt dat ook voor de andere propositie die er in een voorwaardelijk verband mee staat
propositie
zin of uitspraak
via-verbanden = metonymieën
je gebruikt een ding of entiteit (vehikelentiteit) om mentale toegang te krijgen tot een ander ding of entiteit (doelentiteit) dat er in onze ervaring nauw mee verbonden is
De twee entiteiten moeten voldoende dicht bij elkaar liggen in de conceptuele ruimte, contigu zijn
contigu zijn
verwant zijn, de twee entiteiten van een via-verband moeten elkaar raken in onze gedachten of tot hetzelfde domein behoren
conceptueel domein
elke coherente organisatie van ervaringen
deel/geheel-metonymie
je legt - al dan niet terecht - een verband tussen een deel en het geheel waar dat deel deel van uitmaakt
oorzaak/gevolg-metonymie
je plaatst -al dan niet terecht- twee gebeurtenissen in een oorzakelijk verband met elkaar
apefonie
de neiging om verbanden te leggen tussen dingen die niet gerelateerd zijn
correlatie
onderlinge verhouding of relatie, het geeft aan in welke mate 1 of meer variabelen verband met elkaar houden
‘ze zijn gecorreleerd’
‘ze houden verband met elkaar’
causale verbanden
Neiging om samenhangende gebeurtenissen in een relatie van oorzaak en gevolg tot elkaar te plaatsen
als-het-ware verbanden = metaforen
het zintuigelijk waarneembaar voorstellen van een abstract concept zodat het abstracte concept duidelijk wordt
Een bepaalde entiteit uit 1 conceptueel domein (doeldomein) voorstellen in de termen van een ander conceptueel domein dat we kennen (brondomein) om die entiteit beter te begrijpen
Een concreet brondomein gebruiken om entiteit uit doeldomein beter te begrijpen
mappings
systematische set van conceptuele gelijkenissen
een conceptuele metafoor
een cognitief proces waarbij we een doeldomein in termen van een brondomein begrijpen
hermeneutische functie
metafoor berust op gelijkenis: doel = begrip
heuristische functie
metonymie berust op contiguïteit en associatie; twee zaken maken deel uit van zelfde conceptueel domein: doel = uitgang
narratieve machine
verbandenleggende machine
metonymie
proces waarbij een conceptuele entiteit (vehikelentiteit) mentale toegang verleent tot een andere conceptuele entiteit (doelentiteit)