Prequel - Studywords Flashcards
Answer
Beantwoorden / antwoord geven op
Begin (with)
Beginnen met (begin(t) met)
Close
Dichtdoen (doe(t) dicht)
Give
Geven (geef(t))
Repeat
Herhalen (herhaal(t))
Hear
Horen (hoor(t))
Belong to / go with
Horen bij (hoor(t) bij)
Fill in
Invullen (vul(t) in)
Choose
Kiezen (kies(t))
Look at
Kijken naar (kijk(t) naar)
Hand in
Inleveren (lever(t) in)
Read
Lezen (lees(t))
Listen to
Luisteren naar (luister(t) naar)
Make
Maken (maak(t))
Finish
Afmaken (maak(t) af)
Repeat
Naspreken / napraten (spreek(t) na)
Talk
Praten (praat)
Write
Schrijven (schrijf(t))
Speak
Spreken (spreek(t))
Compare
Vergelijken (vergelijk(t))
Tell
Vertellen (vertel(t))
Form
Vormen (vorm(t))
Ask / ask a question
Vragen (vraag(t)) / een vraag stellen
Say
Zeggen (zeg(t))
Put
Zetten (zet)
See
Zien (zie(t))
Search
Zoeken (zoek(t))