Les 6 Flashcards
Busy
Druk
The day
De dag
That’s a deal!
Afgesproken
Together
Samen
Really, in fact
Eigenlijk
(That’s a) pity
Jammer
Shorter working hours
De adv-dag
Certainly
Zeker
Something nice
Iets leuks
To go grocery shopping
Boodschappen doen
Tidy / clear up
Opruimen
The egg
Het ei
To wash oneself
Zich wassen
After that
Daarna
Sleep in / late
Uitslapen
(A day) off
Vrij (een vrij(e) dag)
Really, actually, affirmative
Inderdaad
During
Tijdens
The sandwich
De boterham
After
Na
Mostly
Meestal
Canteen
De kantine
The appointment
De afspraak
To have lunch
Lunchen
To have breakfast
Ontbijten
The hotel
Het hotel
The trip, the journey
De reis
The boss
De baas
The shower
De douche
To leave
Vertrekken
Arrange
Regelen
To get up
Opstaan
Time
De tijd
Clock
De klok
The watch
Het horloge
The alarm clock
De wekker
The day
De dag
Twenty-four hours
Het etmaal
The hour
Het uur
The quarter (1/4)
Het kwartier
The minute
De minuut
The second
De seconde
The hour/ small hand
De kleine wijzer
Minute/ the big hand
De grote wijzer
To be fast
Voorlopen (hij loopt voor)
To be slow
Acherlopen (hij loopt achter)