1-30 Werkwoorden Perfectum Flashcards
1
Q
Beginnen
A
Zijn begonnen
2
Q
Begrijpen
A
Begrepen
3
Q
Bespreken
A
Besproken
4
Q
Bestaan
A
Bestaan
5
Q
Bevallen
A
Zijn bevallen
6
Q
Bewegen
A
Bewogen
7
Q
Bieden
A
Geboden
8
Q
Bijten
A
Gebeten
9
Q
Binden
A
Gebonden
10
Q
Blijken
A
Zijn Gebleken
11
Q
Blijven
A
Zijn gebleven
12
Q
Breken
A
Gebroken
13
Q
Brengen
A
Gebracht
14
Q
Buigen
A
Bebogen
15
Q
Denken
A
Gedacht
16
Q
Doen
A
Gedaan
17
Q
Dragen
A
Gedragen
18
Q
Drinken
A
Gedronken
19
Q
Druipen
A
Gedropen
20
Q
Eten
A
Gegeten
21
Q
Fluiten
A
Gefloten
22
Q
Gaan
A
Zijn gegaan
23
Q
Gelden
A
Gegolden
24
Q
Geven
A
Gegeven
25
Q
Gieten
A
Gegoten
26
Q
Graven
A
Gegraven
27
Q
Hangen
A
Gehangen
28
Q
Hebben
A
Gehad
29
Q
Helpen
A
Geholpen
30
Q
Bakken
A
Gebakken